ECLI:NL:RBGEL:2026:955 Rechtbank Gelderland , 11-02-2026 / AWB - 23 _ 5470
Rechtbank Gelderland
Case Summary
RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 23/5470 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiser], uit [plaats], eiser (gemachtigde: mr. T.D.D. Loeffen), en de minister van Justitie en Veiligheid (gemachtigde: mr. J. de Jong). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en veiligheid) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister op een verzoek van eiser om inzage in of het verkrijgen van een afschrift van dagrapportages die over hem zijn bijgehouden. Eiser is het niet eens met het besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister het bestreden besluit op juiste gronden heeft genomen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister met een aanvullend besluit op juiste wijze inzage heeft gegeven in de dagrapportages die over eiser zijn bijgehouden. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser was van 2 december 2021 tot en met 29 juli 2022 gedetineerd in de penitentiaire inrichting in Krimpen aan den IJssel (PI). Eiser heeft op 15 februari 2022 bij de PI verzocht om inzage in of een afschrift van de dagrapportages die over hem zijn bijgehouden. Met het besluit van 7 maart 2022 heeft de minister geweigerd om inzage te geven in deze dagrapportages. Met het besluit van 11 mei 2022 op het bezwaar van eiser is de minister bij dat besluit gebleven. 2.1. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld bij rechtbank Rotterdam tegen het besluit van 7 maart 2022. Die rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat het besluit onvoldoende is gemotiveerd en eiser ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank heeft daarom het besluit van 7 maart 2022 vernietigd en de minister opgedragen om binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. 2.2. Op 2 augustus 2023 heeft de minister een nieuw besluit op het bezwaar (bestreden besluit I) van eiser genomen waarbij aan eiser een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens in de dagrapportages over de periode van 2 december 2022 tot en met 15 februari 2023 is verstrekt. Daarbij zijn de namen van medegedetineerden en betrokken medewerkers geanonimiseerd. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. 2.5. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst, omdat de minister heeft laten weten dat met het bestreden besluit I geen volledige inzage is gegeven in de dagrapportages over eiser. De rechtbank heeft de minister opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen. 2.6. De minister heeft op 2 september 2025 een nieuw besluit (bestreden besluit II) op het bezwaar van eiser genomen. Het beroep is mede gericht tegen het bestreden besluit II. 2.7. Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten. 2.8. De rechtbank heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) aangemerkt als derde-partij bij het beroep in verband met een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 is, hoeft de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop verweer te voeren. Beoordeling door de rechtbank Is eiser ten onrechte niet gehoord? 3. Eiser stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord. Eiser heeft duidelijk te kennen gegeven dat zijn gemachtigde niet aanwezig kon zijn op de hoorzitting van 31 juli 2023. Vervolgens gaat de hoorzitting alsnog door zonder eiser en zijn gemachtigde. Het verzoek om uitstel van de hoorzitting is tijdig gedaan, waardoor dit gehonoreerd had moeten worden. Omdat eiser tijdens de eerdere beroepsprocedure is bijgestaan door een gemachtigde had de minister er vanuit kunnen gaan dat deze gemachtigde eiser ook zou bijstaan tijdens de bezwaarprocedure. De minister had eisers gemachtigde dan ook moeten benaderen voor het plannen van een hoorzitting. Omdat het bezwaar van eiser gedeeltelijk ongegrond is verklaard kon de minister ook geen beroep doen op artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Awb. 3.1. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Eiser heeft zijn bezwaar mondeling kunnen toelichten, maar ten overstaan van de hoorcommissie heeft hij kenbaar gemaakt dat hij dat niet wilde omdat zijn gemachtigde er niet was. Eiser is op 17 juli 2023 zelf benaderd voor een hoorzitting omdat hij het bezwaar ook zelf heeft ingediend. Pas nadat eiser was benaderd voor de hoorzitting heeft zijn gemachtigde zich gemeld en op 21 juli 2023 heeft eiser de minister een ingebrekestelling gestuurd. Gemachtigde is toen ook meegegeven dat hij een waarnemer naar de hoorzitting zou kunnen sturen of de ingebrekestelling zou kunnen intrekken indien hij persé in persoon de hoorzitting wilde bijwonen. De minister had niet op voorhand kunnen weten dat eiser zou worden bijgestaan door een gemachtigde, omdat eiser regelmatig zelf procedeert. 3.2. Volgens vaste rechtspraak is het in beginsel in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb een hoorzitting niet uit te stellen wanneer een belanghebbende of zijn gemachtigde direct na de uitnodiging voor de hoorzitting gemotiveerd heeft medegedeeld dat hij op het genoemde tijdstip niet kan verschijnen. 3.3. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat eiser ten onrechte niet is gehoord. Omdat eiser in de vorige beroepsprocedure, die heeft geleid tot vernietiging van het eerdere besluit op bezwaar, werd bijgestaan door een gemachtigde, had de minister direct de gemachtigde moeten benaderen voor het plannen van een hoorzitting met het oog op de nieuw te nemen beslissing op bezwaar. Verder heeft de gemachtigde nadat hij de uitnodiging voor de hoorzitting ontving direct laten weten dat hij niet kon op de voorgestelde data. De minister had de hoorzitting dan ook moeten uitstellen tot een moment dat de gemachtigde van eiser bij de hoorzitting aanwezig kon zijn. 3.4. De rechtbank is verder van oordeel dat niet aannemelijk is dat eiser door de schending van de hoorplicht is benadeeld. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om in de beroepsprocedure zijn gronden kenbaar te maken. Eiser heeft op de zitting ook bevestigd dat hij niet opnieuw hoeft te worden gehoord voordat de minister het bestreden besluit II zou nemen. De rechtbank passeert dit gebrek in de besluitvorming met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Is volledige inzage gegeven in de dagrapportages? 4. Eiser stelt dat geen volledige inzage is gegeven in de dagrapportages. Informatie lijkt namelijk te zijn samengevoegd in één bestand. Ook kan niet worden nagegaan wat er met de informatie is gebeurd vanaf pagina 12. Op de eerdere pagina’s lijken aantekeningen te staan van 24 december 2021. Op pagina 12 staan echter aantekeningen van 9, 14, 16 en weer 9 december 2021. Daarnaast valt op pagina 14 op dat de informatie afkomstig lijkt uit rapportages van andere gedetineerden. Daardoor kan niet worden uitgesloten dat informatie van eiser ontbreekt. Verder valt de authenticiteit van de informatie niet te verifiëren. Eiser vindt hiervoor steun in de brief van de minister van 5 november 2025 in een andere beroepszaak. 4.1. De minister stelt zich op het standpunt dat aan eiser volledige inzage is gegeven in zijn dagrapportages. De dagrapportages zijn vanuit het systeem geprint. Dit leidt er toe dat ze niet altijd in chronologische volgorde staan. Ze zijn echter wel volledig. Er wordt gewezen op het ontbreken van een paginanummering, maar in de originele documenten ontbreekt die paginanummering ook. Dit komt omdat wordt gerapporteerd in velden in een systeem. Deze velden vormen geen pagina’s, zoals bijvoorbeeld in een word document, en zijn daarom niet voorzien van paginanummering. Daarnaast stelt de minister dat informatie afkomstig lijkt uit rapportages van andere gedetineerden, maar de genoemde pagina betreft een dagrapportage waarin de persoonsgegevens van eiser zijn vastgelegd. Verder onderbouwt eiser niet waarom de rapportages niet authentiek zouden zijn. Er is niet in de tekst geschrapt en er zijn ook geen delen van de tekst aangepast. 4.2. De dagrapportages moeten worden aangemerkt als tenuitvoerleggingsgegevens als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Op grond van artikel 51b, tweede lid, van de Wjsg heeft een betrokkene het recht om op diens schriftelijke verzoek van de minister uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende tenuitvoerleggingsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die tenuitvoerleggingsgegevens in te zien en hierover de informatie te verkrijgen. 4.3. Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt, om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. 4.4. De rechtbank is van oordeel dat volledig inzage is gegeven in de dagrapportages van eiser over de in geding zijnde periode . Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waardoor aannemelijk is dat er meer dagrapportages moeten zijn over hem dan waarin inzage is gegeven. Eiser heeft weliswaar twijfels geuit over de volledigheid van de dagrapportages, maar daar blijken geen concrete aanknopingspunten uit en bovendien heeft de minister gemotiveerd gereageerd op deze twijfels van eiser. De rechtbank kan de uitleg van de minister ook volgen. De beroepsgrond slaagt niet. Is er een bestuurlijke dwangsom verbeurd? 5. Eiser stelt dat er een bestuurlijke dwangsom is verbeurd. Door de rechtbank Rotterdam is een beslistermijn van zes weken na 5 juni 2023 voorgeschreven. Deze termijn is door de minister overschreden. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat er in deze situatie geen ingebrekestelling is vereist. 5.1. De rechtbank is van oordeel dat er geen dwangsom is verbeurd. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waar eiser naar verwijst volgt dat bij het niet tijdig beslissen na een vernietiging door de rechter, die daarbij een termijn heeft gesteld, geen ingebrekestelling is vereist voor het instellen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit. Dit betekent echter niet dat de minister een bestuurlijke dwangsom is verschuldigd. In deze situatie staat de mogelijkheid voor een bestuurlijke dwangsom namelijk niet meer open. Rechtbank Rotterdam heeft in de uitspraak van 5 juni 2023 geen rechterlijke dwangsom verbonden aan de uitspraak voor iedere dag dat de minister niet aan die uitspraak voldoet. Zodra was gebleken dat de minister niet binnen de daarvoor in de uitspraak gestelde termijn een besluit had genomen, had eiser beroep kunnen instellen tegen het niet tijdig beslissen door de minister en had hij de rechtbank kunnen verzoeken om aan haar uitspraak een rechterlijke dwangsom te verbinden. De ingebrekestelling die eiser eerder, op 21 juli 2023 aan de minister had gestuurd, komt in deze geen betekenis (meer) toe. Overschrijding van de redelijke termijn 6. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van zijn immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 6.1. Uit vaste rechtspraak blijkt dat de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM wordt overschreden, indien de duur van de gehele procedure onredelijk lang is. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Voor de berechting van een zaak in eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechter in eerste aanleg niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van een eventuele bezwaarschriftprocedure inbegrepen. Als een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. De redelijke behandelingsduur in beroep is overschreden als deze langer dan anderhalf jaar vanaf het instellen van het beroep heeft geduurd. 6.2. Eiser heeft op 27 maart 2022 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 maart 2022. Het geschil eindigt met de uitspraak van vandaag. Dat betekent dat de procedure bijna vier jaar heeft geduurd. De redelijke termijn is dus overschreden met twee jaar. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 2.000. De vraag is vervolgens aan wie de termijnoverschrijding is toe te rekenen. 6.3. Eiser heeft op 15 augustus 2023 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Omdat de termijn van anderhalf jaar verstreek op 15 februari 2025 is de overschrijding gedeeltelijk veroorzaakt in de rechterlijke fase. Daarom zal de rechtbank de schadevergoeding deels toerekenen aan de minister en deels aan de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). De rechtbank heeft de behandeling van het beroep met ongeveer één jaar overschreden. Het overige deel van de overschrijding van de redelijke termijn, ook één jaar, moet worden toegerekend aan de minister. Dit betekent dat € 1.000 ten laste komt van de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), en dat € 1.000 ten laste komt van de minister. In het bestreden besluit II heeft de minister al een vergoeding van € 1.000 aangeboden aan eiser wegens overschrijding van de redelijke termijn. Als de minister het aangeboden bedrag reeds heeft uitbetaald dan hoeft hij dit bedrag niet nogmaals te vergoeden. Conclusie en gevolgen 7. Omdat de minister het gebrek in het bestreden besluit I heeft weggenomen met het bestreden besluit II, is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. 7.1. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb en het feit dat de minister het gebrek van het bestreden besluit I heeft weggenomen met het bestreden besluit II, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de minister aan eiser het griffierecht moet vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 2.335 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze met een waarde per punt van € 934). Verder is niet gebleken dat er kosten zijn gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond; - bepaalt dat de minister aan eiser het griffierecht van € 184 moet vergoeden; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335; - veroordeelt de minister tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 aan eiser; - veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.000 aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op: griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Met minister wordt mede bedoeld diens rechtsvoorganger, de minister voor Rechtsbescherming. Het besluit is namens de minister genomen door de plaatsvervangend divisiedirecteur. Rechtbank Rotterdam 5 juni 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:4543. Dit volgt uit artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie de beleidsregel van 8 juli 2014, Staatscourant 2014, 20210. Eiser wijst ter ondersteuning van zijn standpunt op CRvB 2 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:6 en ABRvS 25 maart 20215, ECLI:NL:RVS:2015:917. Zie onder meer ABRvS 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3331. 2 december 2021(datum aanvang detentie) tot 15 februari 2022 (datum verzoek). Eiser wijst ter ondersteuning van zijn standpunt op ABRvS 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673. Op basis van artikel 8:72, zesde lid, van Awb. ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188. ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3395. ABRvS 25 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3949.