Rechtbank Den Haag, 07-07-2026 (NL26.9702 en 26.9703)
Rechtbank Den Haag
Asiel. Beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij een terugkeerbesluit en inreisverbod zijn opgelegd. De afwijzing van de asielaanvraag blijft wel in stand. Eiser stelt de Eritrese nationaliteit te hebben. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig geacht. De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet met documenten noch op een andere wijze heeft onderbouwd. Aan de documenten kan niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan wenst te zien. Dat eiser de taal Tigrinya spreekt betekend ook niet dat eiser de Eritrese nationaliteit heeft. Daarnaast heeft eiser onvoldoende kennis van Eritrea. De minister heeft een terugkeerbesluit opgelegd, waarin Eritrea en Ethiopië als landen van terugkeer zijn genoemd. De rechtbank is van oordeel dat het arrest Ararat geen concrete aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat de minister in dit geval geen refoulementbeoordeling hoefde te maken. Nu ten aanzien van de bij eiser in het terugkeerbesluit genoemde landen geen non-refoulementbeoordeling heeft plaatsgevonden, vernietigt de rechtbank het terugkeerbesluit. Er kan daarom ook geen inreisverbod worden opgelegd.
Case Summary
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL26.9702 (beroep) NL26.9703 (voorlopige voorziening) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser en verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. P.C. Menick), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde mr. F.H. van Zanden). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Het terugkeerbesluit en inreisverbod kunnen niet in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2007. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft de minister een terugkeerbesluit voor Eritrea en Ethiopië opgelegd. Ook is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft de zaken op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is op vierjarige leeftijd vanuit Eritrea door zijn moeder meegenomen naar Ethiopië. Tot 2021 heeft eiser in Ethiopië verbleven. Van zijn moeder heeft eiser begrepen dat zij niet terug kunnen naar Eritrea, omdat eiser dan de gevangenis in moet vanwege de illegale uitreis en dat hij misschien wordt afgemaakt in Eritrea. Daarnaast vreest eiser bij terugkeer voor de militaire dienst. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: 1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst 2. Eisers dienstplicht 3. Eisers illegale uitreis 4.1. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig geacht. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser zijn nationaliteit niet met objectieve documenten heeft onderbouwd en eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser staat in Italië geregistreerd met de Ethiopische nationaliteit en eiser heeft onvoldoende kennis van zijn land van herkomst. Omdat eiser niet wordt gevolgd in zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, heeft de minister het asielrelaas van eiser verder niet inhoudelijk beoordeeld. De minister verwijst hierbij naar vaste rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat de asielmotieven slechts betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling . De minister concludeert dat de asielaanvraag kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond. Standpunt eiser 5. Eiser voert aan dat hij consequent heeft verklaard dat hij de Eritrese nationaliteit bezit en hij de Tigrinja-taal spreekt. De door eiser gedeelde documenten zijn niet als vals, vervalst of anderszins ongeloofwaardig beoordeeld. De minister dient deze documenten dan ook te betrekken bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling en in onderlinge samenhang te bezien met de consistente verklaringen van eiser omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Eiser verwijst daarbij naar twee uitspraken van de rechtbank Den Haag . Daarnaast kan van eiser niet worden verwacht dat hij toezicht hield op de wijze waarop de Italiaanse autoriteiten zijn persoonsgegevens registreerden, omdat hij destijds nog een kind was. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het gevolg van een mogelijke foutieve registratie voor rekening en risico van eiser dienen te komen. Tot slot kan gelet op zijn zeer jonge leeftijd ten tijde van zijn vertrek uit Eritrea redelijkerwijs niet van hem verwacht worden dat hij beschikt over gedetailleerde kennis van maatschappelijke, politieke, geografische of culturele aspecten van het land. Eiser heeft bepaalde vragen nooit aan zijn ouders gesteld en de minister heeft onvoldoende rekening gehouden met de culturele context waarbinnen eiser is opgegroeid. Beoordeling rechtbank Asielaanvraag 6. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. Eiser heeft twee documenten overgelegd: een verklaring van Eritreeër zijn en een kopie van de identiteitskaart van [persoon 1] (met kopie kwitantie). Op de zitting heeft de rechtbank begrepen dat eiser deze documenten via een tante uit Eritrea heeft verkregen. Aan de documenten kan echter niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan wenst te zien. Zoals de minister heeft overwogen betreft de verklaring van Eritreeër geen identificerend document. Het is een handgeschreven verklaring en bevat geen pasfoto. Daarnaast heeft Bureau Documenten ten aanzien van deze verklaring een neutraal advies gegeven. Dit betekent dat de echtheid, opmaak en afgifte, en inhoud alle drie de conclusie 'niet te beoordelen' hebben gekregen. Verder betreft de identiteitskaart een kopie en ziet deze kaart niet op eiser persoonlijk. Voor zover eiser wilde aantonen dat het hier zijn moeder betreft, beschrijft dit document de gestelde familieband ook niet. 6.1. Eiser heeft gelet hierop zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet met documenten onderbouwd. Dit betekent dat eiser op andere wijze zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig kan maken. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd. Allereerst betekent het feit dat eiser de taal Tigrinya spreekt niet dat hij dan ook de Eritrese nationaliteit heeft. Niet valt uit te sluiten dat ook mensen met een andere nationaliteit de taal beheersen. Daarnaast heeft eiser onvoldoende kennis van Eritrea. Daarbij heeft de minister rekening gehouden met de leeftijd van eiser. Vanwege de jonge leeftijd van eiser ten tijde van zijn uitreis en verblijf in Eritrea wordt namelijk niet van eiser verwacht dat hij uitgebreid kan verklaren over zijn woonomgeving en uitreis. Alleen mag wel verwacht worden dat hij enige kennis en/of basale kennis heeft van zijn omgeving en/of uitreis. Daarvan is geen sprake. Eiser heeft ook verklaard dat hij zich niets kan herinneren van zijn uitreis op vierjarige leeftijd. De rechtbank is van oordeel dat de culturele achtergrond van eiser dit niet anders maakt. Weliswaar kan het zo zijn dat eiser geen vragen durfde te stellen aan zijn moeder, maar zijn moeder was niet de enige waaraan hij vragen kon stellen over zijn land van herkomst. Hij heeft immers tot 2021 ook samengewoond met zijn broers en zussen. Daar komt bij dat eiser ook onvoldoende kennis heeft over de militaire dienstplicht van Eritrea, één van eisers asielmotieven. 6.2. Tot slot staat eiser onder een andere naam en nationaliteit geregistreerd in Italië. Uit de brief van de Italiaanse autoriteiten van 4 september 2024 blijkt dat eiser in Italië geregistreerd staat als: [persoon 2] , geboren op [geboortedag] 2007, van Ethiopische nationaliteit. De rechtbank gaat voorbij aan de beroepsgronden die tegen de registratie zijn gericht. De rechtbank is namelijk van oordeel dat ook als deze registratie er niet geweest zou zijn, eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. 6.3. Dit betekent ook dat de minister van verdere toetsing van eisers asielmotieven af heeft kunnen zien. De minister heeft eisers asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Terugkeerbesluit 7. Aan eiser is een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten en dient terug te keren naar Eritrea of Ethiopië. 7.1. Eiser voert aan dat de minister geen kenbare, individuele en actuele beoordeling heeft verricht ten aanzien van de vraag of terugkeer in overeenstemming is met het non-refoulementbeginsel. De enkele omstandigheid dat de gestelde herkomst ongeloofwaardig wordt geacht, ontslaat de minister niet van de verplichting om een refoulementbeoordeling uit te voeren. In dit verband wijst eiser op de prejudiciële vragen die door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, op 27 maart 2026 zijn gesteld. 7.2. De minister heeft op de zitting, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024 aangevoerd dat het risico op refoulement niet beoordeeld kan worden en die beoordeling achterwege kan blijven, omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig zijn. In een terugkeerbesluit moet echter wel een land worden genoemd en dat zijn in dit geval de landen waar eiser stelt vandaan te komen en het land waar hij voornamelijk heeft gewoond. 7.3. De rechtbank overweegt dat het Hof in het arrest Ararat heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn een algemene regel vormt die de lidstaten in acht moeten nemen bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en die de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank is van oordeel dat het arrest Ararat geen concrete aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat de minister in dit geval geen refoulementbeoordeling hoefde te maken. De uitspraak van de Afdeling waar de minister naar verwijst is van voor het arrest Ararat. Bovendien blijkt uit het recente arrest Hardeker van het Hof dat meerdere landen in een terugkeerbesluit kunnen worden vermeld, mits de verwijdering van de betrokkene in het licht van het non-refoulementbeginsel mogelijk is naar ten minste een van de in dat besluit genoemde landen. Nu ten aanzien van de bij eiser in het terugkeerbesluit genoemde landen geen non-refoulementbeoordeling heeft plaatsgevonden, vernietigt de rechtbank het terugkeerbesluit. Inreisverbod 8. Nu het terugkeerbesluit wordt vernietigd, wordt niet meer voldaan aan artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Gelet daarop vernietigt de rechtbank ook het inreisverbod. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod is opgelegd. De afwijzing van de asielaanvraag blijft wel in stand. Eiser krijgt dus deels gelijk. 9.1. Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen gronden heeft vermeld in zijn verzoekschrift en geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om dit verzuim te herstellen. 9.2. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank, in de zaak NL26.9702, verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod is opgelegd; veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. De voorzieningenrechter, in de zaak NL26.9703, - verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Bruggen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Op grond van artikel 31, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Uitspraak van de Afdeling 6 februari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:292). Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:13388) en uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:14015). Uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:833). Pagina 4 van het verslag van het nader gehoor. Pagina 5 van het verslag van het nader gehoor. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 maart 2026, (ECLI:NL:RBDHA:2026:7121). Uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1970). Hof van Justitie van de Europese Unie. Arrest van 17 oktober 2024 (ECLI:EU:C:2024:892). Richtlijn 2008/115 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven. Arrest van 25 juni 2026 (ECLI:EU:C:2026:518), overweging 87.