ECLI:NL:GHDHA:2025:2871 Gerechtshof Den Haag , 17-12-2025 / BK-24/954
Gerechtshof Den Haag
Case Summary
GERECHTSHOF DEN HAAG Team Belastingrecht meervoudige kamer nummer BK-24/954 Uitspraak van 17 december 2025 in het geding tussen: [X] B.V. te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven) en de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur, (vertegenwoordiger: […] ) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 4 oktober 2024, nummer SGR 23/2137. Procesverloop 1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.560 (de naheffingsaanslag). 1.2. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar; vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.440; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar; wijst het verzoek om een schadevergoeding af; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.374; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden; en bepaalt dat de termijn voor de vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak, dan wel, indien dit een later gelegen datum is, vier weken na de datum waarop opgaaf is gedaan van een bankrekening op naam van eiseres.” 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 559 geheven. De Inspecteur heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend, ingekomen bij het Hof op 13 oktober 2025. Belanghebbende heeft met dagtekening 18 november 2025 een pleitnota ingediend. 1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 19 november 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Feiten 2.1. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 112 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een gebruikte Opel Mokka X 1.6 Selection (de auto). De datum van eerste toelating is 4 mei 2018. 2.2. In de aangifte is het RSIN van belanghebbende vermeld. In het vak ‘naam onderneming’ onder de rubriek ‘De aangever/vergunninghouder is een’ is vermeld: ‘ [naam bedrijf 1] ’. Onder de rubriek ‘Contactgegevens’ is vermeld het adres [adres] . Als e-mailadres is vermeld: ‘ [e-mailadres 1] ’. In de aangifte is aangekruist dat belanghebbende de RDW heeft gevraagd de auto in te schrijven in het kentekenregister en dat belanghebbende het kenteken voor zichzelf heeft aangevraagd. De datum van ondertekening van de aangifte is 8 maart 2021. De aangifte is ondertekend onder de naam “ [naam bedrijf 1] ”. 2.3. Uit het door belanghebbende overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel van 16 maart 2023 volgt dat de handelsnamen van belanghebbende ‘ [belanghebbende] ’ en ‘ [naam bedrijf 2] ’ zijn. Als internetadres is vermeld ‘ [website] ’ en als e-mailadres ‘ [e-mailadres 2] ’. De bestuurder en enig aandeelhouder van belanghebbende is [naam bedrijf 3] De bestuurder en enig aandeelhouder van [naam bedrijf 3] is [naam] . 2.4. In de tot de gedingstukken behorende volmacht is ‘ [belanghebbende] / [naam bedrijf 2] ’ als opdrachtgever vermeld. Het (bezoek)adres is aangepast naar [adres] . De volmacht is ondertekend door [naam] . 2.5. In de aangifte is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] van 8 maart 2021 (het taxatierapport). In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 24.273 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 13.853. Hierop heeft de taxateur een bedrag van € 13.603 in mindering gebracht in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op € 250. De historische (bruto) bpm is in de aangifte bepaald op € 10.990 (CO2-uitstoot van 155 g/km). 2.6. De Inspecteur heeft een bedrag van € 4.560 aan bpm nageheven. Daarbij heeft de Inspecteur zich gebaseerd op een rapport van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) van 1 april 2021. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 24.892 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 11.077 (Xray (Marge)). DRZ heeft een waardevermindering wegens schade van € 346 (72% van € 480) vastgesteld (afschrijving van 56,89%). De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 10.990 (CO2-uitstoot van 155 g/km). De Inspecteur heeft een extra leeftijdskorting van € 185 toegekend. 2.6. De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.440, waarbij de historische nieuwprijs van de auto is vastgesteld op € 24.892 en de handelsinkoopwaarde van de auto op € 10.731. De historische (bruto) bpm is vastgesteld op € 10.990 (CO2-uitstoot van 155 g/km) en de leeftijdskorting op € 185. Oordeel van de Rechtbank 3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder: “ Beoordeling van het geschil Vooraf 10. De beroepsgronden van eiseres berusten voor een groot deel op de opvatting dat door de Hoge Raad gegeven rechtsoordelen in strijd zijn met het Unierecht. Ze strekken verder ten betoge dat het de nationale rechter in het geheel niet is toegestaan het Unierecht uit te leggen, omdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) daartoe exclusief bevoegd is. Waar uitlegging van het Unierecht aan de orde is, dient de nationale rechter prejudiciële vragen te stellen, aldus eiseres. 11. De rechtbank volgt eiseres niet in deze opvatting. De rechtsoordelen van de Hoge Raad hebben binnen de Nederlandse rechtsorde informele precedentwerking. Het doorbreken daarvan zou de rechtseenheid en rechtszekerheid die daarmee gediend zijn niet ten goede komen. De rechtbank zal zich derhalve aansluiten bij de rechtspraak van de Hoge Raad over de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2021; Wet bpm) en niet in elk afzonderlijk geval motiveren waarom daarvan niet wordt afweken. 12. Er bestaat geen aanleiding voor een andere benadering als het gaat om kwesties van Unierecht. De rechtbank is zich ervan bewust dat zij in het kader van haar bevoegdheid belast is met de toepassing van de bepalingen van het Unierecht en derhalve zorg dient te dragen voor de volle werking van deze normen, en daarbij zo nodig moet afwijken van vaste (nationale) rechtspraak.[1] Voor dat laatste bestaat vanzelfsprekend slechts aanleiding indien het gaat om met het Unierecht onverenigbare rechtspraak. Waar eiseres met een beroep op die regel de rechtbank verzoekt af te wijken van rechtspraak van de Hoge Raad, dient de rechtbank een dergelijk beroep te beoordelen. Waar de verenigbaarheid van de regels over de heffing van bpm met het Unierecht reeds door de Hoge Raad is beoordeeld en de rechtbank zich daaraan conformeert, zal zij voor de motivering van haar oordeel evenwel volstaan met een verwijzing naar het desbetreffende arrest van de Hoge Raad. 13. De rechtbank acht zich in dit verband ook niet gehouden telkens op de voet van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ EU. Dit betreft voor haar, anders dan voor de hoogste nationale rechter, geen verplichting maar een bevoegdheid.[2] Dat ligt anders indien ter discussie staat of een handeling van een instelling van de Europese Unie geldig is.[3] Een zodanige kwestie doet zich in de onderhavige zaak evenwel niet voor. Dat het HvJ EU blijkens de door eiseres aangehaalde overwegingen uit het arrest RS[4] bij uitsluiting bevoegd is om het Unierecht bindend uit te leggen, maakt het voorgaande niet anders. Aan die overwegingen kan geen verdergaande betekenis worden toegekend dan dat het HvJ EU het enige gerecht is waarvan de beslissingen over de uitleg van het Unierecht door alle andere gerechten dienen te worden geëerbiedigd. Dat de rechtbank het Unierecht niet zou mogen uitleggen indien de zaak daarom vraagt of dat zij kwesties van Unierecht altijd zou moeten voorleggen aan het HvJ EU, volgt daaruit dus niet. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd ook geen reden om prejudiciële vragen aan het HvJ EU te stellen. Hoorrecht 14. Tot de stukken van het geding behoort een op 19 mei 2022 gedagtekende brief van verweerder aan de gemachtigde waarin, voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen: “Dinsdag 17 mei 2022 stond een hoorgesprek gepland vanaf 10.00 uur. Dit gesprek zou per WebEx plaatsvinden. De uitnodiging werd aangetekend en per gewone post verzonden maar u heeft geweigerd de aangetekende versie in ontvangst te nemen. Ik heb u per mail een WebEx uitnodiging gestuurd voor dit hoorgesprek. De scans van de dossiers zijn ruim van tevoren per filetransfer aangeboden. U heeft deze dossiers niet binnengehaald. [namen twee medewerkers van de belastingdienst] waren om 10.00 ingelogd om het hoorgesprek te houden. U bleek niet aanwezig tijdens het hoorgesprek. Er is vervolgens telefonisch contact met u opgenomen op 10.17 uur. U heeft mijn oproep niet aangenomen. Er is een boodschap ingesproken. Vervolgens is er om 10.20 uur contact opgenomen met [naam medewerker van de gemachtigde] welke niet bereikbaar was. U heeft verder niet meer gereageerd.” 15. Voorafgaande aan het doen van uitspraak op bezwaar is eiseres uitgenodigd voor een hoorgesprek op 17 mei 2022. Gemachtigde heeft op 17 mei 2022 niet ingelogd om via WebEx deel te nemen aan het hoorgesprek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Van schending van het hoorrecht is geen sprake. Tenaamstelling van de naheffingsaanslag 16. Bpm kan worden nageheven van degene die de belasting op aangifte had moeten voldoen. De aangifte bpm is in dit geval ingediend onder vermelding van het RSIN van eiseres waarbij is aangevinkt dat indiener het kenteken voor zichzelf heeft aangevraagd. Op grond daarvan acht de rechtbank aannemelijk dat de auto in het kentekenregister op naam van eiseres is gesteld. Eiseres is dan ook terecht op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet bpm als belastingplichtige voor de bpm aangemerkt, zodat de naheffingsaanslag ook terecht aan haar is opgelegd. Dat op de aangifte een andere naam is ingevuld – waarvan verweerder overigens heeft gesteld dat het een handelsnaam van eiseres betreft – en een ander adres – dat volgens verweerder in het handelsregister eveneens aan eiseres is gekoppeld – maakt het voorgaande niet anders. Ook uit de door eiseres aangehaalde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017[5] kan niet iets anders worden afgeleid. De naheffingsaanslag 17. Eiseres heeft gewezen op een door haar geconstateerde leemte in de regelgeving. Door deze leemte kan een belastingplichtige na de opname door de taxateur maar vóór het doen van aangifte, werkzaamheden aan een voertuig (laten) verrichten. De verplichting om een voertuig in ongewijzigde staat beschikbaar te houden geldt volgens eiseres immers pas vanaf de aangifte. De rechtbank volgt deze zienswijze niet. Het betoog van eiseres ziet eraan voorbij dat (in gevallen als het onderhavige, waarin aangifte is gedaan vóór 1 januari 2022) het bedrag van de verschuldigde bpm moet worden bepaald aan de hand van de heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop het voorgenomen belastbare feit zal plaatsvinden, dat wil zeggen naar de verwachte staat waarin het motorrijtuig verkeert op het tijdstip van afronding van de registratie dan wel van de aanvang van het gebruik van de weg.[6] Met schade die vóór de registratie is hersteld, kan bij de waardebepaling daarom in beginsel geen rekening worden gehouden. Herstel van schade tussen de fysieke opname van een auto door de taxateur en de registratie ontneemt derhalve voor de heffing van bpm het nut aan het taxatierapport.[7] 18. De bpm wordt verschuldigd ter zake van de registratie van een auto in het kentekenregister en moet op aangifte worden voldaan. Dat geldt voor iedere auto, ongeacht de herkomst daarvan. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de te weinig geheven belasting naheffen. Nu derhalve in alle gevallen van registratie van voertuigen te weinig betaalde belasting kan worden nageheven, levert naheffen na het belastbare feit geen schending van artikel 110 van het VWEU op.[8] 19. Eiseres stelt dat de bpm in strijd met het Unierecht is geheven omdat, anders dan bij binnenlandse voertuigen, aangifte en betaling van de belasting eerder plaats moet vinden dan het tijdstip waarop het belastbare feit zich heeft voorgedaan. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2022[9] is deze stelling onjuist. 20. Het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel strekt niet verder dan dat degene aan wie een naheffingsaanslag zal worden opgelegd, zijn opmerkingen daarover kenbaar kan maken alvorens daadwerkelijk wordt overgegaan tot naheffing. Het recht van de Unie schrijft niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende zijn zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken.[10] Verweerder heeft eiseres bij brief van 19 oktober 2021 op de hoogte gesteld van zijn voornemen om een naheffingsaanslag op te leggen en daarbij vermeld hoeveel die naheffingsaanslag zal bedragen en hoe deze is berekend. In die brief wordt eiseres de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten. Aldus heeft verweerder de eisen die het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel stelt gerespecteerd. 21. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. Het staat verweerder vrij een deskundige van zijn keuze in te schakelen. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de deskundigheid of onafhankelijkheid van de taxateur/beoordelaar.[11] Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2021; de Uitvoeringsregeling) staat ook niet in de weg aan het inschakelen van DRZ, omdat dit betrekking heeft op een door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. Dat betekent dat verweerder mag en kan kiezen voor de onder het Ministerie van Financiën vallende DRZ. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar stelling dat sprake is van strijd met het Unierechtelijk beginsel van wapengelijkheid omdat eiseres wettelijk verplicht is de waarde van het voertuig te laten vaststellen door een derde deskundige waarbij tal van voorwaarden gelden, terwijl voor de taxateur van DRZ die voorwaarden niet gelden. 22. Ook de stelling dat niet 72%, maar 100% van de door DRZ vastgestelde reparatiekosten wegens schade in mindering zouden moeten worden gebracht, kan niet leiden tot een gegrond beroep. Eiseres heeft namelijk niet onderbouwd waarom in dit geval, in afwijking van het uitgangspunt verwoord in artikel 8, vierde lid, letter b, en bijlage I, van de Uitvoeringsregeling, zou moeten worden uitgegaan van een hoger percentage dan 72. Zij draagt te dier zake de bewijslast.[12] De enkele algemene stelling dat uit het Unierecht volgt dat 100% in aftrek moet worden toegelaten, is onvoldoende om daaraan te voldoen. Dat rekening wordt gehouden met 72% van de reparatiekosten hoeft immers niet te betekenen dat ter zake van auto’s afkomstig uit andere lidstaten meer bpm wordt geheven dan het laagste restbedrag aan bpm dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds in Nederland geregistreerde voertuigen en eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich in het onderhavige geval voordoet. 23. Eiseres heeft in zijn algemeenheid gesteld dat er wellicht reden is voor toepassing van (extra) leeftijdskorting. De bewijslast voor belastingverlagende omstandigheden rust op eiseres.[13] Die bewijsregel geldt ook indien de bpm wordt nageheven door middel van een naheffingsaanslag. Eiseres heeft echter, tegenover de weerspreking door verweerder, geen berekeningen overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat er meer leeftijdskorting moet worden toegepast dan het bedrag van € 185 dat bij de aanslagoplegging reeds in aanmerking is genomen. Ook anderszins is dit de rechtbank niet gebleken. In het beroepschrift is weliswaar een kopje “Leeftijdskorting/bewijslastverdeling/lager tussenliggend tarief” opgenomen, maar enige concretisering van deze onderwerpen ontbreekt. 24. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is aangesloten bij de door eiseres in haar aangifte vermelde CO2-uitstoot van 155 gram per kilometer. Blijkens het RDW voertuigbeeld is dat de uitstoot van de auto zoals bepaald aan de hand van de NEDC-meetmethode. De stelling dat de CO2-uitstoot van de auto wegens de overgang van de NEDC-meetmethode naar de WLTP-meetmethode met 7,3 gram per kilometer moet worden verlaagd, behoeft dan ook geen behandeling. 25. Uit de toelichting op haar nog meer subsidiaire standpunt volgt dat eiseres, naast toepassing van de forfaitaire tabel ook, een extra leeftijdskorting van € 185 claimt, hetgeen resulteert in een vermindering van de naheffingsaanslag met een bedrag van € 222. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Genoemde periode van 3 jaar en 1 maand loopt van datum eerste toelating (4 mei 2018) tot het moment van tenaamstelling (28 mei 2021), zodat extra leeftijdskorting in verband met het tijdsverloop tussen de aangifte en de tenaamstelling niet aan de orde is. 26. Met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2023[14] volgt de rechtbank eiseres in haar ‘nog nog meer subsidiaire’ standpunt dat de historische nieuwprijs van de auto moet worden bepaald op € 24.892 (zijnde de catalogusprijs van € 11.490 vermeerderd met 21% aan omzetbelasting plus € 10.990 aan bpm) in plaats van € 24.273. Omdat hierbij wel een extra leeftijdskorting in aanmerking dient te worden genomen, is dit standpunt voor eiseres gunstiger dan het nog meer subsidiaire standpunt. Voor zover verweerder stelt dat een hogere historische nieuwprijs resulteert in een hogere handelsinkoopwaarde, is deze stelling onvoldoende onderbouwd. Dat een hogere CO2-uitstoot automatisch tot een hogere handelsinkoopwaarde leidt, zoals verweerder met zijn stelling suggereert, acht de rechtbank niet voor de hand liggend. Per geval zal moeten worden beoordeeld of dit zo is.[15] In dit geval ziet de rechtbank voor een hogere handelsinkoopwaarde geen concrete aanknopingspunten. 27. Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag naar een te hoog bedrag opgelegd. Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 24.892, een handelsinkoopwaarde van € 10.731, een bedrag aan bruto bpm van € 10.990 en € 185 aan extra leeftijdskorting zal de rechtbank de naheffingsaanslag met € 120 verminderen tot € 4.440. Het beroep dient gegrond te worden verklaard. Overschrijding redelijke termijn 28. Eiseres heeft op 20 augustus 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 21 december 2021 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 28 februari 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 4 oktober 2024 gedaan. Dat is afgerond 2 jaar en ruim 9 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met ruim 9 maanden is overschreden. 29. In dit geval hoeft evenwel geen vergoeding van immateriële schade worden toegekend, omdat het verzoek daarom na 14 juni 2024 is gedaan en het financiële belang van de procedure minder dan € 1.000 bedraagt.[16] Bij de bepaling van de omvang van dat belang laat de rechtbank het financiële effect van de door eiseres primair ingenomen standpunten buiten beschouwing omdat zij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen. Deze standpunten gaan – voor zover daaraan al een financieel belang kan worden toegekend – lijnrecht in tegen de heersende leer, de jurisprudentie van de Hoge Raad en het HvJ EU en constante rechtspraak van de Nederlandse feitenrechters. Een dergelijke wijze van procederen staat eiseres vrij, maar kan niet resulteren in toekenning van vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 30. Ook in hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor toekenning van een schadevergoeding. Het arrest Gascogne,[17] waarop eiseres zich beroept, geeft daartoe geen aanleiding, nu het in dit arrest een handeling van een instelling van de Unie betreft, namelijk het HvJ EU. Uit het door eiseres aangehaalde arrest VX & AT[18] volgt ook niet dat geen ondergrens voor het financiële belang mag worden gehanteerd, aangezien dat arrest uitsluitend betrekking heeft op de toepassing van artikel 82, eerste lid, van de Algemene verordening gegevensbescherming, dat op het onderhavige geschil niet van toepassing is. Hoogte en verschuldigdheid van griffierecht 31. Eiseres heeft aangevoerd dat het in strijd is met het Unierecht om vooraf griffierecht te moeten betalen. Het bepaalde in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) verzet zich uitsluitend tegen de heffing van griffierecht indien dit een wezenlijke belemmering voor de toegang tot de rechter vormt.[19] In het algemeen kan worden aangenomen dat de in Nederland bestaande regeling in het bestuursrecht over het (vooraf) heffen van griffierecht van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter niet wordt ontnomen. Verder kan een rechtzoekende bij de rechter een beroep op betalingsonmacht doen indien heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor hem onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang.[20] Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat met deze voorziening wordt voldaan aan het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel.[21] Van strijdigheid met het beginsel van effectieve rechtsbescherming, zoals neergelegd in artikel 47 van het Handvest, is om dezelfde redenen evenmin sprake.[22] Eiseres heeft de voor het beroep verschuldigde griffierecht voldaan en geen beroep gedaan op betalingsonmacht, zodat van enig gebrek aan effectieve en doeltreffende rechtsbescherming in het onderhavige geval geen sprake is. Proceskosten 32. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.374 (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 624 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1). Voor een hogere vergoeding bestaat geen aanleiding. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb is niet gebleken. Al hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd, maakt ook niet dat daarvan sprake is. Anders dan eiseres heeft betoogd is het enkele feit dat de vergoeding van proceskosten waarop ingevolge het Bpb aanspraak kan worden gemaakt, de werkelijk gemaakte kosten slechts voor een deel dekt, ook niet voldoende om te concluderen dat aan het Unierecht aanspraak op een hogere vergoeding kan worden ontleend.[23] Voor een neerwaartse bijstelling van de vergoeding zoals bepleit door verweerder bestaat evenmin aanleiding. 33. Nu het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te laten vergoeden. De stelling dat de hoogte van het griffierecht moet worden afgestemd op de hoogte van onderliggende vordering behoeft daarom geen behandeling. Voor een rentevergoeding over het griffierecht bestaat geen aanleiding. Het Unierecht dwingt niet tot vergoeding van dergelijke rente.[24] Het voorgaande neemt niet weg dat wettelijke rente verschuldigd wordt indien het griffierecht niet tijdig aan eiseres wordt vergoed. (…) [1] Zie bijvoorbeeld HvJ EU 11 januari 2024, C-537/22, Global Ink Trade, ECLI:EU:C:2024:6, punten 23 en 25. [2] Zoals reeds volgt uit de tekst van artikel 267 van het VWEU. Vgl. ook HvJ EU 6 oktober 2021, C-561/19, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 28, 32, 37 en 55. [3] HvJ EU 22 oktober 1987, C-314/85, Foto-Frost, ECLI:EU:C:1987:452, punten 12-20; vgl. recenter bijvoorbeeld ook het door eiseres aangehaalde arrest HvJ EU 10 januari 2006, C-344/04, IATA, ECLI:EU:C:2006:10, punt 27. [4] HvJ EU 22 februari 2022, C-430/21, RS, ECLI:EU:C:2022:99, punten 52 en 72. [5] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:131. [6] Zie HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.5.1. [7] Vgl. ook HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1. [8] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.2. [9] HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1277. [10] Zie ook HR 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:393, r.o. 2.1. [11] Vgl. Gerechtshof Den Haag 15 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2696, r.o. 5.1.3.2. [12] Vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3. [13] HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, r.o. 2.3.3 en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:318, r.o. 3.3.2. [14] HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1703. [15] Zie Gerechtshof Den Haag 29 februari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:732, r.o. 5.3.3. [16] HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853. [17] HvJ EU 26 november 2013, C-58/12 P, Gascogne, ECLI:EU:C:2013:770. [18] HvJ EU 24 december 2023, C-456/22, VX & AT, ECLI:EU:C:2023:988. [19] Vgl. EHRM 20 december 2007, Paykar Yev Haghtanak Ltd tegen Armenië, ECLI:CE:ECHR:2007:1220JUD002163803 en zie ook HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579. [20] Vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699. [21]HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, r.o. 3.1.4. [22] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 oktober 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:8618, r.o. 4.6. [23]Vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, r.o. 2.4. [24] HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:623, r.o. 2.4.3.” Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen 4.1. In hoger beroep zijn in geschil diverse Unierechtelijke vraagstukken, of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is vastgesteld en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Voorts is in geschil of de Inspecteur het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Verder klaagt belanghebbende over het belemmerende effect van het griffierecht en dat de schadevergoeding ten onrechte niet is toegekend. Belanghebbende bepleit voorts dat het cessieverbod in strijd is met het Unierecht. Ook wil belanghebbende een passende rentevergoeding over alle bedragen waarop zij recht heeft. 4.2. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag met € 502. Daarbij concludeert belanghebbende steeds tot toekenning van een hogere (immateriële)schadevergoeding. Belanghebbende verzoekt voorts om een integrale althans veel hogere proceskostenvergoeding alsmede om vergoeding van het griffierecht en om een passende rentevergoeding. 4.3. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van belanghebbende en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. Beoordeling van het hoger beroep Inleiding 5.1. Met inachtneming van de herkansingsfunctie die partijen toekomt, is in hoger beroep de onderhavige zaak opnieuw beoordeeld, waarbij alle aspecten van de stellingen van partijen in de overwegingen zijn betrokken. Die beoordeling leidt tot het oordeel dat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen over bijna alle geschilpunten die partijen verdeeld houden. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen feiten en omstandigheden aangevoerd die voor deze geschilpunten tot een andere conclusie leiden. Het Hof zal hierna slechts de geschilpunten ter zake van de tenaamstelling van de naheffingsaanslag, de handelsinkoopwaarde, het griffierecht en de vergoeding van (immateriële) schade beoordelen. Belastingplichtige 5.2.1. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag aan [naam bedrijf 1] moet worden opgelegd en om die reden ten onrechte aan haar is opgelegd. Ondanks het feit dat op de aangifte het RSIN-nummer van belanghebbende is vermeld had de Inspecteur moeten begrijpen dat namens [naam bedrijf 1] aangifte werd gedaan en dat deze laatste dus de belastingplichtige is. 5.2.2. Tot 1 januari 2022 is de belastingplichtige de persoon op wiens naam het kenteken wordt geregistreerd. Belanghebbende heeft in de aangifte vermeld dat het kenteken voor zichzelf bij de RDW is aangevraagd (zie r.o. 2.2). Het Hof acht het aannemelijk dat de RDW de auto op naam van belanghebbende in het kentekenregister heeft geregistreerd. Belanghebbende heeft althans het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Daarbij overweegt het Hof dat belanghebbende ook onder de handelsnaam [naam bedrijf 2] handelt (zie r.o. 2.3) , dat het Hof zelf aan de hand van het handelsregister van de Kamer van Koophandel heeft kunnen vaststellen dat de aan belanghebbende gelieerde vennootschap [naam bedrijf 1] ook onder de handelsnaam [belanghebbende] handelt en dat deze vennootschap ook op [adres] is gevestigd (zie ook r.o. 2.4). De gegevens van belanghebbende en [naam bedrijf 1] zijn derhalve vrijwel identiek, afgezien van het RSIN. Het in de aangifte vermelde RSIN betreft het RSIN van belanghebbende. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende pas in beroep het standpunt heeft ingenomen dat de naheffingsaanslag aan de verkeerde belastingplichtige is opgelegd, terwijl belanghebbende al eerder wetenschap had van de vrijwel identieke gegevens van beide vennootschappen en de wijze waarop de aangifte is ingevuld. Gelet op de voormelde door belanghebbende zelf gecreëerde specifieke omstandigheden kon belanghebbende weten dat hierdoor verwarring zou kunnen ontstaan, hetgeen de Inspecteur in dit geval niet kan worden tegengeworpen. Onder deze omstandigheden mocht de Inspecteur ervan uitgaan dat het kenteken van de auto op naam van belanghebbende is geregistreerd. Hij hoefde, gelet ook op de verplichting van belanghebbende om de in de aangifte gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in te vullen, niet nader te onderzoeken of het kenteken wel op naam van belanghebbende was gesteld. De conclusie is dan ook dat de naheffingsaanslag aan de juiste belastingplichtige is opgelegd. Ex-rental 5.3. Belanghebbende stelt dat de waarde in onbeschadigde staat moet worden verminderd met 10% nu moet worden aangesloten bij de waarde van een auto met een huurverleden (ex-rental). Als gevolg daarvan dient de naheffingsaanslag te worden verminderd met € 502, aldus belanghebbende. Het zijn van een ex-rental is een concreet aanwijsbaar onderscheidende eigenschap van de auto; een niet ex-rental bevindt zich ten opzichte van ex-rentals dan ook niet in een concurrentieverhouding als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 19 december 2013, X, ECLI:EU:C:2013:857. Ter zitting is niet gebleken dat hier sprake is van een ex-rental. Belanghebbende heeft geen enkel objectief gegeven ingebracht waaruit blijkt dat de auto een huurverleden heeft. Er is dan ook geen aanleiding desalniettemin uit te gaan van een referentievoertuig met een verhuurverleden (vgl. Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:331). Deze stelling faalt. Vermindering wegens schade en aftrekpercentage van 72 5.4. Belanghebbende betwist dat het percentage van de schade van 72, dat door DRZ op het door haar berekende schadebedrag van € 480 is toegepast en dat standaard in aftrek komt en door de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag is gevolgd, in overeenstemming is met het Unierecht. Primair betoogt belanghebbende dat 100% van de schade in aftrek komt en subsidiair betoogt belanghebbende dat het percentage niet is onderbouwd, zodat het niet aan haar kan worden tegengeworpen. Het Hof verwerpt beide standpunten. De bewijslast rust op belanghebbende (HR 21 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1695, r.o. 2.3.4 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63). Als zij meent dat 100% van de schade voor aftrek in aanmerking komt, is het aan haar om dat te onderbouwen. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Het percentage van 72 is te beschouwen als een gemiddelde, gebaseerd op onderzoek naar de invloed van schade op de handelswaarde van voertuigen. De Inspecteur hoeft dit percentage niet te onderbouwen. Griffierecht 5.5.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het Unierecht de lidstaten verbiedt om voorafgaand aan de behandeling en de uitspraak griffierecht te heffen. Het Hof ziet dit anders en verwerpt dit standpunt. Het Hof motiveert deze beslissing als volgt. 5.5.2. De bpm is een nationale belasting en het staat de lidstaten vrij nationale belastingen te heffen, mits, indien van toepassing, het Unierecht wordt gerespecteerd. Voor de bpm geldt als belangrijkste uitgangspunt dat artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) een hogere belasting op uit andere lidstaten afkomstige gelijksoortige goederen verbiedt. Voor zover het om procedurele en formele regels gaat, zijn de lidstaten vrij deze zelf te bepalen; het Unierecht voorziet niet in een stelsel van heffing en inning van nationale belastingen of in effectieve rechtsbescherming. Het is vaste jurisprudentie dat regels van formeel en procedureel recht moeten voldoen aan twee beginselen: het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. 5.5.3. Zo is aan het HvJ EU de vraag voorgelegd of een nationale regeling die de volgende kenmerken bevat, in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel (HvJ EU 14 juli 2022, EPIC Financial Consulting Ges.m.b.H ., ECLI:EU:C:2022:565, punten 70 tot en met 78): - ten eerste de regel dat, op dat gebied, de ontvankelijkheid van een verzoek in kort geding of een beroep afhangt van betaling, door de justitiabele, van vaste griffierechten, zodat dat verzoek of beroep slechts kan worden behandeld nadat die rechten zijn voldaan; - ten tweede de regel dat, op dat gebied, voor een verzoek in kort geding dat met een beroep ten gronde wordt ingediend een specifiek vast griffierecht moet worden voldaan; en - ten derde de regel dat, op dat gebied, de vaste griffierechten niet bij administratief besluit worden opgelegd, zodat tegen die griffierechten niet kan worden opgekomen bij een gerecht met volledige rechtsmacht. 5.5.4. Het HvJ EU besliste dat deze nationale regeling niet in strijd is met het gelijkwaardigheidsbeginsel. Voor de Nederlandse regeling geldt dat deze van toepassing is in alle zaken, wat een verschil is met de aan het HvJ EU voorgelegde regeling en maakt dat van schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel in Nederland ook geen sprake is. Uit het eerdere arrest van het HvJ EU van 6 oktober 2015, Orizzonte Salute – Studio Infermieristico Associato, ECLI:EU:C:2015:655, punten 43 tot en met 45, kon reeds worden afgeleid dat betaling van het griffierecht bij het instellen van het beroep geen schending vormt van het doeltreffendheidsbeginsel, omdat dit de toegang tot de rechter niet uiterst moeilijk of onmogelijk maakt. Niet kan worden gezegd dat de hoogte van het griffierecht in het onderhavige geval een belemmering voor belanghebbende vormt. Het griffierecht is volledig en op tijd voldaan. Er is geen beroep gedaan op de regeling voor betalingsonmacht, welke regeling in de beschouwing dient te worden betrokken bij de beoordeling of de Nederlandse regeling strijd oplevert met het Unierecht. De Nederlandse regeling voor het heffen van griffierecht is niet in strijd met het Unierecht. Er bestaat evenmin aanleiding om rente te vergoeden over de periode tussen de betaling en de uitspraak. Vooraf heffen is immers niet in strijd met een hogere rechtsorde (Gerechtshof Den Haag 5 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1638). Vergoeding van immateriële schade 5.6.1. Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op vergoeding van (immateriële) schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de bezwaar- en beroepsfase. Volgens belanghebbende moet deze vergoeding op € 5.000 worden vastgesteld. 5.6.2. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt als uitgangspunt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak in de bezwaar- en de beroepsfase niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen, uitspraak doet. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop de Inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet (vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). Hierbij geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag heeft genomen. Indien de redelijke termijn voor berechting is overschreden, wordt als regel – dat wil zeggen behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden wordt gerekend het geval dat het financiële belang bij de procedure zeer gering is. 5.6.3. Zoals uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853 (het arrest van 14 juni 2024), r.o. 3.4.3 en 3.4.4, geldt als uitgangspunt dat zich een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt, en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. De belastingrechter kan dan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. 5.6.4. Het voorgaande geldt niet voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dit arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest van 14 juni 2024 is overschreden (zie het overgangsrecht dat is getroffen in het arrest van 14 juni 2024, r.o. 3.5). 5.6.5. Uit de gedingstukken volgt dat belanghebbende op 20 augustus 2024 in haar vooraf toegezonden pleitnota aan de Rechtbank voor het eerst om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht. Derhalve is het overgangsrecht niet van toepassing en moet worden getoetst of de aan de bestuursorganen te betalen bedragen aan belastingen, heffingen en/of rente in totaal minder dan € 1.000 bedragen. 5.6.6. Het financiële belang bij de procedure bestaat in beginsel uit het financiële voordeel dat de belanghebbende met betrekking tot de fiscale beschikking(en) krijgt indien het door haar in die procedure ingenomen standpunt wordt gehonoreerd. Het financiële belang bij de procedure wordt dus niet bepaald door de hoogte van een of meer fiscale beschikkingen en ook niet door de omvang van het (uiteindelijk) door de belanghebbende in de procedure bereikte financiële resultaat. Het financiële effect van een of meer door de belanghebbende ingenomen standpunten wordt buiten beschouwing gelaten indien en voor zover zij deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen (zie Hoge Raad van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3). 5.6.7. Het Hof is van oordeel dat het financiële effect van een of meer door belanghebbende ingenomen standpunten buiten beschouwing dient te worden gelaten, omdat belanghebbende deze standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen. Daarbij overweegt het Hof dat het (de gemachtigde van) belanghebbende bekend mag zijn dat haar standpunten ter zake van het Unierecht niet kunnen slagen, gelet op de zeer ruime hoeveelheid jurisprudentie hieromtrent. Het Hof sluit aan bij de gronden van r.o. 29 van de uitspraak van de Rechtbank. Ter zake van belanghebbendes standpunt over de tenaamstelling van de naheffingsaanslag wijst het Hof erop dat belanghebbende pas in beroep het standpunt heeft ingenomen dat de naheffingsaanslag aan de verkeerde belastingplichtige is opgelegd, terwijl belanghebbende al eerder wetenschap van had van de vrijwel identieke gegevens van beide vennootschappen en de wijze waarop de aangifte is ingevuld. Voor zover hierdoor verwarring is ontstaan, komt dit onder deze specifieke omstandigheden voor rekening en risico van belanghebbende (zie r.o. 5.2.2). Om die reden heeft belanghebbende ook dit standpunt tegen beter weten ingenomen. De overige door belanghebbende ingenomen standpunten (ex-rental en het aftrekpercentage van 72), zo die niet ook als tegen beter weten in geacht moeten worden te zijn ingenomen, leiden tot een financiële belang van minder dan € 1.000. Gelet op het voorgaande volstaat het Hof met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en hoeft geen vergoeding van immateriële schade te worden toegekend. 5.6.8. Voor zover belanghebbende stelt dat zij recht heeft op een schadevergoeding omdat in strijd met het Unierecht is gehandeld, heeft zij de gestelde schade onvoldoende onderbouwd. Daarbij is gelet op het voorgaande niet gebleken dat in strijd met het Unierecht is gehandeld. Slotsom 5.7. Het hoger beroep is ongegrond. Proceskosten 6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Beslissing Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. De griffier, de voorzitter, T.S.K.L. Tjon W. de Wit De beslissing is op 17 december 2025 in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. - de naam en het adres van de indiener; b. - de dagtekening; c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. - de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.