Rechtbank Amsterdam, 21-09-2022 (AWB 21/4336)
Rechtbank Amsterdam
.
Case Summary
RECHTBANK AMSTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: AMS 21/4336 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 september 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats], eiser, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder (gemachtigde: mr. S.M. Mandjes). Procesverloop Bij besluiten van 26 januari 2021 en 12 februari 2021 (de primaire besluiten) heeft verweerder twee verzoeken van eiser om openbaarmaking van documenten op grond van de wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk ingewilligd. Bij besluit van 8 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaarschriften van eiser tegen de primaire besluiten respectievelijk ongegrond en gedeeltelijk gegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2022. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. De Wob-verzoeken van eiser zien op het openbaar maken van informatie over de schending van quotumregels bij de uitvoering van de huisvestingsverordening en op het openbaar maken van de adressen waarvoor vergunningen zijn verleend voor verkamering of B&B’s. 2. Eiser heeft de beroepsgrond die ziet op het niet-tijdig beslissen op zijn Wob-verzoeken, op de zitting laten vallen. Hetzelfde geldt voor zijn beroepsgrond dat er geen gedegen verslag van de hoorzitting is. Deze beroepsgronden hoeven dus niet meer besproken te worden. De rechtbank zal de resterende beroepsgronden hieronder bespreken. Eerst zullen een aantal formelere punten aan de orde komen. Daarna zal de rechtbank ingaan op de gronden die zien op de stukken die verweerder al dan niet had moeten overleggen. 3.1 Eiser heeft allereerst aangevoerd dat de directeur wonen niet bevoegd was om het bestreden besluit te nemen. Volgens eiser had het College van burgemeester en wethouders dat zelf moeten doen. De rechtbank volgt dit niet. Zoals verweerder ook op de zitting heeft toegelicht, volgt uit het Bevoegdhedenbesluit dat de bevoegdheid om een beslissing op bezwaar op grond van de Wob te nemen, is gemandateerd aan de directeur Wonen van de gemeente Amsterdam. Dat blijkt met zoveel woorden uit de artikelen 8, eerste lid, onder a en 10 van het Bevoegdhedenbesluit in samenhang met Bijlage 4, onderdeel 2, onder 13 van dat Besluit. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de directeur Wonen niettemin geen gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid. Het bestreden besluit is dan ook bevoegd genomen. 3.2 Eiser meent verder dat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden omdat niet alle stukken ter inzage zijn gelegd en aan het dossier zijn toegevoegd. Op het ontbreken van het advies van de bezwaarcommissie gaat de rechtbank in r.o. 3.3 in. De rechtbank stelt vast dat verweerder brieven over de doorzending van eisers Wob-verzoek binnen de gemeente naar de Afdeling Wonen niet aan het dossier heeft toegevoegd. De rechtbank ziet niet in waarom deze stukken van belang zijn voor de beoordeling van deze zaak. Eiser heeft dit ook niet toegelicht. Verder is het advies van de Commissie Persoonsgegevens Amsterdam van 29 maart 2021 inderdaad pas na de hoorzitting aan eiser gestuurd. Hij heeft echter de gelegenheid gekregen, en daarvan gebruikgemaakt, om hier nog voor het bestreden besluit op te reageren. Tot slot beschikte eiser in beroep over alle stukken, voor zover verweerder die openbaar heeft gemaakt. Hij heeft hier ook op kunnen reageren. Deze grond slaagt niet. 3.3 Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen apart advies van de bezwaarcommissie heeft opgemaakt en aan eiser heeft gezonden. Deze beroepsgrond slaagt. Op grond van artikel 7:13, zesde lid, van de Awb had dat inderdaad gemoeten. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek in het besluit te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Eiser is door deze handelswijze namelijk niet benadeeld, omdat het advies integraal in het bestreden besluit is opgenomen. 3.4 Verweerder heeft het bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2021 deels gegrond verklaard en alsnog 99 documenten openbaar gemaakt. Daarmee is inderdaad geen sprake van wijziging of aanvulling van het besluit. Verweerder heeft zoals artikel 7:11 van de Awb vereist een heroverweging gemaakt. De verstrekking van de stukken houdt in dat verweerder de weigering om deze stukken te verstrekken heeft herroepen en heeft beslist de stukken alsnog te verstrekken. Daarom heeft verweerder het bezwaar ook (deels) gegrond verklaard. 4.1 Zoals hiervoor al is vermeld, heeft eiser ook gronden aangevoerd die zien op de openbaarmaking van de documenten. De eerste beroepsgrond op dat vlak is dat volgens eiser meer stukken moeten zijn naar aanleiding van de beslissing van de wethouder tijdens een Teams-vergadering waar het in deze procedure om te doen is geweest. Eiser aanvaardt dat voornoemde beslissing geen (schriftelijk) besluit is maar vindt het ongeloofwaardig dat er niet meer stukken zijn over die beslissing. Verweerder heeft op geloofwaardige wijze ontkend dat er meer stukken zijn dan zijn overgelegd. Aan eiser moet worden toegegeven dat de communicatie beter had gekund. Verweerder heeft namelijk in eerste instantie gesteld dat er wel een besluit was, dat er dus uiteindelijk niet bleek te zijn. Dat neemt niet weg dat verweerder inmiddels heeft uitgelegd wat de gang van zaken is geweest en die uitleg duidelijk is. Er was paniek naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter, waarin deze heeft geoordeeld dat het overgangsrecht niet van toepassing was. Er is toen bij amendement ingegrepen. Instructies of iets dergelijks voor de afdoening van aanvragen waren niet nodig, omdat er op dat moment geen aanvragen meer waren waarop beslist moest worden. Eiser is er in het licht van deze geloofwaardige ontkenning van het bestaan van meer stukken niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat er wel nog stukken zijn die openbaar gemaakt zouden moeten worden. Deze beroepsgrond faalt. 4.2 Volgens eiser zouden er ook inventarisatielijsten moeten zijn. Dat blijkt uit de overgelegde emailwisseling van verweerder met de landsadvocaat. Deze zijn ten onrechte niet overgelegd. Deze beroepsgrond mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag. Verweerder heeft op de zitting uitgelegd dat er geen lijsten bestaan, maar dat alleen aantallen zijn medegedeeld aan de landsadvocaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze mededeling te twijfelen. Ook deze beroepsgrond slaagt dus niet. 4.3 Verder meent eiser dat ten onrechte niet is overgegaan tot het overleggen van reparatieadviezen van de bezwaarcommissie. Verweerder meent dat deze adviezen buiten de reikwijdte van het oorspronkelijke verzoek vallen. De rechtbank is het daarmee eens. Eiser heeft gevraagd om openbaarmaking van informatie in verband met de al eerder genoemde beslissing van de wethouder en om lijsten met de relevante adressen. Adviezen in de bezwaarfase in specifieke zaken vallen daar naar het oordeel van de rechtbank niet onder, ook niet als de rechtbank het verzoek ruimhartig opvat Deze beroepsgrond faalt. 4.4 Volgens eiser ontbreekt nog een lijst met adressen waar vergunningen voor woningvorming zijn verleend. De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. Deze lijst valt, net als de reparatieadviezen die hiervoor zijn genoemd, buiten de reikwijdte van het oorspronkelijke verzoek. Dat verzoek zag uitdrukkelijk op verkamering en B&B’s en niet op woningvorming. Deze beroepsgrond faalt. 4.5 Tot slot is het de vraag of verweerder de openbaarmaking van de adresgegevens mocht weigeren. Eiser betoogt dat dit niet kan. Verweerder heeft onder verwijzing naar artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wob, de openbaarmaking van de persoonsgegevens geweigerd. Verweerder heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het advies van de Commissie Persoonsgegevens Amsterdam van 29 maart 2021. 4.6 Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob bepaalt dat het verstrekken van informatie op grond van deze wet achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Deze nadere afweging houdt in dit geval in dat het algemene belang dat door onverkorte openbaarmaking wordt gediend, wordt afgewogen tegen het belang van eisers geen onevenredig nadeel te ondervinden als gevolg van de publicatie. Daarbij komt aan het algemeen belang een groot gewicht toe (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 22 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:484 en van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2201). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het overleggen van het advies van de Commissie Persoonsgegevens onvoldoende onderbouwd dat de openbaarmaking van de adresgegevens zal leiden tot een onevenredige benadeling van betrokkenen. In het advies verwijst de commissie naar een brief van de voormalige minister van Rechtsbescherming van 17 juli 2019 over horizontale privacy. Deze brief heeft inmiddels een vervolg gehad met een brief van 5 februari 2021 aan de Voorzitter van de Tweede kamer. Uit deze brief blijkt niet dat de Wob als instrument een rol speelt bij deze problematiek. Verweerder heeft verder gewezen op incidenten in het verleden waarbij onder meer woningen zijn beklad. Hij heeft deze incidenten echter niet verder geconcretiseerd. 4.7 Wat betreft de afwijzing op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:291) volgt dat voor de vraag of openbaarmaking van gegevens in het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob kan worden geweigerd, bepalend is of bij openbaarmaking het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer aan de orde is en zo ja, of dat belang zwaarder moet wegen dan het belang van openbaarheid. De openbaar te maken informatie omvat adresgegevens van B&B’s en van verkamering. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat openbaarmaking van de gegevens met betrekking tot de adressen van verkamering, leidt tot een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de bewoners dat het belang van openbaarmaking daar niet tegen opweegt. Dat elders in de gemeente dergelijke gegevens wel openbaar worden gemaakt, zoals eiser heeft aangevoerd, is geen reden om de informatie alsnog openbaar te maken. 4.8 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich redelijkerwijs niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat openbaarmaking van de adresgegevens met betrekking tot de B&B’s niet leidt tot een zodanige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer dat het belang van openbaarmaking daar niet tegen opweegt. In beginsel kunnen alleen burgers een beroep doen op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob (zie de uitspraak van 28 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:903). Verder acht de rechtbank van belang dat de adresgegevens, mede vanwege het gebruik als B&B, ook via andere bronnen openbaar zijn. 5. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wat betreft de weigering de adresgegevens voor verkamering te verstrekken wegens strijd met artikel 3:4 van de Awb. Verweerder dient binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Verweerder dient aan eiser het griffierecht te vergoeden Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat geen sprake is van professionele rechtshulp. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit wat betreft de weigering de adresgegevens voor verkamering te verstrekken; laat het bestreden besluit voor het overige in stand; draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 181,- (honderdeenentachtig euro) aan eiser dient te betalen. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzitter, en mr. Y. Moussaoui, en mr. J.H. Broek, leden, in aanwezigheid van L. Fernández Ferreiro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 september 2022. de griffier, de voorzitter, Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep/de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Afschrift verzonden op: Bevoegdhedenbesluit ambtelijke organisatie Amsterdam zoals dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold. Algemene wet bestuursrecht.