Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBAMS:2026:1465 Rechtbank Amsterdam , 20-01-2026 / 13/283218-25 (EAB I)

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam

Case Summary

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-283218-25 (EAB 1) Datum uitspraak: 20 januari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 6 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 6 februari 2025 door the Szeged Regional Court in Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1974, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in de penitentiaire inrichting [locatie] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 17 december 2025 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Hongaarse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen voor te leggen die van belang zijn voor de beoordeling van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Zitting van 13 januari 2026 De rechtbank heeft het onderzoek op deze zitting - met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon - in gewijzigde samenstelling hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter zitting van 17 december 2025. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.M. Lagerweij, die waarneemt voor mr. D.W.H.M. Wolters, beiden advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Hongaarse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Szeged District Court van 26 oktober 2022 met kenmerk 18.B.155/2022/35, dat definitief is geworden op 29 januari 2024 door het arrest van the Szeged Regional Court met kenmerk 3.Bf.133/2023/16. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 206 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest. Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. In de aanvullende informatie van 8 januari 2026 hebben de Hongaarse autoriteiten het volgende meegedeeld: “ Judgment No 3.Bf.133/2023/16 of the Regional Court of Szeged constitutes a final decision against which no further ordinary appeal can be lodged and which accordingly makes a final decision on the merits of the case. ” Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat het arrest van the Regional court of Szeged onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt. De rechtbank zal daarom alleen dit arrest toetsen aan artikel 12 OLW. Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft weigering van de overlevering bepleit omdat de opgeëiste persoon in hoger beroep niet zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De opgeëiste persoon was in eerste aanleg aanwezig bij de zitting. Hij was dus op de hoogte van de dagvaarding in eerste aanleg en heeft een oproep voor die zitting gehad. Dat bevestigt dat hij een adresinstructie als bijlage bij die oproep heeft ontvangen. De opgeëiste persoon was eveneens op de hoogte van het hoger beroep. Hij heeft immers op de zitting verklaard dat hij denkt dat hij zelf hoger beroep heeft ingesteld. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat zij van oordeel is dat overlevering van de opgeëiste persoon tot schending van zijn verdedigingsrechten leidt. Zij acht daarbij het volgende redengevend. Op daartoe strekkende vragen van het Internationaal Rechtshulpcentrum Amsterdam (IRC), hebben de Hongaarse autoriteiten op 8 januari 2026 onder meer de volgende informatie verstrekt over de gang van zaken met betrekking tot de hoger beroepsprocedure: “(…) 4.) [de opgeëiste persoon] did not appear in the public session, was not summoned in person and was represented by a defence counsel in the second-instance proceedings. The notice for the public session was duly delivered to the address provided by [de opgeëiste persoon] . 5.) Based on the Court documents it cannot be expressly stated that [de opgeëiste persoon] was informed of his obligation upon notifying the authority of any changes in his contact details and also upon the legal consequences of the breach of that obligation, and that that obligation extends to the entire procedure, including the appeal procedure, since that warning forms part of the summons and notifications which - by definition - is available to [de opgeëiste persoon] . (…)” De rechtbank is van oordeel dat zij, gelet op voormelde informatie, niet kan vaststellen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon wisselende en onduidelijke verklaringen afgelegd met betrekking tot de vraag of hij destijds zelf het hoger beroep had ingesteld. Daarbij heeft de opgeëiste persoon toegelicht dat het in die tijd niet goed ging met hem en dat hij destijds mentale klachten had. De rechtbank kan op grond van zijn verklaringen daarom niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat het inderdaad de opgeëiste persoon is die zelf het hoger beroep heeft ingesteld of heeft laten instellen. Verder is de opgeëiste persoon volgens de aanvullende informatie weliswaar vertegenwoordigd door een advocaat, maar niet is gebleken dat deze advocaat door hem gemachtigd was en evenmin kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon contact met deze advocaat heeft gehad en om die reden op de hoogte van de hoger beroepsprocedure was of had moeten zijn. Dat de oproeping voor de behandeling van het hoger beroep (naar Hongaars recht) correct is betekend aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres, leidt niet tot een ander oordeel. Niet gebleken is namelijk dat de opgeëiste persoon op de hoogte is gebracht van de op hem rustende verplichtingen om op het door hem opgegeven adres bereikbaar te zijn voor de Hongaarse justitiële autoriteiten en dat hij iedere adreswijziging aan de justitiële autoriteiten diende door te geven. De Hongaarse autoriteiten hebben immers aangegeven dat niet met zekerheid kan worden bevestigd dat de opgeëiste persoon op deze verplichtingen is gewezen, noch dat de verplichtingen zich uitstrekken tot de gehele procedure inclusief de hoger beroepsprocedure. In het licht van wat hiervoor is overwogen, kan de rechtbank niet vaststellen dat de opgeëiste persoon (al dan niet stilzwijgend) afstand heeft gedaan van zijn recht om ter zitting in hoger beroep te verschijnen, terwijl evenmin kan worden geoordeeld dat hij kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot de ontvangst van officiële correspondentie betreffende de hoger beroepsprocedure. Ter zitting heeft de officier van justitie desgevraagd aangegeven dat aan de uitvaardigende justitiële autoriteit niet de vraag is gesteld door wie het hoger beroep is ingesteld en ook niet of de opgeëiste persoon de advocaat had gemachtigd om hem te vertegenwoordigen in hoger beroep. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn van 90 dagen, die op 23 januari 2026 verstrijkt, geen ruimte meer biedt om voormelde vragen via de officier van justitie te laten stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Artikel 12 OLW staat daarom in de weg aan overlevering van de opgeëiste persoon. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd. 6 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 12 OLW. 7 Beslissing WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Szeged Regional Court, Hongarije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 januari 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.