Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBLIM:2026:400 Rechtbank Limburg , 22-01-2026 / 11924727 \ AZ VERZ 25-112

Rechtbank Limburg

Rechtbank Limburg

Case Summary

RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer / rekestnummer: 11924727 \ AZ VERZ 25-112 Beschikking van 22 januari 2026 in de zaak van DE STAAT DER NEDERLANDEN , te 's-Gravenhage, verzoekende partij, hierna te noemen: de Staat, gemachtigde: mr. J.L.A. Helmer, tegen [gedaagde] , te [plaats 1] , verwerende partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift - de e-mail van 5 januari 2026 van [gedaagde] waarin hij om uitstel van de mondelinge behandeling vraagt in verband met familie omstandigheden en het ingesneeuwd zijn in [plaats 2] , - de e-mail van de griffier van 6 januari 2026 waarin de griffier [gedaagde] meedeelt dat hij alleen uitstel kan krijgen als de wederpartij ook akkoord is, - de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [gedaagde] , geboren [datum] 1960, is op 3 maart 1982 op basis van een ambtelijke aanstelling in dienst getreden bij de Staat. Die aanstelling is met ingang van 1 januari 2020 van rechtswege omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. 2.2. De functie van [gedaagde] is die van behandelfunctionaris C bij de Belastingdienst met een loon van € 3.879,00 bruto per maand. Zijn werkzaamheden bestaan onder meer uit het behandelen van aangiftes van buitenlandse belastingplichtigen. 2.3. Op 22 mei 2025 ontving [werknemer] , eveneens werknemer bij de belastingdienst, een e-mailbericht op zijn zakelijk e-mailadres. Het bericht was afkomstig van mevrouw [persoon 1] . [persoon 1] behartigt de belangen van haar partner [persoon 2] . In het bericht verzoekt zij om ambtshalve herziening van de aanslag inkomstenbelasting 2019 en 2020. [werknemer] vond het opmerkelijk dat het bericht op zijn zakelijk e-mailadres was binnengekomen aangezien de BelastingTelefoon geen e-mailadressen van werknemers van de Belastingdienst verstrekt aan belastingplichtigen. 2.4. In een daaropvolgend telefoongesprek op 25 juni 2025 heeft [persoon 1] aan [werknemer] verteld dat haar Nederlandse belastingaangiftes werden verzorgd door een collega van [werknemer] bij de Belastingdienst, die dit in de avonduren en tegen betaling erbij deed. [persoon 1] heeft toen ook verteld dat die hulp nog steeds voortduurde. [werknemer] kreeg bij dit gesprek het vermoeden dat de betreffende collega daarbij ook de interne systemen raadpleegde. [persoon 1] heeft tijdens dit gesprek niet gezegd om welke collega het ging. Na het telefoongesprek heeft [werknemer] van de inhoud van dit gesprek melding gemaakt bij zijn [leidinggevende] . 2.5. Op 30 juni 2025 heeft [leidinggevende] bij het Meldpunt Integriteit Belastingdienst (MIB) melding gemaakt van een vermoeden van een integriteitsschending. 2.6. Begin juli 2025 heeft een medewerker van MIB aan [persoon 1] gevraagd om welke collega het ging. [persoon 1] heeft toen geen naam genoemd. 2.7. [werknemer] heeft vervolgens op 8 juli 2025 bij de verdere behandeling van de fiscale post van [persoon 2] gezien dat in sms’jes een naam van een in [plaats 3] werkzame collega werd genoemd. Ook heeft [werknemer] die dag in Eldoc bij het burgerservicenummervan [persoon 2] het USERID ‘ [gebruikersnaam] ’ gezien. [werknemer] heeft deze bevindingen gemeld bij [leidinggevende] . 2.8. Omdat bij de Belastingdienst het vermoeden bestond dat het ging om [gedaagde] , heeft zij hem uitgenodigd voor een gesprek. 2.9. Het gesprek vond op 17 juli 2025 plaats. Daarbij waren aanwezig [gedaagde] , zijn teamleider [teamleider] , de unitdirecteur van het Kennis- en Expertisecentrum Buitenland [unitdirecteur] en O&P-adviseur [O&P-adviseur] . 2.10. Van het gesprek is een verslag gemaakt dat aan [gedaagde] is toegezonden. Bij e-mailbericht van 27 juli 2025 heeft [gedaagde] in reactie daarop verklaard: “Weergave is correct”. 2.11. Blijkens het verslag heeft [gedaagde] onder meer verklaard dat hij: meermaals fiscaal advies gegeven heeft aan [persoon 2] en [persoon 1] daarvoor de systemen van de Belastingdienst geraadpleegd heeft één of twee keer door [persoon 2] en [persoon 1] is betaald voor zijn diensten (€ 60,00 per keer) de vader van zijn stiefdochter, zijn vader en moeder en familie heeft geholpen met de belastingaangifte en verder niemand. 2.12. Op 21 juli 2025 heeft [gedaagde] aan [teamleider] medegedeeld dat hij nog andere personen geholpen heeft, namelijk mevrouw [persoon 3] en de [familie] . 2.13. Bij brief van 27 juli 2025 heeft de Staat [gedaagde] geschorst in het belang van de organisatie wegens een vermoeden van een ernstige integriteitsschending. 3 Het verzoek 3.1. De Staat verzoekt: de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] te ontbinden; de einddatum van de arbeidsovereenkomst vast te stellen, met toepassing van art. 7:671b lid 9 aanhef en onder b BW in het geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens ernstig verwijtbaar gedrag van [gedaagde] ; voor recht te verklaren dat [gedaagde] ernstig verwijtbaar gehandeld heeft; [gedaagde] te veroordelen in de (na)kosten van deze procedure. 3.2. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd. 4 De beoordeling 4.1. De Staat verzoekt de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] te ontbinden. Primair voert zij daartoe aan dat [gedaagde] ernstig verwijtbaar gehandeld heeft. 4.2. [gedaagde] heeft geen verweerschrift ingediend. Hij heeft wel op 5 januari 2026 om uitstel van de mondelinge behandeling gevraagd. Aan [gedaagde] werd daarop door de griffie meegedeeld dat uitstel in een dergelijk laat stadium slechts mogelijk was met instemming van de wederpartij. Omdat vervolgens niet is gebleken dat de Staat akkoord was met uitstel, is de mondelinge behandeling op 8 januari 2026 doorgegaan. [gedaagde] is toen niet verschenen. 4.3. Aan het niet-verschijnen van [gedaagde] bij de mondelinge behandeling en het feit dat hij geen verweer gevoerd heeft, verbindt de kantonrechter de conclusie dat de door de Staat aangevoerde feiten en de daaraan door de Staat verbonden conclusies voor juist gehouden moeten worden. Die feiten staan hierboven in 2.1. en verder vermeld. Met de Staat is de kantonrechter van oordeel dat uit die feiten blijkt dat [gedaagde] ernstig verwijtbaar gehandeld heeft. Dat oordeel wordt hieronder toegelicht. 4.3.1. Vast staat dat [gedaagde] in strijd met het verbod op nevenwerkzaamheden heeft gehandeld door [persoon 2] en [persoon 1] en daarnaast ook de vader van zijn stiefdochter, mevrouw [persoon 3] en de [familie] fiscaal advies te geven. Dergelijke hulp/fiscaal advies mocht [gedaagde] zonder voorafgaande schriftelijke toestemming niet bieden/geven. Die toestemming heeft de Staat hem niet gegeven en de Staat heeft aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] , als hij daar om gevraagd had, die toestemming niet gekregen zou hebben omdat de nevenwerkzaamheden onverenigbaar zijn met het zijn van ambtenaar bij de Belastingdienst. 4.3.2. Verder staat vast dat [gedaagde] onbevoegd de systemen van de Belastingdienst (ABS en Eldoc) geraadpleegd heeft. Hij heeft dat onbevoegd gedaan omdat er (vanuit zijn werk als behandelfunctionaris) geen zakelijke reden was om die systemen te raadplegen voor de advisering/hulp aan de in 4.3.1. genoemde personen. Onbetwist is dat het onbevoegd en zonder zakelijke redenen raadplegen van ABS en/of Eldoc ontoelaatbaar is. [gedaagde] was van die ontoelaatbaarheid op de hoogte. Hij heeft dat namelijk zelf verklaard tijdens het gesprek van 17 juli 2025. Bovendien heeft de Staat in dat verband gewezen op de intranetpagina van de Belastingdienst waarin het volgende staat: “Informatie mag je alleen raadplegen en delen voor zover dat nodig is voor je werk. Dat betekent dat je geen gegevens laat rondslingeren. Het lekken van vertrouwelijke informatie, anderen daartoe toegang geven, gebruiken voor nevenwerkzaamheden, systemen raadplegen voor privézaken of uit nieuwsgierigheid, wordt gezien als een ernstige integriteitsschending.” Daarnaast heeft de Staat gesteld dat bij het inloggen op de zakelijke laptop steeds de volgende melding verschijnt: “Waarschuwing! Gebruik is alleen toegestaan voor geautoriseerde, expliciet door de organisatie vastgestelde doeleinden. Gebruik wordt gelogd , misbruik wordt bestraft.” 4.3.3. Ook is komen vast te staan dat [gedaagde] de onbevoegd uit de systemen verkregen informatie heeft gebruikt voor zijn verboden fiscale advisering aan [persoon 2] . Hij heeft immers erkend in ABS gekeken te hebben naar de door [persoon 2] ingediende aangifte om te achterhalen wat het probleem was. 4.3.4. De Staat heeft terecht gewezen op de bijzondere positie van de Belastingdienst in de maatschappij en de vele gegevens van burgers en bedrijven waar zij over beschikt. Burgers en bedrijven moeten erop kunnen vertrouwen dat hun persoonsgegevens bij de Belastingdienst in veilige handen zijn en dat er vertrouwelijk mee omgegaan wordt. Daarom is integriteit één van de kern- en basiswaarden van de belastingdienst. Werknemers van de Belastingdienst dragen een bijzondere verantwoordelijkheid en moeten ervoor zorgen dat het vertrouwen van burgers in de Belastingdienst niet wordt geschaad. Met de Staat is de kantonrechter van oordeel dat het gedrag van [gedaagde] een ernstige miskenning is van de aan hem te stellen hoge integriteitsnormen. Hieruit volgt dat het handelen van [gedaagde] niet alleen verwijtbaar, maar zelfs ernstig verwijtbaar is. 4.4. De conclusie op grond van voorgaande overwegingen is dan ook dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden wegens het ernstig verwijtbaar handelen van [gedaagde] . Omdat sprake is van ernstige verwijtbaarheid, zal de kantonrechter overeenkomstig het verzoek van de Staat de einddatum van de arbeidsovereenkomst, zonder rekening te houden met de tussen partijen geldende opzegtermijn, vaststellen op vandaag. 4.5. Omdat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden vanwege het ernstig verwijtbaar handelen van [gedaagde] , heeft hij geen recht op een transitievergoeding. De op dat punt verzochte verklaring voor recht zal dus worden toegewezen. 4.6. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat [gedaagde] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van de Staat worden begroot op € 949,00 (€ 135,00 aan griffierecht en € 814,00 aan salaris gemachtigde. 4.7. In deze beschikking wordt geen afzonderlijke beslissing genomen over de verzochte nakosten. Een kostenveroordeling levert immers ook een executoriale titel op voor de nakosten. De kantonrechter verwijst in dat verband naar het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:853). 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van vandaag, 5.2. verklaart voor recht dat [gedaagde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding ten laste van de Staat, 5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten tot op heden begroot op € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, 5.4. verklaart onderdeel 5.3. van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad , 5.5. wijst voor zover nodig het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026. Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd kunnen worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.