Skip to content
Case Law
NL

Raad van State, 08-07-2026 (202406062/1/A3)

Raad van State

Raad van State
Summary

Bij besluit van 14 september 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam het verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp), buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 27 juni 2023 heeft het college het voornoemde besluit ingetrokken en het verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de brp afgewezen. Op 9 februari 2022 heeft [appellante] een verzoek om rectificatie gedaan als bedoeld in artikel 2.58, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen. [appellante] heeft verzocht om wijziging van haar achternaam naar de oorspronkelijke familienaam ‘[naam]’. Ook heeft zij verzocht om wijziging van haar geboortedatum naar [geboortedatum] 1974. Zij heeft hiertoe op 16 december 2022 een origineel document identiteitsverklaring uit Syrië met bijbehorende vertaling overgelegd. Bureau Documenten Zwolle heeft het document onderzocht en op de onderdelen echtheid, opmaak en afgifte van het document geconcludeerd dat daar geen uitspraak over kan worden gedaan, vanwege het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal.

Case Summary

202406062/1/A3. Datum uitspraak: 8 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Edam, gemeente Edam-Volendam, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Holland van 16 augustus 2024 in zaak nr. 23/7512 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam. Procesverloop Bij besluit van 14 september 2022 heeft het college het verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp), buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 27 juni 2023 heeft het college het voornoemde besluit ingetrokken en het verzoek van [appellante] om wijziging van haar persoonsgegevens in de brp afgewezen. Bij besluit van 3 november 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 augustus 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:8353, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een nader stuk ingediend. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 juni 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.A.J.S. Lathouwers en J.L.M. van den Broek, zijn verschenen. Overwegingen Wettelijk kader 1. De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak. Inleiding 2. [appellante] is in de brp opgenomen onder de familienaam van haar man, ‘[appellante]’, en met de geboortedatum [geboortedatum] 1973. Dit is gebeurd op basis van een door haar onder belofte afgelegde verklaring toen zij in 2001 van Syrië naar Nederland is gevlucht. Inmiddels heeft zij de Nederlandse nationaliteit verkregen. 2.1. Op 9 februari 2022 heeft [appellante] een verzoek om rectificatie gedaan als bedoeld in artikel 2.58, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen (Wet Brp). [appellante] heeft verzocht om wijziging van haar achternaam naar de oorspronkelijke familienaam ‘[naam]’. Ook heeft zij verzocht om wijziging van haar geboortedatum naar [geboortedatum] 1974. Zij heeft hiertoe op 16 december 2022 een origineel document identiteitsverklaring uit Syrië met bijbehorende vertaling overgelegd. Bureau Documenten Zwolle heeft het document onderzocht en op de onderdelen echtheid, opmaak en afgifte van het document geconcludeerd dat daar geen uitspraak over kan worden gedaan, vanwege het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal. Op het onderdeel inhoud heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat niet kan worden vastgesteld dat het document juist is. Het college heeft het verzoek afgewezen, omdat niet buiten redelijke twijfel staat dat uit de overgelegde brondocumenten volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. [appellante] is het daar niet mee eens. 2.2. De rechtbank is het college gevolgd in zijn redenering en heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. Hoger beroep 3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat zij er niet in is geslaagd te onderbouwen dat de overgelegde identiteitsverklaring volgens het recht van de afgevende staat ten doel heeft tot bewijs te dienen van het feit waarover het verzoek tot opneming gaat. Ook heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in bewijsnood verkeert. Het college had navraag moeten doen bij de diplomatieke vertegenwoordiging over Koerdische identiteitsdocumenten. 3.1. De Afdeling heeft in haar overzichtsuitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, het beoordelingskader voor rectificatieverzoeken nader uiteengezet. Bij rectificatieverzoeken moet beoordeeld worden of buiten redelijke twijfel uit de overgelegde brondocumenten, zo nodig bezien in samenhang met de daarmee verband houdende nadere bewijsmiddelen, volgt dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn. Als dat het geval is, en het brondocument van gelijke of hogere orde is dan het document of de verklaring op grond waarvan de eerdere inschrijving heeft plaatsgevonden, worden de gegevens waar het om gaat in de brp gewijzigd. 3.2. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.8 en 4.9 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de identiteitsverklaring niet kan worden gezien als brondocument. Volgens het onderzoek van Bureau Documenten kan over de echtheid van de verklaring geen uitspraak worden gedaan. De identiteitsverklaring is niet gelegaliseerd en [appellante] heeft ook geen andere documenten overgelegd die kunnen onderbouwen dat de verklaring wel overeenkomstig de plaatselijke voorschriften en door een bevoegde instantie is opgemaakt. [appellante] heeft verder ook geen andere documenten overgelegd die het college hadden moeten aanzetten tot wijziging van haar gegevens. Verder heeft zij ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat zij in bewijsnood verkeert. 4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. 5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier. w.g. Knol voorzitter w.g. Soffner griffier Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026 818-1166 Bijlage Relevante wet- en regelgeving Artikel 2.8 Wet Brp 1. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich in Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a en bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b: a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de burgerlijke stand in Nederland; b. een door de ambtenaar van de burgerlijke stand opgemaakte akte, een besluit, een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak of een notariële akte, over het desbetreffende feit. 2. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e: - a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand; - b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan; - c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; - d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld; - e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend. Artikel 2.58 1. Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen. 2. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling. (…)

Related across sources

Similar Content