Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBNNE:2026:453 Rechtbank Noord-Nederland , 03-02-2026 / 24/1731

Rechtbank Noord-Nederland

Rechtbank Noord-Nederland

Case Summary

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/1731 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. N.A.H. Limbourg), en de korpschef van de politie, Eenheid Oost-Nederland, verweerder (gemachtigde: mr. M.J.R.M. Pompen). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de Wet open overheid (Woo). Op grond van de Woo heeft eiser een verzoek ingediend bij verweerder om openbaarmaking van informatie. De rechtbank behandelt in deze uitspraak het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder op het Woo-verzoek. Eiser is het niet eens met het besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.1. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser komt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die van belang zijn. Procesverloop 2. Met de brief van 20 maart 2023 heeft eiser het volgende verzoek ingediend bij verweerder. “Ik verzoek u, op voet van de Wet open overheid (nader Woo), om openbaarmaking, en een afschrift van alle stukken die zien op de inzet van SGBO’s door de politie Nederland, inclusief de Landelijke Eenheid, in de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 december 2022. Dit verzoek dient het publieke belang en valt onder het bereik van de Woo. Specifiek verzoek ik om de navolgende stukken: data en zaken waarin een SGBO is gestart; de wijze van beraadslaging en besluiten omtrent het al dan niet starten van een SGBO inclusief de (geldende) criteria; alle facturen, offertes en nota’s; alle (interne) memo’s, e-mails, Signal- en Whatsapp-berichten, notulen en andere stukken; alle andere stukken. Later is het verzoek door eiser als volgt gepreciseerd . “Ik verzoek specifiek om de SGBO’s in de volgende 2 perioden, te weten van 1 juni 2021 tot en met 15 november 2021 en 1 oktober 2022 tot en met 21 december 2022. Verder beperk ik mijn verzoek tot SGBO’s die niet zien op (betaald) voetbalwedstrijden, grote branden, demonstraties, jaarwisseling(en) en weersextremen. Ik verzoek aldus om alle overige SGBO’s die zien op overige onderwerpen als levensdelicten en/of georganiseerde misdaad en/of overige zaken.” 2.1. Met het primaire besluit van 6 juni 2023 heeft verweerder een gedeelte van de door eiser gevraagde informatie openbaar gemaakt. 2.2. Met het bestreden besluit van 5 maart 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. 2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft zijn gronden aangevuld. 2.4. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. 2.5. De rechtbank heeft kennisgenomen van de met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door verweerder overgelegde informatie. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Omvang van het geding 3. Het bestreden besluit gaat over documenten van meerdere politie eenheden. De beroepsgronden van eiser gaan alleen over het weglakken of niet openbaren van documenten van Eenheid Oost-Nederland (bijlage 4). Had het verzoek moeten worden behandeld als een Wpg-verzoek in plaats van een Woo-verzoek? 4. In zijn aanvullende gronden brengt eiser naar voren dat het gaat om een beroep tegen een beslissing op een zogenaamd Wpg-verzoek en niet om een Woo-verzoek. Verweerder had het verzoek ook zo in behandeling moeten nemen. Eiser begrijpt daarom niet om welke reden er in deze procedure in het geheel gebruik gemaakt zou moeten worden van Woo-stukken. 5. De rechtbank beantwoordt deze rechtsvraag als volgt. De Wet politiegegevens ziet op de verwerking van persoonsgegevens van de belanghebbende, die worden verwerkt in het kader van de politietaak. Met een persoonsgegeven in de zin van de Wpg wordt bedoeld alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon . De formulering van het verzoek van eiser, ook na precisering, is niet concreet genoeg om met zekerheid te kunnen vaststellen dat om dergelijke specifieke persoonsgegevens van eiser wordt verzocht. Verweerder heeft daarom het verzoek (niet anders dan) als een Woo-verzoek in behandeling kunnen nemen . Dat eiser in zijn verzoek ook nadrukkelijk heeft verwezen naar de Woo, laat rechtbank hierbij buiten beschouwing. Is het bestreden besluit gebrekkig gemotiveerd? 6. Eiser voert aan dat de weigering om informatie en documenten van Eenheid Oost-Nederland openbaar te maken, door verweerder onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder zegt alleen dat er weigeringsgronden van toepassing zijn. Waarom dit zo is, maakt verweerder niet duidelijk. Ook vindt eiser dat verweerder geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt. Het lijkt nu alsof er helemaal geen heroverweging heeft plaatsgevonden. 6.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit zorgvuldig en deugdelijk is gemotiveerd. Hij wijst erop dat met het primaire besluit de uitzonderingsgronden uitgebreid zijn gemotiveerd en gewogen. In de bijlage 4 van het primaire besluit zijn de documenten van Eenheid Oost-Nederland benoemd en zijn de gronden nóg specifieker gemotiveerd. 7. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond van eiser niet kan slagen. Eiser heeft in beroep geen andere argumenten naar voren gebracht ten opzichte van deze grond in bezwaar. Alleen de stelling dat verweerder zijn weigering om informatie en documenten openbaar te maken onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, biedt bovendien geen aanleiding voor de rechtbank om hier anders over te denken. Dit geldt ook voor de enkele stelling van eiser dat verweerder geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt. Daar staat tegenover dat verweerder in het bestreden besluit eiser heeft gewezen op de weigeringsgronden van de korpschef van Eenheid Oost-Nederland in bijlage 4 bij het primaire besluit. Terecht merkt verweerder op dat in die bijlage 4 de documenten stuk voor stuk worden benoemd. Daarbij wordt, ook stuk voor stuk, uitgebreid gemotiveerd waarom openbaarmaking wordt geweigerd. Van een gebrekkige motivering van het bestreden besluit is dus geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding 8. Eiser verzoekt om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierbij geldt dat de berechting van een zaak door de rechtbank in beginsel niet binnen een redelijke termijn geschiedt wanneer zij niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet (waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren). 8.1. Een eerder beroep is door de rechtbank op 12 december 2023 doorgezonden naar verweerder om als bezwaar te worden behandeld. Het besluit op dat bezwaar dateert van 5 maart 2024. Aan de zijde van verweerder is derhalve geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de datum van het als bezwaar aangemerkte eerdere beroep (12 juni 2023) is de redelijke termijn in deze zaak verstreken in juni 2025. Echter, eiser heeft bewust geen bezwaar gemaakt tegen het besluit in primo en op 12 juni 2023 gelijk beroep ingesteld. Bovendien stond de behandeling van het onderhavige beroep aanvankelijk gepland op 14 juli 2025. Dit is uitgesteld op verzoek van eiser. De vertraging van de procedure is dus ook en in belangrijke mate toe te schrijven aan eiser zelf. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat de overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak voor rekening van eiser dient te komen. Daarom komt eiser niet in aanmerking voor een immateriële schadevergoeding. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:46 Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Wet open overheid Artikel 2.1. (…) document: een door een orgaan, persoon of college als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van dat orgaan, die persoon of dat college; (…) publieke informatie : informatie neergelegd in documenten die berusten bij een orgaan, persoon of college als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, of informatie die krachtens artikel 2.3 door een bestuursorgaan kan worden gevorderd. Artikel 4.1. Verzoek (…) 5 Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam. (…) Wet politiegegevens Artikel 1. (definities) In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: (…) a. politiegegeven: elk persoonsgegeven dat wordt verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak, bedoeld in de artikelen 3 en 4 van de Politiewet 2012, met uitzondering van: – de uitvoering van wettelijke voorschriften anders dan de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften; – de bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 opgedragen taken, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, onder 1° en artikel 4, eerste lid, onderdeel f, van de Politiewet 2012; (…) Hiermee wordt bedoeld Staf Grootschalig Bijzonder Optreden. Raadpleeg hiervoor artikel 4.1. lid 5 van de Woo. Hiermee wordt bedoeld de Wet politiegegevens. Zie hiervoor artikel 1 van de Wpg. Zie hiervoor artikel 2.1., document , en, publieke informatie , van de Woo.