ECLI:NL:RBAMS:2026:1703 Rechtbank Amsterdam , 03-02-2026 / 13-266022-25 (EAB I)
Rechtbank Amsterdam
Case Summary
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-266022-25 (EAB I) Datum uitspraak: 3 februari 2026 UITSPRAAK op de vordering van 23 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 23 september 2025 door the Circuit Court in Poznań , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] (Polen), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , nu gedetineerd in de Penitentiaire [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De zitting van 18 december 2025 De behandeling van het EAB is aangevangen op deze zitting in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. van Aken, advocaat in Geertruidenberg, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. De tussenuitspraak van 31 december 2025 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat sprake is van een individueel reëel gevaar voor de opgeëiste persoon van schending van zijn grondrechten vanwege de detentieomstandigheden in het remand regime in Polen. Gelet op de mogelijkheid dat bij wijziging van de omstandigheden het individuele reële gevaar alsnog kan worden uitgesloten, heeft de rechtbank de beslissing over de overlevering aangehouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en het onderzoek ter zitting heropend en direct geschorst voor onbepaalde tijd. Ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, heeft de rechtbank een redelijke termijn van 30 dagen gesteld om op de volgende zitting na te gaan of een wijziging van omstandigheden is opgetreden. Ook heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 60 dagen verlengd op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De zitting van 3 februari 2026 De behandeling van het EAB is - met toestemming van partijen - voortgezet in gewijzigde samenstelling op de zitting van 3 februari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll officier van justitie. De opgeëiste persoon is wederom verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. van Aken en door een tolk in de Poolse taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 De tussenuitspraak van 31 december 2025 In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (paragraaf 3) over de strafbaarheid van de feiten (paragraaf 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (paragraaf 5), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW (paragraaf 6), de evenredigheid (paragraaf 7) en deels over artikel 11 OLW, namelijk met betrekking tot artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU en de detentieomstandigheden in Poolse remand prisons ten aanzien van verstrekking van koosjere maaltijden (paragraaf 8.1 en 8.2). Wat de rechtbank daarover heeft overwogen, wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd. 4 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Poolse remand regimes 4.1 Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 8.2 van de tussenuitspraak van 31 december 2025. De overwegingen in deze paragraaf worden hier eveneens als herhaald en ingelast beschouwd. In het bijzonder brengt de rechtbank in herinnering dat zij in de tussenuitspraak aan de hand van de aanvullende informatie van 17 november en 8 december 2025 heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden geplaatst in the Remand Centre in Poznań , dat hij minstens 3 m2 persoonlijke leefruimte zal hebben. Verder heeft de rechtbank, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak, geoordeeld dat als de autoriteiten geen garantie kunnen geven dat de opgeëiste persoon minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, de rechtbank concrete informatie nodig heeft over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden – wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen – gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft om tot een oordeel te komen over de detentieomstandigheden voldoende informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, de duur van die activiteiten, én de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn. Deze informatie ontbrak ten tijde van de tussenuitspraak van 31 december 2025, waardoor voor de opgeëiste persoon het bedoelde algemene reële gevaar niet kon worden uitgesloten. Op grond hiervan is dan ook het individueel gevaar voor de opgeëiste persoon aangenomen. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde overwegingen in de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) aanvullende vragen gesteld. The Regional Court in Poznań heeft op 12 januari 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt: “(...) We (…) inform that the minimum time a person may spend outside their cell is one hour allocated for a walk, however, considering that inmates in penitentiary units have the right to engage in other activities, this time could be longer, but it is not possible to determine the average time an inmate may spend outside their cell. Due to the specific nature of various penitentiary units, it is also impossible to indicate specific areas to which inmates have daily access. As we mentioned in our previous correspondence, each inmate is assessed and classified by a prison commission, which affects their rights and responsibilities. Furthermore, the schedule of cultural and educational activities is varied, tailored to different groups of inmates, and is not fixed. Furthermore, it should be noted that remand prisoners who stand out for their compliance with internal order in the remand centre and the rules set out in the organisational and procedural regulations for the execution of remand detention, may be granted rewards, one of which is permission to participate more frequently in cultural and educational as well as physical culture and sports activities. (...)” 4.2 Standpunten van partijen De raadsman en de officier van justitie hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De aanvullende informatie van 12 januari 2026 is onvoldoende om het individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon weg te nemen. 4.3 Oordeel van de rechtbank De rechtbank moet beoordelen of zich binnen de in de voornoemde tussenuitspraak van 31 december 2025 gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie alsnog ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie daartoe geen aanknopingspunten biedt nu aangegeven wordt dat geen nader antwoord kan worden gegeven op vragen van het IRC en evenmin aanvullende garanties zijn verstrekt. In de aanvullende informatie van 12 januari 2026 is niet concreet gemaakt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, wat de duur van die activiteiten is, én de omstandigheden waarvan deelname en duur afhankelijk zijn. Hierdoor kan de rechtbank niet beoordelen of het algemene reële gevaar, dat de opgeëiste persoon structureel 23 uur per dag in zijn cel moet doorbrengen, kan worden uitgesloten. De rechtbank concludeert dan ook dat zich binnen de in de tussenuitspraak gestelde redelijke termijn geen wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan. Het individuele gevaar is niet weggenomen. Gezien het voorgaande is de rechtbank met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat geen gevolg kan worden geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee wordt de overleveringsprocedure beëindigd. 5 Slotsom De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB. De overleveringsdetentie wordt opgeheven. 6 Beslissing GEEFT geen gevolg aan het EAB. VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering op grond van artikel 23 van de OLW van 23 oktober 2025. HEFT OP de overleveringsdetentie van [de opgeëiste persoon] . Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 februari 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Rb. Amsterdam 31 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10574. Idem.