Skip to content
Case Law
NL

ECLI:NL:RBDHA:2026:3264 Rechtbank Den Haag , 19-02-2026 / NL24.38560

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag

Case Summary

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL 24.38560 beslissing van de enkelvoudige kamer (geheimhoudingskamer) van 19 februari 2026 op het verzoek tot toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de minister van Buitenlandse Zaken, de minister (gemachtigde: mr. T. Gillhaus) in het beroep van [naam] , eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, (gemachtigde: mr. H.J. Janse). Procesverloop Bij besluit van 29 september 2023 heeft de minister de in 2023 gedane aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf afgewezen. Bij besluit van 5 september 2024 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Op 5 augustus 2025 is een tussenuitspraak gedaan. Bij brief van 29 augustus 2025 is door verzoeker een reactie gegeven en zijn diverse stukken als bijlagen toegevoegd. De rechtbank heeft het beroep van eiseres behandeld op de zitting van 24 november 2025. Op deze zitting is afgesproken dat "de gemachtigde van de minister eind december 2025 het te verwachten IAMA-rapport, alle nog niet overgelegde stukken en documentatie van het algoritme IOB en de individuele toets in de zaak van eiseres aan de rechtbank stuurt." Bij brief van 6 januari 2026 zijn stukken overgelegd en is door de minister ten aanzien van een aantal passages verzocht om beperkte kennisneming ex artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat alleen de rechtbank van deze stukken kan kennisnemen. Bij bericht van 22 januari 2026 heeft de rechtbank eiseres in de gelegenheid gesteld om te reageren op de mededeling inzake de beperking van de kennisneming. Op 5 februari 2026 is door de gemachtigde van eiseres een reactie gegeven. Overwegingen 1. Op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kan een partij die verplicht is stukken over te leggen, weigeren aan deze verplichting gevolg te geven, dan wel de rechtbank mededelen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van de stukken. Op grond van het derde lid beslist de rechtbank of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. 2. Op 6 januari 2026 heeft de minister de verzochte documenten overgelegd en daarbij onderscheid gemaakt tussen de (niet-vertrouwelijke, gelakte) A-stukken en de (vertrouwelijke, ongelakte) B-stukken. In de brief van 6 januari 2026 is toegelicht waarom de minister aanleiding ziet om ten aanzien van een beperkt aantal passages in de onder bijlage 1 opgenomen A-stukken een verzoek om beperkte kennisneming ex art. 8:29 Awb te doen. Daarbij is verzocht het verzoek om beperkte kennisneming toe te wijzen op grond van artikel 8:29, eerste en tweede lid, van de Awb jo. artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e en i, van de Wet open overheid (Woo) en artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo. 2.1. De gemachtigde van eiseres heeft in zijn reactie van 5 februari 2026 meegedeeld dat geen bezwaar bestaat om ten aanzien van de in de A-stukken gelakte passages toepassing te geven aan artikel 8:29 van de Awb. 3. De rechtbank stelt voorop dat de verwijzing naar een of meer weigeringsgronden in de Woo geen voldoende motivering is. Voor de toepassing van artikel 8:29 van de Awb is een afzonderlijke toets vereist of gewichtige redenen als bedoeld in dit artikel aanwezig zijn. Daarbij speelt het belang van partijen bij kennisneming van processtukken, mede in het licht van het fair trial-beginsel, anders dan bij de Woo waar het belang van openbaarmaking wordt voorondersteld, een rol. De verzoeker moet duidelijk maken waarom volgens hem het belang bij beperkte kennisneming zwaarder weegt dan het belang dat de andere partij(en) van het stuk kennisnemen. 3.1. De minister heeft niet alleen verwezen naar bepalingen in de Woo, maar ook toegelicht waarom beperkte kennisneming in onderhavige procedure gerechtvaardigd is. 3.2. Zo is toegelicht waarom persoonsgegevens, zoals naam en contactgegevens, zijn gelakt. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dit geval zwaarder dan het belang van eiseres om kennis te nemen van die persoonsgegevens. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit de reactie van eiseres niet blijkt dat zij zonder die persoonsgegevens in haar procesvoering wordt belemmerd of zodanig in haar belangen wordt geschaad, dat haar belang zwaarder dient te wegen. De rechtbank acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming hier gerechtvaardigd. 3.3. De twee adviezen uit respectievelijk 2018 en 2021 (B10 en B13) zijn niet openbaar. In de tussenuitspraak is overwogen dat de rechtbank een ambtshalve toetsing van het algoritme IOB aangewezen acht en nader onderzoek op zijn plaats. Door toewijzing van het verzoek kan de rechtbank wel kennisnemen van deze adviezen en eiseres niet. De rechtbank leest in de motivering van de minister het belang terug dat dergelijke adviezen vertrouwelijk kunnen worden gegeven. Eiseres heeft hiertegen geen bezwaren geuit of belangen opgevoerd waaruit blijkt dat zij zonder deze adviezen in haar procesvoering wordt belemmerd of in haar belangen wordt geschaad. Alles overziend ziet de rechtbank ook hier geen grond om te oordelen dat beperking van de kennisneming niet gerechtvaardigd is. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek toe. Deze beslissing is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze tussenbeslissing kan niet eerder beroep worden ingesteld, dan tegelijk met het hoger beroep tegen de einduitspraak. vgl. de beslissing van de ABRvS van 24 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5114, r.o. 5. vgl. de beslissing van de ABRvS van 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, r.o. 11. vgl. de beslissing van de ABRvS van 3 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2972