ECLI:NL:RBLIM:2026:1287 Rechtbank Limburg , 28-01-2026 / C/03/335020 / HA ZA 24-445
Rechtbank Limburg
Case Summary
vonnis RECHTBANK LIMBURG Burgerlijk recht Zittingsplaats Maastricht zaaknummer: C/03/335020 / HA ZA 24-445 Vonnis van 28 januari 2026 in de zaak van de stichting STICHTING EIERKARTELSCHADE , gevestigd te Amsterdam , eiseres, advocaat mr. S. Tuinenga ; tegen: 1. de stichting STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR WULRO FOOD GROUP , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WULMS EGG GROUP B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EIPRODUKTEN WULRO B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VASTE ACTIVA LIQUID B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VASTE ACTIVA POWDER B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WULRO INTERNATIONAL B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DUTCH EGG POWDER SOLUTIONS B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MARPRO B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO B.V. , gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 10 [gedaagde 10] , wonende te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 11 [gedaagde 11] , wonende te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. S.H.O. Aben ; 12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO BEHEER B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO EGG GROUP B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO EGG PRODUCTS B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO SERVICES B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WEKO EIPRODUKTEN B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WEKO EGG TRADING B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INTEROVO TRADING B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WEKO FOOD INTERNATIONAL B.V. , gevestigd te Ochten , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 20. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. NEDERLANDSE INDUSTRIE VAN EIPRODUKTEN , gevestigd te Nunspeet , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 21. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid OVOTECH B.V. , gevestigd te Beek, gemeente Montferland , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 22. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PAP EGGS B.V. , gevestigd te Nunspeet , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 23. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 23] B.V. , gevestigd te [plaats 2] , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 24 [gedaagde 24] , wonende te [plaats 3] , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 25 [gedaagde 25] , wonende te [plaats 4] , gedaagde, advocaat mr. J.W. Fanoy ; 26. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 26] B.V., gevestigd te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; 27. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde 27] B.V. gevestigd te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; 28. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GLOBAL INTEGRA B.V., gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; 29. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GLOBAL FOOD HOLDING B.V., gevestigd te Weert , gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; 30. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GLOBAL FOOD GROUP B.V., gevestigd te Weert gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; 31 [gedaagde 31] , wonende te [plaats 1] , gedaagde, advocaat mr. J.A. van de Hel; Eiseres zal hierna de Stichting worden genoemd. Gedaagde partijen gezamenlijk zullen worden aangeduid als Wulro c.s., gedaagden 1 tot en met 11 als Wulro , gedaagden 12 tot en met 25 als Interovo en gedaagden 26 tot en met 31 als Global. 1 Het verdere verloop van de procedure 1.1. Het verloop van de procedure tot en met 8 januari 2025 blijkt uit de rolbeschikking van die datum. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: de akte n.a.v. de rolbeschikking van 8 januari 2025, tevens vermeerdering van eis, met producties 18 t/m 26, van de Stichting ,; de akte procedurele aspecten, van Wulro c.s.; de antwoordakte n.a.v. de rolbeschikking van 8 januari 2025 met producties 27 t/m 29, van de Stichting ; de antwoordakte procedurele aspecten van Wulro c.s.; het vonnis in het vrijwaringsincident d.d. 9 juli 2025; de akte producties ten behoeve van de mondelinge behandeling, tevens akte eiswijziging, met producties 31 tot en met 34, van de Stichting ; de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling d.d. 10 juli 2025 en de pleitaantekeningen die partijen ter zitting hebben overgelegd. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. In het kader van de beantwoording van de hierna te melden geschilpunten en daarmee samenhangende rechtsvragen zijn, in aanvulling op de feiten die in de rolbeschikking van 8 januari 2025 vooralsnog zijn vastgesteld, de volgende feiten van belang. 2.2. In september 2019 is de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM ) een onderzoek gestart naar (een) mogelijke overtreding(en) van het Europese en Nederlandse kartelverbod door ondernemingen die consumptie-eieren bij leghennenhouders inkopen. 2.3. In de week van 5 november 2019 heeft de ACM onaangekondigde bedrijfsbezoeken afgelegd bij vier ondernemingen, waaronder Global, Interovo en Wulro . Op de tweede dag van deze bedrijfsbezoeken is het onderzoek uitgebreid met (een) mogelijke overtreding(en) van het Europese en Nederlandse kartelverbod door deze ondernemingen met betrekking tot de verkoop van eiproducten. De periode waarop het onderzoek zag, is gelijktijdig verlengd (van 1 januari 2017 tot en met – naar de rechtbank begrijpt – uiteindelijk de datum van het (nog te nemen) besluit). Op 17 april 2020 heeft de ACM partijen geïnformeerd dat de periode van het vermoeden is gewijzigd in de periode van 1 januari 2015 tot – naar de rechtbank begrijpt – uiteindelijk de datum van het (nog te nemen) besluit. 2.4. In het besluit van 22 december 2022 heeft de ACM voor twee gedragingen boetes opgelegd wegens schending van artikel 101 VWEU en artikel 6 Mededingingswet (dagvaarding, productie 1). 2.5. Gedraging I betrof een schending van het mededingingsrecht over de periode 13 april 2015 tot en met 22 augustus 2016. Hiervoor zijn boetes opgelegd aan: - Weko Egg Trading B.V. (gedaagde sub 17), Interovo Services B.V. (gedaagde sub 15), Interovo Egg Group B.V. (gedaagde sub 13), Interovo Beheer B.V. (gedaagde sub 12), alsmede aan - Eiprodukten Wulro B.V. (gedaagde sub 3), Wulms Egg Group B.V. (gedaagde sub 2) en Stichting Administratiekantoor Wulro Food Group (gedaagde sub 1). 2.6. Gedraging II betrof een schending van het mededingingsrecht over de periode 1 maart 2016 tot en met 1 augustus 2019. Hiervoor zijn boetes opgelegd aan: - Global Food Group B.V. (gedaagde sub 30), Global Food Holding B.V. (gedaagde sub 29), [gedaagde 26] B.V. (gedaagde sub 26) alsmede aan - Eiprodukten Wulro B.V. (gedaagde sub 3), Wulms Egg Group B.V. (gedaagde sub 2) en Stichting Administratiekantoor Wulro Food Group (gedaagde sub 1). 2.7. De vennootschappen tegen wie de besluiten waren gericht (hierna ook: de beboete vennootschappen), hebben allen bezwaar tegen die besluiten ingesteld bij de ACM . De ACM heeft het bezwaar bij besluit van 27 oktober 2023 (besluit 1) ongegrond verklaard, behalve het bezwaar van Eiprodukten Wulro B.V. (gedaagde sub 3), Wulms Egg Group B.V. (gedaagde sub 2) en Stichting Administratiekantoor Wulro Food Group (gedaagde sub 1) voor zover dit zag op de hoogte van de opgelegde boete en de openbaarmaking ervan (dagvaarding, productie 2). De ACM heeft de aan laatstgenoemde partijen opgelegde boete met tien procent neerwaarts bijgesteld. Bij besluit van 9 november 2023 (besluit 2) heeft de ACM besloten om ook het bestreden besluit 1 te publiceren. 2.8. Vervolgens hebben de beboete vennootschappen beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam, sector Bestuursrecht. De rechtbank heeft op 8 januari 2025 uitspraak gedaan. In die uitspraak is besluit 1 vernietigd voor zover dat ziet op de hoogte van de opgelegde boetes en op de publicatie van de boetebedragen en de onderbouwing daarvan. De totale boetebedragen die aan de ACM moeten worden voldaan zijn door de rechtbank voor de drie groepen van vennootschappen bepaald op respectievelijk € 7.655.000,--, € 15.736.500, en € 995.000,--. Verder heeft de rechtbank Rotterdam bepaald dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van besluit 1. Besluit 2 is door de rechtbank vernietigd voor zover dat ziet op de publicatie van de bij besluit 1 vastgestelde boetebedragen en de onderbouwing daarvan, alsmede voor zover daarin gegevens niet onleesbaar zijn gemaakt met inachtneming van de punten 12.6, 12.7 en 12.8 van een uitspraak van een voorzieningenrechter van 12 februari 2024. 2.9. Van deze uitspraak is door de beboete vennootschappen hoger beroep ingesteld bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (verder te noemen: CBb). Deze heeft tot op heden nog geen uitspraak gedaan. 2.10. De leghennenhouders die zich hebben verenigd in de Stichting , hebben hun beweerde vorderingen op Wulro c.s. strekkende tot vergoeding van de schade die zij door de gestelde kartelvorming hebben geleden op de voet van artikel 3:94 lid 3 BW door middel van een onderhandse akte (stil) gecedeerd aan de Stichting . De afzonderlijke cessieovereenkomsten zijn, op diverse momenten, ter registratie aangeboden aan de Belastingdienst, afdeling Centrale administratieve processen, kantoor Rotterdam, laatstelijk op 19 juni 2025. 2.11. De Stichting heeft Wulro c.s. bij brieven van 29 april 2024 aansprakelijk gesteld voor de schade die de leghennenhouders hebben geleden als gevolg van het (gestelde) kartel (dagvaarding, productie 3). Daarbij is medegedeeld dat een groot aantal leghennenhouders (“ruim meer dan 100”) hun vorderingen tot schadevergoeding aan de Stichting hebben gecedeerd. De identiteit van de cederende leghennenhouders is daarbij niet bekend gemaakt 2.12. Door de leghennenhouders die hun beweerde vorderingen hebben gecedeerd aan de Stichting is telkens met de Stichting een gelijkluidende cessieovereenkomst gesloten, die – voor zover in het kader van dit geschil van belang – als volgt luidt: “(…) OVERWEGINGEN (A) De Autoriteit Consument en Markt (" ACM ") heeft op 22 december 2022 boetes opgelegd aan de ondernemingen Wulro , Interovo en Global1 ("de Kartellisten ") vanwege het maken van verboden afspraken met betrekking tot de inkoop van industrie-eieren. Deze afspraken omvatten onder andere overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen over de inkoopprijs van eieren van leghennenhouders, het verdelen van leveranciers en het uitwisselen van concurrentiegevoelige informatie (de " Kartels "). De Kartels duurden ten minste van 13 april 2015 tot en met 1 maart 2016 (tussen Wulro en Interovo ) en 1 maart 2016 en 1 augustus 2019 (tussen Wulro en Global) (de " Kartelperiode ”), waarbij de verboden afspraken in ieder geval effect hadden op de markt in Nederland, België en Noordwest-Duitsland. (B) De Leghennenhouder is gevestigd in Nederland of België en heeft eieren verkocht in de Kartelperiode . De Leghennenhouder heeft schade geleden als gevolg van het Kartel en/of overige concurrentiebeperkende en/of onrechtmatige afspraken of gedragingen en/of wanprestatie door Kartellisten of gelieerde ondernemingen of personen. Deze schade heeft zich onder meer gerealiseerd in de vorm van te lage ontvangen prijzen voor verkochte eieren. De schade kan zich hebben voorgedaan in de Kartelperiode en een periode na het Kartel vanwege na-ijleffecten door het Kartel. De schade kan zich ook hebben voorgedaan vanwege concurrentiebeperkende afspraken of gedragingen van Kartellisten buiten de Kartelperiode , bijvoorbeeld als nieuwe afspraken of gedragingen aan het licht komen die de ACM (nog) niet heeft vastgesteld op dit moment. De schade kan zich ook hebben voorgedaan bij de verkoop andere typen eieren dan industrie-eieren, waaronder in ieder geval tafeleieren, als gevolg van zogenoemde umbrella-effecten (de "Schade"). De Leghennenhouder heeft voor deze Schade op grond van een of meerdere rechtsgronden, waaronder maar niet beperkt tot onrechtmatige daad, wanprestatie en onrechtmatige verrijking, een of meer vorderingen verkregen op de Kartellisten (de " Vorderingen "). (C) De Stichting is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk die de belangen behartigt van leghennenhouders. De Stichting zet zich in het bijzonder in voor de belangen van leghennenhouders die eieren hebben verkocht en benadeeld zijn door schendingen van concurrentieregels en andere onrechtmatige gedragingen en wanprestatie door afnemers van eieren. (D) De Stichting is voornemens een juridische procedure te voeren en/of een schikking te treffen om compensatie te verkrijgen van Kartellisten en/of gelieerde ondernemingen of personen voor de door de leghennenhouders geleden Schade (de " Actie "). (…) (F) De Leghennenhouder wenst al zijn Vorderingen te verkopen en over te dragen aan de Stichting ten behoeve van de Actie , en de Stichting wenst alle Vorderingen van de Leghennenhouder te kopen en te verkrijgen in overeenstemming met de voorwaarden van deze Overeenkomst. KOMEN ALS VOLGT OVEREEN: 1 Koop en Verkoop en Levering Vorderingen 1.1 De Leghennenhouder verkoopt hierbij alle Vorderingen aan de Stichting en de Stichting koopt hierbij die Vorderingen van de Leghennenhouder voor een koopprijs (de "Koopprijs") waarvan de omvang afhankelijk is van de uitkomst van de Actie in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.1. 1.2 De Leghennenhouder levert hierbij door middel van stille cessie in overeenstemming met het bepaalde in artikel 94 lid 3 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek alle Vorderingen aan de Stichting en de Stichting aanvaardt hierbij de levering van die Vorderingen . De Stichting is te allen tijde bevoegd om mededeling te doen aan de debiteuren van de Vorderingen . 1.3 De Stichting zal deze Overeenkomst binnen vijf werkdagen na de datum van deze Overeenkomst ter registratie aanbieden aan de Belastingdienst. 1.4 Voor zover geen geldige overdracht van één of meer Vorderingen heeft plaatsgevonden verbindt de Stichting zich jegens Leghennenhouder om als lasthebber op te treden voor de Actie , en de Stichting is daarmee bevoegd tot het innen van de Vorderingen , het voeren van een juridische procedure, het treffen van een schikking met een of meerdere Kartellisten en verder al datgene te doen wat de Stichting als lasthebber in het belang van Leghennenhouder als lastgever gewenst, nuttig of noodzakelijk zal achten en de Leghennenhouder als lastgever zelf tegenwoordig zijnde, zou kunnen, mogen of moeten doen. Hiermee is sprake van een lastgevingsovereenkomst in de zin van artikel 7:414 BW, waarbij de Stichting op eigen naam zal handelen. De Stichting verbindt zich om zich naar eer en geweten van haar last te kwijten en deze uit te voeren, zoals een goed lasthebber betaamt en is gerechtigd de last geheel naar eigen inzicht uit te voeren. Lasthebber is niet aansprakelijk voor schade van lastgever ten gevolge of naar aanleiding van deze overeenkomst of de uitvoering hiervan en lastgever vrijwaart lasthebber voor eventuele aanspraken ter zake van derden, zulks behoudens opzet of bewuste roekeloosheid van lasthebber zelf. Deze uitsluiting en vrijwaring gelden eveneens voor de eventuele hulppersonen en ondergeschikten die door de Stichting bij deze Overeenkomst of de uitvoering daarvan betrokken zijn. (…)” 2.13. De in de cessieovereenkomst onder (A) vermelde voetnoot 1 luidt als volgt: “ Interovo : Weko Egg Trading B.V., Interovo Services B.V., Interovo Egg Group B.V., en Interovo Beheer B.V. Wulro : Eiprodukten Wulro B.V., Wulms Egg Group B.V. en Stichting Administratiekantoor Wulro Food Group Global: Global Food Group B.V., Global Food Holding B.V en [gedaagde 26] B.V.” 2.14. De cessieovereenkomsten zijn door de Stichting (als productie 10) bij dagvaarding in het geding gebracht. De namen van de cederende leghennenhouders zijn in die producties weggelakt. Ten aanzien van twee gecedeerde vorderingen , te weten die van - [V.O.F.] en [persoon 1] (eveneens een vennootschap onder firma), beiden gevestigd te [plaats 5] (Nederland), aan [adres 1] en - [persoon 2] en [persoon 3] , te [plaats 6] (België), aan [adres 2] , is de identiteit door de Stichting bekend gemaakt in haar antwoordakte naar aanleiding van de rolbeschikking van 8 januari 2025. 3 Het geschil Het geschil is in de rolbeschikking verkort weergegeven in nummer 2.1. In de ‘akte n.a.v. rolbeschikking d.d. 8 januari 2025, tevens vermeerdering van eis’ alsmede in de ‘akte producties ten behoeve van de mondelinge behandeling, tevens akte eiswijziging’ heeft de Stichting het petitum aldus gewijzigd dat zij ten aanzien van twee leghennenhouders (met de cessieakten nummer 4 en 14) de vordering tot schadevergoeding intrekt en dat zij ten aanzien van vijf leghennenhouder (met de cessieakten nummers 111, 112, 113, 114 en 115), die hun vorderingen tot schadevergoeding na het uitbrengen van de dagvaarding aan de Stichting hebben overgedragen, alsnog een vordering instelt. 4 De verdere beoordeling Inleidende opmerkingen 4.1. In de rolbeschikking van 8 januari 2025 heeft de rechtbank (onder r.o. 3.3.) overwogen dat het wenselijk is dat door de rechtbank op een aantal punten van procedurele aard beslissingen worden genomen, voordat er een inhoudelijke voortzetting van het debat plaatsvindt. Deze punten betroffen: - de incidentele vordering van gedaagden tot aanhouding van de zaak, in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het CBb; - de incidentele vordering van de Stichting tot inzage; - de inningsbevoegdheid van de Stichting op grond van de stille cessie dan wel lastgeving, waarbij mede een rol speelt de belangen die ieder der partijen heeft bij het al dan niet bekend worden van de identiteit van de leghennenhouders die hun vorderingen aan de Stichting hebben gecedeerd; 4.2. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zich in de aktewisseling omtrent deze punten uit te laten. Buiten genoemde geschilpunten is van de zijde van Wulro c.s. in de aktewisseling het verweer gevoerd dat de cederende leghennenhouders blijkens de tekst van de cessieakten slechts vorderingen op de beboete vennootschappen aan de Stichting hebben overgedragen, zodat de vorderingen ten aanzien van alle overige gedaagden moeten worden afgewezen. 4.3. De rechtbank zal in dit vonnis slechts een beslissing nemen ten aanzien van de hiervoor (in 4.1. en 4.2.) genoemde onderwerpen. Dat betekent dat op eventuele andere geschilpunten die partijen in hun aktewisseling hebben opgeworpen, pas in een later vonnis zal worden beslist. 4.4. De rechtbank dient, alvorens zij kan toekomen aan de beoordeling van bedoelde procedurele punten te beoordelen of zij rechtsmacht heeft en zo ja, welk recht van toepassing is, aangezien het geschil een internationaal aspect heeft in verband met de vestigingsplaats van in ieder geval één leghennenhouder (maar waarschijnlijk meerdere leghennenhouders) in het buitenland. De bevoegdheid van de rechtbank 4.5. In de inleidende dagvaarding heeft de Stichting gesteld dat de rechtbank bevoegd is op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (verder te noemen Brussel I bis-Vo.). Wulro c.s. hebben geen verweer gevoerd ten aanzien van de internationale bevoegdheid. Ondanks de internationale component aan het geschil in verband met de vestigingsplaats van leghennenhouders in het buitenland, is de rechtbank – nu niet is gebleken dat er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 24 Brussel I bis-Vo. bij uitsluiting bevoegd is – in ieder geval bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 26 van de Brussel I bis-Vo. (stilzwijgende forumkeuze). Het toepasselijke recht 4.6. De vraag naar het toepasselijk recht betreft allereerst de vordering in de hoofdzaak. Ten tweede dient te worden beslist welk nationaal recht van toepassing is op de cessies door de leghennenhouders van hun beweerde vorderingen aan de Stichting . - het op de vordering in de hoofdzaak toepasselijk recht 4.7. De vordering in de hoofdzaak is gebaseerd op onrechtmatig handelen van Wulro c.s. jegens de leghennenhouders, bestaande in (de gestelde) kartelvorming door Wulro c.s. bij aankoop van eieren van de leghennenhouders. Het toepasselijk recht dient in dat geval te worden bepaald aan de hand van Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (verder te noemen: Rome II). Deze verordening is op grond van artikel 2 jo. artikel 31 daarvan toepasselijk. 4.8. Rome II kent in artikel 6 een speciale verwijzingsregel voor gevallen van oneerlijke concurrentie en daden die de vrije concurrentie beperken. Dat artikel luidt, voor zover in het kader van dit geschil van belang, als volgt: “(…) 3.a)De niet-contractuele verbintenis die uit een beperking van de mededinging voortvloeit, wordt beheerst door het recht van het land waarvan de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt. b)Wanneer de markt beïnvloed wordt of waarschijnlijk beïnvloed wordt in meer dan één land, mag de persoon die schadevergoeding vordert bij het gerecht van de woonplaats van de verweerder, echter verkiezen zijn vordering te gronden op het recht van het gerecht waarbij hij het geschil aanhangig heeft gemaakt, mits de markt in die lidstaat een van de markten is die rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloed worden door de beperking van de mededinging waaruit de niet-contractuele verbintenis voortvloeit waarop de vordering is gebaseerd. Wanneer de eiser, overeenkomstig de toepasselijke regels betreffende de rechterlijke bevoegdheid, meer dan één verweerder voor dat gerecht daagt, kan hij uitsluitend kiezen om zijn vordering op het recht van dat gerecht te gronden indien de beperking van de mededinging, waarop de vordering tegen elk van deze verweerders berust, ook de markt van de lidstaat van dat gerecht rechtstreeks en aanzienlijk beïnvloedt.(…)” 4.9. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de leghennenhouders die hun vorderingen hebben gecedeerd aan de Stichting enkel in Nederland en in België zijn gevestigd. De rechtbank begrijpt verder de stellingen van de Stichting aldus dat zij van oordeel is dat door het beweerde onrechtmatige handelen van Wulro c.s. de markt voor de aankoop van legheneieren in Nederland en België is beïnvloed, omdat daar de leghennenhouders zijn gevestigd die hun beweerde vorderingen aan de Stichting hebben gecedeerd. Dat brengt mee dat het bepaalde onder artikel 6 lid 3 onder b Rome II van toepassing is. 4.10. Nu op grond van het partijdebat voldoende aannemelijk is geworden de markt in Nederland rechtstreeks en aanzienlijk is beïnvloed indien de gestelde beperking van de mededinging in deze procedure komt vast te staan, kan de Stichting haar vorderingen die zij van zowel Nederlandse als Belgische leghennenhouders heeft verkregen op grond van artikel 6 lid 3 sub b Rome II baseren op Nederlands recht, als zijnde het recht van het gerecht waar de vordering aanhangig is gemaakt. Uit het gestelde in randnummer 227 van de inleidende dagvaarding volgt dat de Stichting voor toepasselijkheid van Nederlands recht heeft gekozen. Dat brengt mee dat op de door de Stichting ingestelde vorderingen Nederlands recht van toepassing is. - het op de cessie toepasselijk recht 4.11. Ten aanzien van de (gepretendeerde) vorderingen die zijn gecedeerd door de Nederlandse leghennenhouders geldt dat de cessie van die vorderingen wordt beheerst door het Nederlandse recht, nu zowel de cedenten (in casu de leghennenhouders), de cessionaris (in casu de Stichting ) als de debiteuren (de gedaagden die door kartelvorming onrechtmatig hebben gehandeld) in Nederland zijn gevestigd. 4.12. Het nationaal recht dat van toepassing is op de cessies van de Belgische leghennenhouders wordt aangewezen door Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (verder te noemen: Rome I). Deze toepasselijkheid volgt uit de artikelen 1, 2 en 28 van Rome I. 4.13. Artikel 14 Rome I bevat een specifieke verwijzingsregel voor een cessie van vorderingen . Deze bepaling luidt als volgt: “1. De betrekkingen tussen cedent en cessionaris (…) worden beheerst door het recht dat ingevolge deze verordening op de tussen hen bestaande overeenkomst van toepassing is. 2. Het recht dat de gecedeerde of gesubrogeerde vordering beheerst, bepaalt de vraag of de vordering voor cessie of subrogatie vatbaar is alsmede de betrekkingen tussen cessionaris of subrogant en schuldenaar, de voorwaarden waaronder de cessie of subrogatie aan de schuldenaar kan worden tegengeworpen en of de schuldenaar door betaling is bevrijd. 3. Het concept cessie in dit artikel omvat daadwerkelijke overdrachten van vorderingen , overdrachten van vorderingen tot zekerheid alsmede verpandingen en andere zekerheidsrechten op vorderingen .” 4.14. Uit deze bepaling volgt dat voor de beantwoording van de vraag welk recht van toepassing is op de cessie, moet worden onderscheiden tussen een aantal aspecten die aan de cessie zijn verbonden, te weten: (i) de overdraagbaarheid van de vordering, (ii) de verhouding tussen de cessionaris en de debiteur en (iii) de verhouding tussen cedent en cessionaris. 4.15. De vraag of de vordering overdraagbaar is, wordt blijkens artikel 14 lid 2 Rome I beheerst door het recht dat de gecedeerde vordering beheerst (het vorderingstatuut). In casu is dat, zoals hiervoor overwogen (rov. 4.10), ook ten aanzien van de door de Belgische leghennenhouders gecedeerde vorderingen het Nederlands recht. Op grond van artikel 14 lid 2 Rome I wordt ook de rechtsverhouding tussen de cessionaris (in casu de Stichting ) en de debiteur dan wel debiteuren (in casu de gedaagden die aansprakelijk zijn voor de kartelvorming), beheerst door het vorderingsstatuut c.q. het Nederlands recht. 4.16. Lid 1 van artikel 14 Rome I ziet op de verhouding tussen de cederende Belgische leghennenhouders en de Stichting . Volgens dat artikellid wordt die verhouding beheerst door het recht dat op grond van de verordening op de tussen hen bestaande cessieovereenkomst van toepassing is. Uit preambule 38 van Rome I volgt dat niet alleen de verbintenisrechtelijke verhouding tussen de cedent en cessionaris, maar ook de goederenrechtelijke aspecten van de verhouding tussen cedent en cessionaris door dit toepasselijke recht wordt beheerst. 4.17. Artikel 3 Rome I laat een rechtskeuze toe. Uit de cessieovereenkomsten betreffende in België gevestigde leghennenhouders die hun beweerde vorderingen op Wulro c.s. aan de Stichting hebben overgedragen, blijkt dat op die overeenkomsten Nederlands recht van toepassing is verklaard. De leghennenhouders als cedenten en de Stichting als cessionaris hebben rechtsgeldig kunnen kiezen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht op de cessieovereenkomsten. 4.18. De conclusie van het voorgaande is dat niet alleen op de cessies van de vorderingen van de Nederlandse leghennenhouders, maar ook op de cessies van de vorderingen van de Belgische leghennenhouders het Nederlands recht van toepassing is. Omtrent de aanhouding van de procedure tot het CBb een eindbeslissing heeft gegeven 4.19. Wulro c.s. stellen zich op het standpunt dat de onderhavige procedure moet worden aangehouden, totdat het CBb een eindbeslissing heeft gegeven omtrent de geldigheid van de boetebesluiten. Daartoe voeren zij het volgende aan. 4.20.1. Uit het oogpunt van een efficiënte procesvoering alsmede op grond van de eisen van behoorlijke rechtspleging dient deze procedure te worden aangehouden totdat onherroepelijk is beslist omtrent de geldigheid van de boetebesluiten. De rechtbank Rotterdam heeft het bezwaar tegen beide besluiten weliswaar slechts ten aanzien van de hoogte van de boetes gegrond verklaard, maar hiertegen is door de beboete vennootschappen hoger beroep ingesteld bij het CBb. Zolang door het CBb geen beslissing is genomen, zijn de boetes nog niet onherroepelijk. Er bestaat een redelijke twijfel over de juistheid van de boetebesluiten en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, zodat de boetebesluiten uiteindelijk geen stand zullen houden. 4.20.2. De stelling van de Stichting dat gedaagden onrechtmatig jegens de leghennenhouders hebben gehandeld, zo betogen Wulro c.s. voorts, is volledig en uitsluitend gebaseerd op de boetebesluiten van de ACM . Op grond van artikel 161a Rv. leveren deze besluiten in de onderhavige procedure pas dan een onweerlegbaar bewijs op van de vastgestelde inbreuk, indien zij onherroepelijk zijn geworden. Pas als er op deze wijze definitief duidelijkheid is verkregen over de mededingingsrechtelijke context, kunnen overwogen beslissingen worden genomen omtrent de vraag of de beboete vennootschappen onrechtmatig hebben gehandeld. Het aanhouden van de zaak voorkomt dat er onnodig wordt geprocedeerd en voorkomt dat moet worden gedebatteerd over feiten en omstandigheden die de Stichting ten onrechte ontleent aan de boetebesluiten. Dit levert voor alle betrokkenen, inclusief de rechtbank, een aanzienlijke besparing van kosten en tijd op. 4.20.3. Aanhouding van de procedure totdat onherroepelijk is beslist omtrent de juistheid van de boetebesluiten voorkomt bovendien, zo stellen Wulro c.s. verder, de kans dat er tegenstrijdige uitspraken worden gewezen in de onderhavige civiele procedure en de administratiefrechtelijke rechtsgang betreffende de boetebesluiten. Ook de leer van de formele rechtskracht onderschrijft het belang om de zaak aan te houden. Bovendien volgt uit de beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) van 14 december 2000 (zaak C-344/98, Masterfoods, Jur. 2000, p. I-11369; ECLI:EU:C:2000:689) dat de zaak moet worden aangehouden totdat onherroepelijk op de boetebesluiten is beslist, teneinde tegenstrijdige uitspraken te voorkomen. 4.20.4. Een andere reden om de zaak aan te houden is volgens Wulro c.s. dat de Hoge Raad in zijn beslissingen van 20 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:945, Truckkartel en ECLI:NL:HR:2025:946, Luchtvrachtkartel ) prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie. In die procedure is onder andere de vraag aan de orde of één enkele, voortdurende inbreuk is te beschouwen als één onrechtmatige gedraging, die resulteert in één schadevergoeding per benadeelde, of dat het betreft een onrechtmatige gedraging die per transactie leidt tot afzonderlijke schadevorderingen. De beantwoording van die vraag is volgens Wulro c.s. van belang om de door de Stichting ingestelde vorderingen te beoordelen, omdat dit gevolgen heeft voor de stelplicht die op de Stichting rust en in het bijzonder voor hetgeen zij reeds in de dagvaarding had moeten stellen. 4.21. De Stichting verzet zich tegen een aanhouding van de procedure totdat de boetebesluiten onherroepelijk zijn geworden. Op haar verweer zal hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader worden ingegaan. 4.22. De rechtbank oordeelt omtrent de incidentele vordering tot aanhouding als volgt. 4.23. De beginselen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter er op toeziet dat een procedure voortvarend wordt afgehandeld en dat er binnen een redelijke termijn uitspraak wordt gedaan. Ook het beginsel van doeltreffendheid, zoals onder meer neergelegd in artikel 4 van Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 (hierna: de Kartelschaderichtlijn), brengt in mededingingszaken mee dat procedures niet onnodig mogen worden vertraagd, omdat dat afbreuk doet aan het recht van de benadeelden van kartelvorming om binnen een redelijke termijn een rechterlijk oordeel te krijgen over die kartelvorming en om de daaruit voortvloeide schade vergoed te krijgen. Als uitgangspunt heeft derhalve te gelden dat de Stichting (dan wel de benadeelden) er recht op en belang bij heeft dat onderhavige procedure niet onredelijk wordt vertraagd, zodat zij op korte termijn, nadat in de bestuursrechtelijke procedure onherroepelijk is beslist omtrent de boetebesluiten, in deze civielrechtelijke follow-on-procedure duidelijkheid verkrijgt omtrent de civielrechtelijke aansprakelijkheid van Wulro c.s. Het verzoek om aanhouding kan dan ook slechts worden toegewezen indien het belang dat Wulro c.s. daarbij hebben, zwaarder weegt dan voornoemd belang van de Stichting dan wel de benadeelden. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank in casu geen sprake. 4.24. De enkele omstandigheid dat de boetebesluiten nog niet onherroepelijk zijn, is op zichzelf geen reden om onderhavige procedure aan te houden, zelfs niet indien de uiteindelijke beslechting van het geschil zou afhangen van de geldigheid van die boetebesluiten. Redengevend daarvoor is ten eerste dat de rechtbank Rotterdam de besluiten van de ACM naar de kern genomen in stand heeft gehouden. Hoewel de boetebesluiten momenteel nog geen formele rechtskracht hebben, moet de rechtbank in beginsel uitgaan van de juistheid van de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en daarmee ook van de juistheid van de boetebesluiten (zie HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1700, NJ 1977/166, rov. 3.6). Anders dan door Wulro c.s. is betoogd, is het op grond van hetgeen Wulro c.s. hebben gesteld, niet evident dat de uitspraak van de rechtbank Rotterdam zal worden vernietigd en de boetebesluiten geen stand zullen houden. Er is in onderhavige procedure dus geen reden om op een eventuele vernietiging vooruit te lopen. Daarmee is op dit moment niet het oordeel gerechtvaardigd dat het doorprocederen voor de betrokkenen, waaronder de rechtbank, ineffectief is en nodeloos kostenverhogend, zodat Wulro c.s. om die reden belang zouden hebben bij de aanhouding. 4.25. De stelling van Wulro c.s. dat uit het Masterfoods-arrest zou volgen dat deze follow-on-procedure moet worden aangehouden totdat de boetebesluiten onherroepelijk zijn geworden, wordt verworpen. Het Hof van Justitie heeft in bedoeld arrest beslist dat de nationale rechter (als een met overheidsgezag beklede instantie van een lidstaat) zich moet onthouden van beslissingen die verwezenlijking van de doelstellingen van het EU-Verdrag in gevaar kunnen brengen (rov. 49). Dit brengt onder meer mee dat, indien de beslechting van een geschil door de nationale rechter omtrent de geldigheid van overeenkomsten of gedragingen afhangt van de geldigheid van een beschikking van de Europese Commissie in het geval van parallelle procedures voor nationale en communautaire rechterlijke instanties, de nationale rechter de procedure moet schorsen totdat een definitieve beslissing is genomen door de communautaire rechterlijke instantie (rov. 57). In casu is sprake van een follow-on-procedure naar aanleiding van een boetebesluit van een nationale mededingingsautoriteit en niet van een beschikking van de Europese Commissie. Uit het Masterfoods-arrest, dat direct noch indirect van toepassing is op de verhouding tussen de nationale rechter en nationale mededingingsautoriteit, volgt dan ook geen verplichting om onderhavige zaak aan te houden. 4.26. Op dit moment verkeert de hoofdzaak nog niet in staat van wijzen, zodat er thans ook geen risico bestaat dat een eindbeslissing van deze rechtbank in strijd zal zijn met de uitkomst van het beroep tegen de besluiten van de ACM . Alvorens de rechtbank in staat zal zijn om een eindbeslissing te nemen omtrent de aansprakelijkheid van Wulro c.s. voor de gestelde kartelvorming, dient eerst te worden beslist op een aantal geschilpunten van formele en materiële aard. De zowel uit artikel 20 Rv. als ook uit het doeltreffendheidsbeginsel voortvloeiende verplichting om te waken tegen een onredelijke vertraging van de procedure, brengt mee dat op die geschilpunten zoveel mogelijk wordt beslist vooruitlopend op de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedure omtrent de boetebesluiten. 4.27. Voorts volgt uit de eigen stellingen van Wulro c.s. dat de Stichting er belang bij heeft dat op zo kort mogelijke termijn wordt beslist op de incidentele vordering tot inzage en dat, indien die incidentele vordering wordt toegewezen, die inzage ook zo snel mogelijk wordt verkregen. Daartoe geldt het volgende. Door Wulro c.s. is gesteld (akte na rolbeschikking, 30) dat de boetebesluiten wegens procedurele gebreken vernietigd moeten worden en dat deze om die reden in deze follow-on-procedure niet tot het bewijs kunnen worden gebruikt. Volgens Wulro c.s. zal de Stichting het bewijs van haar zaak zelfstandig moeten leveren. Uit deze stellingname van Wulro c.s. volgt dat het verkrijgen van inzage in de administratie voor de Stichting van cruciaal belang kan zijn voor het leveren van dat bewijs door de Stichting . Dat de Stichting in dat geval belang heeft bij een inzage op zo kort mogelijke termijn, volgt onder meer uit de stelling van Wulro c.s. dat zij alle administratie die ouder is dan zeven jaar reeds heeft vernietigd. Voorkomen moet worden dat een aanhouding van de beslissing omtrent het recht op inzage, meebrengt dat de bewijspositie van de Stichting – indien wordt geoordeeld dat zij recht op inzage heeft – wordt benadeeld door een verdere vernietiging van de administratie door Wulro c.s. 4.28. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te wachten op het antwoord van het Hof van Justitie op de door de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vragen. Het antwoord op deze vragen is niet dermate relevant dat dat rechtvaardigt dat de onderhavige procedure wordt aangehouden. 4.29. Verder is van belang dat niet duidelijk is wanneer het CBb een einduitspraak zal doen en of er nog meer vertraging dreigt als de zaak aan het Europees Hof van Justitie zal worden voorgelegd. 4.30. De slotsom van het voorgaande is dan ook dat de eisen van een behoorlijke rechtspleging op dit moment meebrengen dat de rechtbank de behandeling van de zaak niet aanhoudt totdat het CBb een einduitspraak heeft gedaan. De gevolgen van de cessies 4.31. In de rolbeschikking heeft de rechtbank partijen de gelegenheid gegeven om zich uit te laten omtrent de geldigheid van de cessies van de vorderingen van de leghennenhouders aan de Stichting . Uit het partijdebat zoals dat is gevoerd in de aktes na de rolbeschikking en tijdens de mondelinge behandeling, volgt dat partijen het er met elkaar over eens zijn dat de cessies op zichzelf rechtsgeldig zijn geschied, maar dat partijen met elkaar van mening verschillen over de vraag of de Stichting op grond van de (op zichzelf geldige) cessies bevoegd is om de vorderingen te innen. Voorts zijn Wulro c.s. van oordeel dat op grond van de tekst in de aktes van cessie slechts vorderingen zijn overgedragen die de cedenten stellen te hebben op de beboete vennootschappen. Ten aanzien van gedaagden die niet door de ACM zijn beboet, is volgens Wulro c.s. dan ook door de leghennenhouders geen vordering aan de Stichting gecedeerd, zodat in deze procedure ten aanzien van deze gedaagden de vorderingen moet worden afgewezen. De Stichting betwist dit verweer van Wulro c.s. Volgens haar was het de bedoeling van partijen bij de cessies om ook de vorderingen over te dragen die de leghennenhouders hebben op de gedaagde partijen die niet door de ACM zijn beboet. De rechtbank zal hierna eerst de vraag behandelen met betrekking tot welke gedaagden door middel van de cessie een (gestelde) vordering aan de Stichting is overgedragen. Vervolgens zal aan de orde komen of de Stichting op grond van de cessies inningsbevoegd is geworden. - ten aanzien van de vraag welke vorderingen zijn overgedragen 4.32. Bij de beantwoording van de vraag ten aanzien van welke debiteuren op grond van de akte van cessie een vordering op de Stichting is gecedeerd, stelt de rechtbank het volgende voorop. De levering van een vordering op naam geschiedt ofwel bij een onderhandse akte met mededeling van de akte aan de schuldenaar (artikel 3:94 lid 1 BW) ofwel bij een authentieke of geregistreerde onderhandse akte, zonder mededeling daarvan aan de schuldenaar (artikel 3:94 lid 3 BW). Bij de uitleg van de akte van cessie komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Een van die uitleg te onderscheiden en zelfstandig te beoordelen vraag is of is voldaan aan het uit art. 3:84 lid 2 voortvloeiende vereiste dat de cessieakte ten tijde van de cessie de te cederen vordering(en) in voldoende mate bepaalt (HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1841, NJ 2020/33 m.nt. F.M.J. Verstijlen). Aan dit bepaaldheidsvereiste is volgens vaste rechtspraak voldaan als de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering(en) het gaat (HR 14 oktober 1994; ECLI:NL:HR:1994:ZC1488, NJ 1995/447 m.nt. W.M. Kleijn). De bedoeling van de partijen bij de akte is voor de beoordeling of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste niet relevant, voor zover die bedoeling niet aan de hand van gegevens in de akte zelf, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld. Of die bedoeling aan de hand van gegevens in de akte kan worden vastgesteld, berust op een waardering van de feiten. Gezien bovenstaande maatstaf is voor de beantwoording van de vraag of in onderhavige zaak behalve de vorderingen aan de beboete vennootschappen tevens vorderingen op de overige gedaagden zijn overgedragen, van belang of aan de hand van gegevens in de akte van cessie kan worden bepaald of de leghennenhouders naast vorderingen op de beboete vennootschappen ook vorderingen op andere (rechts)personen hebben overgedragen en zo ja, welke vorderingen dat betreft. 4.33. De vraag of partijen de bedoeling hebben gehad om aan de Stichting ook (gepretendeerde) vorderingen over te dragen op de gedaagden die niet door de ACM zijn beboet behoeft geen beantwoording. Ook indien de leghennenhouders en de Stichting die bedoeling hebben gehad - voor welk standpunt steun is te vinden in de tekst van de cessieovereenkomsten -, dan nog heeft te gelden dat partijen in de tekst van de akte, bij de definiëring van de vorderingen die worden overgedragen, uitsluitend vorderingen op de beboete vennootschappen in de definitie hebben opgenomen als de vorderingen die op de Stichting worden overgedragen. Daarmee zijn dus slechts de vorderingen op de beboete vennootschappen in voldoende mate bepaald als de vorderingen die worden overgedragen. De rechtbank komt op grond van onderstaande overwegingen tot dit oordeel. 4.34. In de cessieovereenkomsten is in de considerans (onder A) opgenomen dat de ACM op 22 december 2022 boetes heeft opgelegd aan de ondernemingen Wulro , Interovo en Global, welke vennootschappen in de considerans worden gedefinieerd als "de Kartellisten ". Volgens noot 1 van die overeenkomst moeten de “ Kartellisten ” nader worden omschreven als een groep bestaande uit de volgende ondernemingen: Interovo : Weko Egg Trading B.V., Interovo Services B.V., Interovo Egg Group B.V., en Interovo Beheer B.V.; Wulro : Eiprodukten Wulro B.V., Wulms Egg Group B.V. en Stichting Administratiekantoor Wulro Food Group ; Global: Global Food Group B.V., Global Food Holding B.V. en [gedaagde 26] B.V. Dit zijn, zo constateert de rechtbank, de beboete vennootschappen. Vervolgens wordt in de considerans (onder B) verklaard dat de leghennenhouder wegens de kartelvorming één of meerdere vorderingen heeft verkregen op de Kartellisten , welke vorderingen worden gedefinieerd als de ‘ Vorderingen ’. Hiermee volgt aldus uit de tekst van de akte en in het bijzonder uit de uitdrukkelijk gedefinieerde begrippen, dat met ‘ Vorderingen ’ wordt bedoeld vorderingen op de gedefinieerde groep van kartellisten , zijnde de beboete vennootschappen. Vervolgens wordt in artikel 1.1. overeengekomen dat de leghennenhouder alle ‘ Vorderingen ’ verkoopt aan de Stichting . Indien aan de hand van de gegevens in de cessieakte moet worden bepaald welke vorderingen worden gecedeerd, dan volgt uit de tekst dat dit uitsluitend de vorderingen zijn op de beboete vennootschappen. Weliswaar wordt in de considerans onder B en D van de cessieakte verklaard dat de cederende leghennenhouder schade heeft geleden door gedragingen van kartellisten of gelieerde ondernemingen of personen en dat de leghennenhouder schadevergoeding wenst te verkrijgen van die kartellisten of gelieerde ondernemingen of personen, maar de groep van gelieerde ondernemingen en personen is verder niet in de cessieakte gedefinieerd. De term gelieerde ondernemingen en personen is op zichzelf onvoldoende bepaald, zodat de gepretendeerde vorderingen op deze ondernemingen en personen ook om die reden voldoende bepaalbaar zijn. - inning van de vorderingen op grond van lastgeving 4.35. De Stichting heeft zich (subsidiair) beroepen op artikel 1.4 uit de cessieovereenkomsten. Daarin heeft zij, aldus de Stichting , met de leghennenhouders afgesproken dat zij, voor zover geen geldige overdracht van één of meer vorderingen heeft plaatsgevonden, in eigen naam als lasthebber de vorderingen zal innen. De rechtbank begrijpt de stellingen van de Stichting aldus dat zij daarmee niet alleen doelt op niet overgedragen vorderingen tegen de beboete vennootschappen, maar ook op vorderingen jegens gelieerde ondernemingen en personen. 4.36. Wulro c.s. hebben niet betwist dat de cessieovereenkomsten een grondslag bieden voor lastgeving. Zij hebben wel gesteld dat geen sprake kan zijn van lastgeving naast een geldige overdracht van de vorderingen , maar dat verweer gaat in dit geval niet op, nu het juist gaat om vorderingen die wegens onvoldoende bepaalbaarheid niet zijn overgedragen. De eis dat de vordering voldoende bepaald moet zijn, geldt niet voor de overeenkomst waarbij de crediteur aan een ander de bevoegdheid geeft om als lasthebber in eigen naam in rechte op te treden. Eerst indien het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft, zal de lasthebber voldoende concrete feiten moeten stellen omtrent de crediteur namens wie en de grondslag waarop de vordering wordt ingesteld, zodat aldus voldoende kan worden bepaald welke vordering tegen de wederpartij wordt ingesteld. 4.37. Naar het oordeel van de rechtbank kan de Stichting daarmee voor de niet overgedragen vorderingen in beginsel een gerechtvaardigd beroep doen op lastgeving, met dien verstande dat dit niet zonder meer betekent dat zij in deze procedure als lasthebber kan optreden zonder de identiteit van de leghennenhouders bekend te maken. Op dit punt, waarop door Wulro c.s. verweer is gevoerd, zal de rechtbank in het navolgende nader ingaan (zie hierna in de nummers 4.65 en 4.66). - ten aanzien van de inningsbevoegdheid 4.38. De Stichting heeft in haar brief van 29 april 2024 aan Wulro c.s. medegedeeld dat 110 leghennenhouders hun vorderingen hebben gecedeerd aan de Stichting . Daarbij is de identiteit van de cederende leghennenhouders niet bekend gemaakt. In deze procedure zijn weliswaar de aktes van cessie overgelegd, maar de namen van de leghennenhouders zijn weggelakt. De Stichting heeft er, zo stelt zij, bewust voor gekozen om de identiteit van de cederende leghennenhouders thans nog niet bekend te maken, omdat de leghennenhouders daarbij een concreet belang hebben. Vanwege de dominante positie van Wulro c.s. op de inkoopmarkt voor eieren, zijn de leghennenhouders namelijk zeer afhankelijk van de afnemers. Zij hebben vaak maar één of enkele afnemers, die allen behoren tot de ondernemingen van Wulro c.s. Indien de identiteit van de leghennenhouders bekend moet worden gemaakt, zullen Wulro c.s. hun sterkere onderhandelingspositie misbruiken om repercussies te nemen, hetgeen negatieve consequenties zal hebben voor de bedrijfsvoering van de leghennenhouders. Leghennenhouders die hun vordering hebben gecedeerd, zullen er dan ook voor kiezen om hun vordering in te trekken, indien zij hun naam bekend moeten maken. 4.39. Volgens de Stichting is het voor haar bevoegdheid om de vorderingen te innen, niet nodig dat (reeds thans) de identiteit van de cederende leghennenhouders aan Wulro c.s. bekend wordt gemaakt. Daartoe voert de Stichting aan dat door het opstellen en de registratie van de aktes van cessie een rechtsgeldige stille cessie heeft plaatsgevonden, die heeft geleid tot een overdracht van de gecedeerde vorderingen . Een mededeling van de cessie aan de debiteur is voor de geldigheid van de stille cessie niet vereist. De vorderingen zijn door de cessies tot het vermogen van de Stichting gaan behoren, zodat de Stichting als rechthebbende inningsbevoegd is (dagvaarding, 169). Indien een mededeling wel noodzakelijk zou worden geacht, dan kan die mededeling altijd nog in een later stadium van de procedure plaatsvinden. Dit doet niet af aan de inningsbevoegdheid voordat die mededeling is gedaan (akte na rolbeschikking Stichting , 78 e.v