Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBAMS:2026:1393 Rechtbank Amsterdam , 10-02-2026 / 13-313776-25

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam

Case Summary

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-313776-25 Datum uitspraak: 10 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 9 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 oktober 2025 door the Penal Enforcement Unit of the Budapest-Capital Regional Court, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] (Hongarije), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in het [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 januari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.S. van Es, die waarneemt voor mr. M. Dorgelo, beiden advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Hongaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Penal Enforcement Unit of the Budapest-Capital Regional Court van 5 mei 2023, met kenmerk: 6.F.308/2023/5. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, vijf maanden en zeventien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd, dan wel dat de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de Hongaarse autoriteiten. De opgeëiste persoon betwist namelijk dat hij in persoon is verschenen bij de procedure die tot de beslissing heeft geleid, zoals in onderdeel d) van het EAB staat vermeld. Ter onderbouwing heeft de raadsvrouw gewezen op onderdeel b) van het EAB, waarin is vermeld dat het vonnis op dezelfde dag als de uitspraak final and binding is geworden. Dit roept vragen op. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De verdediging heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van de stelling van de opgeëiste persoon, zodat op grond van het vertrouwensbeginsel van de juistheid van de informatie in het EAB moet worden uitgegaan. Het oordeel van de rechtbank Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. Er zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de informatie in het EAB onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon evenals de opmerking van de raadsvrouw dat het vonnis dezelfde dag ‘ final and binding’ is, is daartoe, zonder enige verdere onderbouwing, niet voldoende. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing. 5 Strafbaarheid Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 7 OLW moet worden geweigerd, omdat niet is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. De opgeëiste persoon betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan wederspannigheid. Daarnaast heeft de raadsvrouw erop gewezen dat geen sprake is geweest van voltooid geweld, dat de opgeëiste persoon ten tijde van de gedraging minderjarig was en in jeugddetentie verbleef, en dat een dergelijk feit ook met een disciplinaire maatregel had kunnen worden afgedaan. Verder is onduidelijk of er jeugdstrafrecht is toegepast. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 7 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De gedraging is dubbel strafbaar als wederspannigheid. Ook het in een andere richting bewegen kan als wederspannigheid worden gekwalificeerd. Het oordeel van de rechtbank De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Bij de toetsing van de dubbele strafbaarheid is niet vereist dat de feitomschrijving onder een identieke Nederlandse strafbepaling valt of een identieke Nederlandse kwalificatie oplevert. Voldoende is dat zij onder enige Nederlandse strafbepaling valt. Nagegaan moet worden of de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, zoals die zijn weergegeven in het EAB, indien zij zouden hebben plaatsgevonden op Nederlands grondgebied, als zodanig ook op dat grondgebied strafrechtelijk hadden kunnen worden bestraft. De rechtbank beoordeelt de dubbele strafbaarheid dus niet aan de hand van de Hongaarse strafbaarstelling of de kwalificatie naar Hongaars recht, maar hoofdzakelijk aan de hand van de feitelijke omschrijving in het EAB. De omstandigheden waarnaar de raadsvrouw in haar standpunt heeft verwezen, spelen geen rol bij deze toets. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het feit naar Nederlands recht strafbaar is. Het feit levert naar Nederlands recht op: wederspannigheid. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen. 6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om – ondanks dat daartoe geen stukken zijn overgelegd – de opgeëiste persoon met een Nederlander gelijk te stellen, de overlevering te weigeren en tot strafovername over te gaan. Wat betreft het ontbreken van stukken heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet bij de stukken kon vanwege een kapotte telefoon. Daarnaast rust op de officier van justitie ook een onderzoeksplicht en heeft de verdediging de officier van justitie verzocht om aan deze onderzoeksplicht te voldoen. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan de verdediging is om een gelijkstellingsverweer te onderbouwen. Nu enige onderbouwing ontbreekt, kan de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijk worden gesteld. Het oordeel van de rechtbank Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten: 1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; 2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Eerste voorwaarde De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Anders dan de raadsvrouw heeft aangevoerd, is het aan de verdediging om stukken te overleggen ter onderbouwing van het gelijkstellingsverweer aangezien de verdediging een beroep doet op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW. De officier van justitie heeft hierin geen onderzoeksplicht. Nu niet aan het eerste vereiste voor gelijkstelling is voldaan, behoeft het tweede vereiste geen bespreking meer. De rechtbank verwerpt het verweer. 7 Artikel 11 OLW: Hongaarse detentieomstandigheden Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een algemeen en individueel gevaar van onmenselijke en vernederende behandeling in detentie in Hongarije. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsvrouw gewezen op het rapport van the Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: het CPT) van 16 december 2025 en dan vooral het risico op terugval dat door het CPT wordt benoemd. Daarnaast is de opgeëiste persoon eerder in detentie in Hongarije mishandeld en verkracht, mede door gevangenispersoneel dat hier ook voor veroordeeld is, en loopt hij vanwege de aard van zijn eigen veroordeling een vergroot risico op een mensonterende en vernederende behandeling door het gevangenispersoneel. Standpunt van de officier van justitie Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2026 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in detentie in Hongarije. Oordeel van de rechtbank In zijn arrest van 5 april 2016 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel of sprake is van een reëel gevaar moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, dient de rechtbank te beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen. De rechtbank is van oordeel dat de raadsvrouw geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft verstrekt op grond waarvan een algemeen gevaar kan worden aangenomen. In haar uitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op het CPT-rapport van 16 december 2025, niet langer sprake is van (voldoende) objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op grond waarvan een algemeen reëel gevaar kan worden aangenomen dat personen die in Tiszalök zijn gedetineerd, onmenselijk of vernederend worden behandeld in verband met de ill-treatment van gedetineerden door het gevangenispersoneel en het geweld tussen gedetineerden onderling. De rechtbank heeft daarin voorts overwogen dat blijkens het rapport een risico bestaat op een terugval in Tiszalök en dat de Hongaarse regering daarom waakzaam moet blijven. Bij de vaststelling van een algemeen gevaar kan de rechtbank echter geen rekening houden met dit risico nu het gaat om een onzekere toekomstige gebeurtenis. Bij de beoordeling van de detentieomstandigheden gaat het erom hoe de omstandigheden nu feitelijk zijn en uit het rapport van 16 december 2025 blijkt dat die omstandigheden inmiddels geen algemeen reëel gevaar van schending van de mensenrechten meer opleveren. Voor zover de opgeëiste persoon heeft betoogd dat gedetineerden die zich tijdens detentie hebben misdragen in het algemeen het gevaar lopen om het slachtoffer te worden van (seksueel) geweld door het gevangenispersoneel, waartegen de justitiële autoriteiten geen bescherming (kunnen of willen) bieden, is de rechtbank van oordeel dat dit verweer niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens is onderbouwd. Er is ook om die reden geen sprake van een algemeen reëel gevaar dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. Nu geen sprake is van een algemeen gevaar komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon na zijn overlevering. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen waar en onder welke omstandigheden de opgeëiste persoon naar verwachting zal worden gedetineerd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw . 8 Evenredigheid Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op de evenredigheid van het EAB en daartoe aangevoerd dat het geheel van de feiten en omstandigheden het toestaan van de overlevering onevenredig maakt. De raadsvrouw heeft daarbij gewezen op het door haar gevoerde verweer ten aanzien van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW, de omstandigheid dat de opgeëiste persoon ten tijde van het feit minderjarig was, de onduidelijkheid over de toepassing van het jeugdstrafrecht en de overschrijding van de redelijke termijn waarmee geen rekening lijkt te zijn gehouden bij de strafoplegging. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de afweging om een EAB uit te vaardigen is voorbehouden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Nu geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd en de uitvaardigende justitiële autoriteit er niet voor heeft gekozen om het EAB in te trekken, moet de overlevering worden toegestaan. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt in lijn met haar eerdere uitspraken dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit 2002/584/JBZ (Kaderbesluit), gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Hongaarse rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsvrouw heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de uitvaardigende justitiële autoriteit gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken. Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Naar het oordeel van de rechtbank is van zulke bijzondere omstandigheden in het geval van de opgeëiste persoon niet gebleken. De door de raadsvrouw naar voren gebrachte omstandigheden zien namelijk allemaal op de (wijze van) afdoening van de strafzaak door de rechtbank in Hongarije. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsvrouw. 9 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 10 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 180 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5 en 7 OLW. 11 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Penal Enforcement Unit of the Budapest-Capital Regional Court, Hongarije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 februari 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie bijv. Rb. Amsterdam 21 mei 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6497 en ECLI:NL:RBAMS:2010:BM6498 en Rb. Amsterdam 21 januari 2011, ECLI:NL:RBAMS:2011:BP2326. HvJ EU 11 januari 2017, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (Grundza); HvJ EU 14 juli 2022, C-168/21, ECLI:EU:C:2022:558 (Procureur général près la cour d'appel d'Angers), punt 36; Rb. Amsterdam 17 januari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:312; Rb. Amsterdam 9 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1578. ECLI:NL:RBAMS:2026:135. ECLI:EU:C:2016:198, Aranyosi en Căldăraru, punt 78. ECLI:NL:RBAMS:2026:135. Vergelijk Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru), punt 88 e.v.