Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBZWB:2025:9603 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 19-12-2025 / C/02/438993 / HA RK 25-199

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Case Summary

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant Civiel recht Zittingsplaats Breda Zaaknummer / rekestnummer: C/02/438993 / HA RK 25-199 Beschikking van 19 december 2025 in de zaak van [verzoeker] , te [plaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , vertegenwoordigd door haar echtgenoot, de heer [naam] , tegen PENSIOENFONDS ZORG EN WELZIJN (PFZW) , te Zeist, verwerende partij, hierna te noemen: het pensioenfonds, advocaat: mr. E. Lutjens en mr. R.E. van Schaik. 1 De zaak in het kort 1.1. [verzoeker] is deelnemer bij het pensioenfonds. [verzoeker] is nog niet pensioengerechtigd. Op 1 januari 2026 gaat het pensioenfonds over naar het nieuwe pensioenstelsel (het premiestelsel). [verzoeker] wil inzage in de berekeningen van haar pensioen onder het huidige pensioenstelsel (het uitkeringsstelsel). Omdat zij aan het uniform pensioenoverzicht (hierna: UPO) geen rechten kan ontlenen, wil [verzoeker] van het pensioenfonds cijfers ontvangen waar zij wel rechten aan kan ontlenen. [verzoeker] heeft het pensioenfonds verzocht deze berekeningen te verstrekken, maar het pensioen heeft dat niet gedaan. Daarom verzoekt [verzoeker] de rechtbank het pensioenfonds te verplichten de gevraagde berekening alsnog aan haar te verstrekken. [verzoeker] beroept zich voor dit verzoek op het inzagerecht als bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). Het pensioenfonds voert verweer. 1.2. De rechtbank wijst het verzoek af. De berekening die [verzoeker] wil ontvangen, kan niet worden opgevraagd met een beroep op de AVG. Waarom dit zo is, licht de rechtbank hierna verder toe onder het kopje ‘Het oordeel van de rechtbank’. Eerst gaat de rechtbank in op het verloop van de procedure, het verzoek en het verweer. Onder het laatste kopje is de beslissing van de rechtbank te lezen. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de beschikking van 29 september 2025, met alle daarin genoemde stukken, - het e-mailbericht van 11 november 2025 [verzoeker] , met daarin een reactie van [verzoeker] op een brief van 11 november 2025 van het pensioenfonds, - een memorie van antwoord met bijlagen van 25 november 2025 van [verzoeker] , - de door [verzoeker] aan haar echtgenoot verstrekte volmacht, - de mondelinge behandeling van 1 december 2025. 2.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 3 Het verzoek en het verweer Het verzoek 3.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank om – samengevat – het pensioenfonds te verplichten haar alle berekeningen op te sturen die ten grondslag liggen aan haar huidige pensioen onder het uitkeringsstelsel en die berekeningen te voorzien van een uitleg. Ook wil [verzoeker] dat het pensioenfonds het door haar betaalde griffierecht vergoedt. 3.2. Aan haar verzoek heeft [verzoeker] – kortweg – het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] is deelnemer bij het pensioenfonds. [verzoeker] wil kunnen controleren hoe haar pensioen in het huidige pensioenstelsel is berekend en wat haar pensioen zou zijn op haar pensioendatum als het huidige stelsel zou worden voortgezet. Daarbij wil zij dat zij aan deze berekeningen rechten kan ontlenen. Aan de hand van deze berekeningen wil [verzoeker] kunnen controleren of het zogenoemde invaren van haar pensioen naar het nieuwe pensioenstelsel correct verloopt en of haar toekomstige pensioen niet achteruitgaat. Zij heeft het pensioenfonds verzocht om inzage in deze gegevens, maar het pensioenfonds heeft deze gegevens niet verstrekt en verwijst naar het UPO. Aan het UPO kunnen echter geen rechten worden ontleend. Volgens [verzoeker] is het pensioenfonds verplicht om juiste en duidelijke informatie te verstrekken en op verzoek een nadere toelichting te geven. Ook uit uitlatingen van de minister blijkt volgens [verzoeker] dat deelnemers altijd het recht hebben om extra informatie en berekeningen te vragen. Het verweer 3.3. Het pensioenfonds verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe – kortweg – het volgende aan. 3.4. De huidige pensioenregeling wordt per 1 januari 2026 omgezet in de nieuwe premieregeling. Het pensioenfonds is gehouden om vooraf een zo nauwkeurig mogelijke prognose aan haar deelnemers af te geven. Aan [verzoeker] is inmiddels een eerste overzicht verstrekt op basis van het nieuwe pensioenstelsel. Aan het invaren van de pensioenrechten naar het nieuw pensioenstelsel zijn specifieke voorwaarden verbonden die door het pensioenfonds zijn nagekomen. Het invaren gaat in overleg met sociale partners, waarbij onder andere pensioendeelnemers en vakbonden zijn vertegenwoordigd. Alle pensioenen zijn volgens een rekenkundige formule omgezet. Daarnaast zijn er accountantscontroles en is goedkeuring van de Nederlandse Bank vereist. Het pensioenfonds heeft aan alle vereisten voor invaren voldaan. [verzoeker] kan zelf controleren of bij haar huidige pensioenberekening van de juiste gegevens is uitgegaan, omdat deze gegevens in het UPO staan vermeld en wettelijk is vastgelegd welke gegevens het UPO moet bevatten. Het pensioenfonds krijgt deze gegevens aangeleverd van werkgevers. Daarom kan het pensioenfonds de juistheid en volledigheid niet bevestigen. Als de gegevens niet juist zijn, dan moet [verzoeker] zich tot haar werkgever wenden. In de digitale omgeving ‘MijnPFZW’ zijn daarnaast nog nadere gegevens in te zien, die niet wettelijk op het UPO vermeld hoeven te worden. 3.5. Voor zover [verzoeker] haar verzoek baseert op de Pensioenwet, geldt dat de rechtbank niet bevoegd is om daarvan kennis te nemen, omdat alleen de kantonrechter daarover kan beslissen. Het pensioenfonds is verder van mening dat de AVG geen grondslag biedt voor toewijzing van het verzoek, omdat pensioenberekeningen (en een toelichting daarop) geen persoonsgegevens zijn en dus niet onder het bereik van de AVG vallen. Deze gegevens zien niet op de persoon [verzoeker] en identificeren haar niet. Een pensioenberekening is de uitkomst van een rekenkundige formule die op alle pensioenen wordt toegepast. Dat proces wordt weliswaar gevoed met persoonsgegevens, maar is op zichzelf geen persoonsgegeven. De berekening wordt ook niet opgeslagen. Voor zover de rechtbank wel zou oordelen dat er sprake is van een persoonsgegeven, geldt dat het verzoek alsnog niet kan worden toegewezen. Om aan het verzoek te voldoen moet het pensioenfonds namelijk handmatige en uitgeschreven berekeningen opmaken. Dat is een complex en tijdrovend proces. Gelet op het grote aantal pensioendeelnemers en de (verwachte) hoeveelheid soortgelijke verzoeken, vormt dit een grote belasting voor het pensioenfonds. De kosten hiervan worden uiteindelijk door het collectief aan pensioendeelnemers gedragen. Dit maakt dat het verzoek buitensporig is en afbreuk doet aan de rechten en vrijheden van anderen. 4 Het oordeel van de rechtbank 4.1. De rechtbank wijst het verzoek af en legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Grondslag van het verzoek 4.2. Tijdens de mondeling behandeling heeft de gemachtigde van [verzoeker] bevestigd dat [verzoeker] haar verzoek in deze procedure uitsluitend baseert op het inzagerecht als bedoeld in de AVG. De rechtbank zal het verzoek dan ook beoordelen aan de hand van de bepalingen van de AVG. Het wettelijk kader 4.3. Op grond van de AVG kunnen persoonsgegevens worden opgevraagd. In artikel 15 lid 1 AVG staat dat een betrokkene onder meer recht heeft op inzage in van hem betreffende persoonsgegevens. Artikel 15 lid 3 AVG bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkene een kopie verstrekt van de persoonsgegevens die worden verwerkt met inachtneming van artikel 15 lid 4 AVG. In artikel 15 lid 4 AVG is opgenomen dat het recht om een kopie te verkrijgen geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen doet. 4.4. Wat persoonsgegevens zijn, staat in artikel 4 lid 1 AVG beschreven. Volgens dat artikel zijn persoonsgegevens: “ alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon ("de betrokkene"); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon”. 4.5. De uitleg van het begrip ‘persoonsgegevens’ is dus bepalend voor de reikwijdte van het inzagerecht. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft overwogen dat het begrip persoonsgegevens zich potentieel uitstrekt tot elk soort informatie, zowel objectieve als subjectieve informatie die de betrokkene betreft. Van dat laatste is sprake als de informatie vanwege haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een natuurlijk persoon. Dit betekent dat als de gegevens medebepalend zijn voor de wijze waarop de betrokken persoon in het maatschappelijk verkeer wordt beoordeeld of behandeld, die gegevens als persoonsgegevens worden aangemerkt. Niet alleen gegevens op basis waarvan een natuurlijk persoon geïdentificeerd kan worden, maar ook feitelijke of waarderende gegevens over eigenschappen, opvattingen of gedragingen van een persoon zijn dus persoonsgegevens. Voor zover dergelijke gegevens geautomatiseerd worden verwerkt of voorkomen in bestanden is het inzagerecht daarop van toepassing. Het verzoek ziet niet op persoonsgegevens 4.6. Om te beoordelen of het verzoek van [verzoeker] toewijsbaar is, moet de rechtbank het hiervoor beschreven wettelijk kader in deze zaak toepassen. Dat betekent dat de rechtbank (eerst) moet beoordelen of de gegevens waar [verzoeker] om vraagt persoonsgegevens zijn zoals bedoeld in de AVG. 4.7. [verzoeker] verzoekt als gezegd inzage in alle pensioenberekeningen die ten grondslag liggen aan haar huidige pensioen, voorzien van een uitleg. De rechtbank is van oordeel dat dergelijke berekeningen niet onder het begrip ‘persoonsgegevens’ vallen zoals dat in de AVG is gedefinieerd. Het pensioenfonds heeft nauwgezet toegelicht dat een pensioenberekening slechts een uitkomst is van een gestandaardiseerde rekenmethode. De rekenkundige formule is niet herleidbaar tot een natuurlijk persoon, maar volgt uit het pensioenreglement en geldt voor alle pensioendeelnemers. De berekening zelf wordt ook niet uitgeschreven of opgeslagen in de systemen van het pensioenfonds. Het gaat hier dus niet om opgeslagen informatie op basis waarvan [verzoeker] als persoon geïdentificeerd zou kunnen worden. Dat maakt dat van een persoonsgegeven geen sprake is. Ook een toelichting op een pensioenberekening is geen persoonsgegeven in de zin van de AVG. Dat de rekenmethode van het pensioenfonds wordt gevoed met bijvoorbeeld het pensioengevend inkomen en het aantal deelnemingsjaren van [verzoeker] , maakt dit niet anders. Bovendien kan [verzoeker] die onderliggende gegevens inzien via het UPO en ‘MijnPFZW’. [verzoeker] weet dus welke (persoons)gegevens door het pensioenfonds worden verwerkt en kan de juistheid daarvan via het UPO en ‘MijnPFZW’ controleren. Voor zover haar verzoek zou zien op deze onderliggende gegevens, heeft [verzoeker] daar dus geen belang bij. 4.8. Om deze redenen zal de rechtbank het verzoek van [verzoeker] afwijzen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken. 4.9. De rechtbank ziet tot slot in dat de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel een grote verandering is die veel teweegbrengt. De rechtbank kan zich voorstellen dat [verzoeker] het liefst (absolute) zekerheid heeft over wat dit voor haar gaat betekenen. Die zekerheid kan zij via dit verzoek echter niet krijgen, ook niet als het verzoek wel zou worden toegewezen. De rechten op een bepaald pensioen kunnen niet ontleend worden aan de berekeningen waar [verzoeker] om vraagt. Die rechten vloeien voort uit het geldende pensioenreglement. Ook als het pensioenfonds de gevraagde berekeningen zou verstrekken, levert dat dus niet de (juridische) zekerheid op waar het [verzoeker] om te doen is. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. wijst het verzoek af. Deze beschikking is gegeven door mr. De Vlieger en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025. Zaak C434/16, Nowak, ECLI:EU:C:2017:994. Zie Gerechtshof Den Haag 17 januari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:329.