Rechtbank Amsterdam, 25-06-2026 (13-093454-26)
Rechtbank Amsterdam
Overlevering. Executie-EAB uit Polen. Na tussenuitspraak om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen omtrent de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon aan de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. Artikel 12; afzien van toepassing van de weigeringsgrond. Overlevering toegestaan.
Case Summary
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-093454-26 Datum uitspraak: 25 juni 2026 UITSPRAAK op de vordering van 7 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 oktober 2025 door de rechtbank Onești, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1989, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, nu gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting 27 mei 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 27 mei 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.C. Fleskens, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. Tussenuitspraak van 10 juni 2026 De rechtbank heeft op 10 juni 2026 een tussenuitspraak gewezen, waarbij het onderzoek ter zitting is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in rubriek 4 vermelde vragen omtrent de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. Zitting 18 juni 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.C. Fleskens en door een tolk in de Roemeense taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak van 10 juni 2026 De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 10 juni 2026. Hierin heeft de rechtbank reeds geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (rubriek 3), de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW met betrekking tot het arrest van het Gerechtshof Bacău, van 12 december 2023, met kenmerk 1064 en met betrekking tot het arrest van het Gerechtshof Bacău, van 5 mei 2025, met kenmerk 396 (rubriek 4), de genoegzaamheid (rubriek 5), de dubbele strafbaarheid van het in het in EAB vermelde feiten (rubriek 6) en de detentieomstandigheden in Roemenië (rubriek 7). Deze overwegingen dienen als hier ingelast te worden beschouwd. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar paragraaf 4 van de tussenuitspraak van 10 juni 2026. De overwegingen in deze rubriek dienen als hier ingelast te worden beschouwd. Ten aanzien van het vonnis van de Rechtbank Onești van 5 september 2025 met kenmerk 639. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 11 juni 2026 vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 12 juni 2026 wederom een D-formulier ingevuld met betrekking tot het vonnis met kenmerk 639 en (door middel van een kruisje) aangegeven dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de procedure die tot het vonnis heeft geleid en daarbij de volgende aanvullende informatie vertrekt: 2.Upon the release of the convicted person, [naam] [lees, naar de Rechtbank aanneemt: [opgeëiste persoon] , on 26.02.2025, the executing court, namely the Onești Court, was not informed, neither by it nor by the administration of the place of detention, of an address at which the convicted person was or should have been contacted by the Romanian judicial authorities. However, re-analyzing the documents in the file, it is found that the convicted person was present, personally and assisted by a lawyer appointed ex officio, at the trial date of 10.03.2025, when he was informed about the new trial date, set for 12.05.2025, as well as about the fact that he is aware of the date and that he will not be summoned again. Even this time, the convicted person did not provide the enforcement court with an address other than the one known to it for the purpose of communicating future procedural documents. At the same time, we inform you that on 20.01.2025, when Mr. [opgeëiste persoon] was heard as a defendant, the president of the court paneled informed him of the obligation “to communicate in writing, within 3 days, any change of address, drawing his attention to the fact that, in the event of failure to fulfill this obligation, the summons and any other documents communicated to the first address remain valid and it is considered that he has taken note of them”. Only upon the communication of the criminal sentence no. 639/05.09.2025, the Bacău Penitentiary Administration sent us the address no. 74236/PBBC/15.09.2025 informing the Onești Court that the convicted person was released on 26.02.2025, from the Găești Penitentiary, also specifying the residential address declared by mr. [opgeëiste persoon] on the date of release. Regarding the address of the Bacău Penitentiary, the enforcement court proceeded to recommunicate the criminal sentence to the address mentioned by the convicted person, namely to the address in [adres] .” Het standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat met de aanvullende informatie van 12 juni 2026 nog steeds niet is aangetoond dat zich ten aanzien van het vonnis met kenmerk 639 één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Zij heeft nogmaals – onder meer – betwist dat de opgeëiste persoon op de zitting van 10 maart 2025 aanwezig was. Bovendien kan – zelfs als van zijn aanwezigheid uit wordt gegaan – niet ondubbelzinnig worden vastgesteld dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a, OLW, omdat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon ervan op de hoogte was gesteld dat op de zitting van 12 mei 2025 een beslissing genomen zou kunnen worden indien hij niet persoonlijk aanwezig zou zijn. Ook heeft hij zijn Roemeense advocaat, die blijkbaar ex officio optrad, niet gemachtigd. Gelet hierop dient de overlevering te worden geweigerd. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie van 12 juni 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest op de zitting die tot dit vonnis heeft geleid. De officier van justitie heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat voor de zitting van 12 mei 2025 de opgeëiste persoon is gedagvaard in persoon waardoor zich de situatie van artikel 12 onder a OLW voordoet. Meer subsidiair heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht af te zien van weigering nu uit de aanvullende informatie blijkt dat hij op het juiste adres is opgeroepen. De opgeëiste persoon heeft zijn verdedigingsrechten dus voldoende kunnen uitoefenen. Het oordeel van de rechtbank Anders dan de officier van justitie, en anders dan (tot twee maal toe) aangegeven in het D-formulier door de uitvaardigende justitiële autoriteit, stelt de rechtbank op grond van de meest recente aanvullende informatie vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen op de zittingen die tot het vonnis hebben geleid. Weliswaar is hij blijkbaar bij één of meer zittingen (tot en met 10 maart 2025) aanwezig geweest. Vast staat echter ook dat hij niet aanwezig was op de zitting van 12 mei 2025. Nu in het vonnis ook een straf, opgelegd bij arrest van het Gerechtshof Bacău van 5 mei 2025, is meegewogen, kan het niet anders dan dat deze zitting relevant is geweest voor de beslissing die in het vonnis is genomen. Op grond van dezelfde informatie stelt de rechtbank verder – wederom anders dan de officier van justitie – vast dat geen sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Hoewel de opgeëiste persoon op de zitting van 10 maart 2025 met zijn advocaat aanwezig was en hem daar de zittingsdatum van 12 mei 2025 is aangezegd, is met de aanvullende informatie van 12 juni 2026 niet vast komen te staan dat de opgeëiste persoon ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kon worden genomen wanneer hij niet op die zittingsdag zou verschijnen. Ook is geen sprake geweest van een machtiging aan een advocaat om hem op zittingen waar hij zelf niet was te verdedigen. De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. Uit de aanvullende informatie die in de tussenuitspraak is geciteerd, blijkt immers dat hij aanwezig was op zittingsdagen tot en met 26 februari 2025, toen hij vast zat in de gevangenis in Roemenië. Uit de aanvullende informatie van 12 juni 2026 blijkt nu ook dat de opgeëiste persoon op 10 maart 2025 daadwerkelijk aanwezig is geweest op de zitting, samen met zijn advocaat. De opgeëiste persoon is op de zitting van 10 maart 2025 geïnformeerd over de nieuwe zittingsdatum van 12 mei 2025. Daarbij is hem tevens medegedeeld dat hij voor deze zitting geen nieuwe dagvaarding meer zou ontvangen. De aan hem toegewezen advocaat heeft – zo blijkt eveneens uit de in de tussenuitspraak aangehaalde informatie – hem gedurende de gehele procedure vertegenwoordigd. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte was van het strafproces, maar hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om bij alle zittingen aanwezig te zijn. Hoewel hem de zittingsdatum van 12 mei 2025 is aangezegd, heeft hij er zelf voor gekozen daar niet te verschijnen. De aan hem toegevoegde advocaat heeft hem gedurende het gehele proces verdedigd. Onder deze omstandigheden levert het toestaan van de overlevering daarom geen schending op van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 6 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 239, 285, 310, 311 en 350 Wetboek van Strafrecht, 8 en 107, 176 en 177 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW. 7 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] , aan de rechtbank Onești, Roemenië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter, mrs. B.M. Vroom-Cramer en J.T.H. Zimmerman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.C.M. Burger griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 juni 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:6130.