Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Den Haag, 07-07-2026 (NL26.35737)

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag
Summary

Kennisgeving artikel 59, lid 1 aanhef en onder a Vw. Redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Beroep ongegrond.

Case Summary

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.35737 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V.M. Oliana), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister) (gemachtigde: mr. I. van Es). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig . Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 26 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser heeft afgezien van zijn recht om gehoord te worden en heeft dit via zijn gemachtigde laten weten. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich met een bericht afgemeld voor de zitting. Overwegingen 3. Eiser heeft de Griekse nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1979. 4. Eiser voert aan dat de vreemdelingrechtelijke staandehouding onrechtmatig was omdat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond ten tijde van de staandehouding. Hiermee is ook de daaropvolgende inbewaringstelling onrechtmatig. 4.1. Volgens paragraaf A2/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) mag een redelijk vermoeden van illegaal verblijf mede op basis van ervarings- en omgevingsgegevens worden aangenomen als sprake is van aanwijzingen uit eigen onderzoek van de politie of aanwijzingen die door de politie zijn verkregen bij de controle van persoonsgegevens in het kader van de uitoefening van politietaken. 4.2. Uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 26 juni 2026 blijkt dat eiser door de verbalisant ambtshalve werd herkend, omdat hij de afgelopen jaren veelvoudig met eiser in contact is gekomen. Bovendien heeft de verbalisant op 17 juni 2026 een e-mail ontvangen waarin hij erop werd geattendeerd dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Nadat de verbalisant eiser op 26 juni 2026 om 14:30 uur zag lopen heeft hij eiser op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf staande gehouden en contact opgenomen met de vreemdelingenpolitie. Het voorgaande is volledig opgenomen in het proces-verbaal. De rechtbank is van oordeel dat op grond hiervan een redelijk vermoeden van illegaal verblijf kan worden aangenomen. De beroepsgrond slaagt niet. 5. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank ook ambtshalve geen reden om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Related across sources

Similar Content