Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Gelderland, 01-07-2026 (C/05/466431)

Rechtbank Gelderland

Rechtbank Gelderland
Summary

Kort geding inzake het inzien van stukken van de VvE door een appartementseigenaar. De vorderingen worden grotendeels afgewezen.

Case Summary

RECHTBANK Gelderland Civiel recht Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: C/05/466431 / KG ZA 26-171 Vonnis in kort geding van 1 juli 2026 in de zaak van [eiser] , wonende in [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. A. Dragt, tegen de vereniging [vereniging] , gevestigd in [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [vereniging] , advocaat: mr. C. Sellis. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met de producties 1 tot en met 20; - de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 19; - de mondelinge behandeling van 17 juni 2026; - de pleitnota van [eiser] ; - de pleitnota van [vereniging] . 1.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter bepaald dat op 1 juli 2026 een vonnis zal worden gewezen. 2 De zaak in het kort 2.1. [eiser] is eigenaar van een woning aan de [adres] in [vestigingsplaats] . Het pand aan de [adres] is in 1989 gesplitst in twee appartementsrechten, waarbij [vereniging] is opgericht. Eén appartementsrecht bestaat uit het souterrain en de parterre van het pand ( [adres] ). Het andere recht bestaat uit de eerste, tweede en derde etage ( [adres] ). Dit laatste recht is in 1995 in vier appartementsrechten gesplitst, waarbij de [vereniging 2] is opgericht. Deze VvE is nooit actief geweest; alle besluiten werden genomen en uitgevoerd in [vereniging] . Op deze besluitvorming, de uitvoering daarvan en het handelen van het bestuur heeft [eiser] kritiek. Hij is het ook niet eens met de besluiten die vanaf mei 2026 zijn genomen in de inmiddels geactiveerde [vereniging 2] . 2.2. In deze procedure vordert [eiser] dat [vereniging] wordt veroordeeld om een afschrift van een aantal stukken aan hem te verstrekken of daarin inzage te verlenen. Het gaat om onderdelen van de financiële administratie en informatie over de reparatie van het dak van het gebouw. Meer in het bijzonder gaat het om (a.) leesbare bankafschriften over de periode van 1 januari 2025 tot heden, (b.) facturen, bonnen en betaalverzoeken die ten grondslag liggen aan de bij- en afschrijvingen in die periode, (c.) een overeenkomst dan wel opdrachtbevestiging met Stellicher Advocaten, (d.) een overeenkomst dan wel opdrachtbevestiging met E-Legal en (e.) een offerte en factuur van het bedrijf [bedrijf] . Verder wil hij dat een dwangsom wordt opgelegd en dat [vereniging] zijn werkelijke proceskosten van € 5.510,34 betaalt. 2.3. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen grotendeels af. Wel moet [vereniging] een afschrift van de offerte en factuur van [bedrijf] aan [eiser] verstrekken. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen. 3 De beoordeling 3.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor de toewijzing hiervan is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. De bankafschriften en onderliggende stukken 3.2. Ten eerste stelt [eiser] dat hij recht heeft op inzage in de financiële administratie van [vereniging] op grond van artikel 41 lid 6 van het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 1983. Hierin staat het volgende: “Het bestuur is verplicht aan iedere eigenaar alle inlichtingen te verstrekken betreffende de administratie van het gebouw en het beheer van de fondsen, welke die eigenaar mocht verlangen, en hem op zijn verzoek inzage te verstrekken van alle op die administratie en dat beheer betrekking hebbende boeken, registers en bescheiden.” De VvE voert aan dat [eiser] geen beroep op dit artikel kan doen, omdat hij geen lid is van [vereniging] (maar uitsluitend van de onder- [vereniging 2] ). Of dat klopt, kan in het midden blijven. Artikel 41 lid 6 verplicht namelijk niet tot het verstrekken van een afschrift van de financiële administratie en onderliggende stukken, maar slechts tot het verstrekken van inlichtingen daarover en van inzage daarin. Ook als zou worden aangenomen dat [eiser] een beroep kan doen op artikel 41 lid 6 van het Modelreglement, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de VvE aan de daarin opgenomen inzage- en inlichtingenplicht jegens [eiser] heeft voldaan. 3.3. [vereniging] heeft namelijk bij e-mail van 23 april 2026 aangeboden de gevraagde stukken ter inzage aan te bieden op 28 april 2026 tussen 17:00 uur en 21:00 uur. Het ging daarbij om de bankafschriften en onderhoudsoffertes; de onderliggende facturen en bonnen zouden op een later moment volgen. Als reactie daarop schrijft de advocaat van [eiser] op 24 april 2026 dat hij de bankafschriften, offertes en facturen per e-mail wil ontvangen en dat persoonsgegevens kunnen worden zwartgelakt. De voorzieningenrechter stelt vast dat [vereniging] rekeningafschriften over de periode van 1 januari 2025 tot 23 april 2026 heeft verstrekt aan [eiser] . Daarop zijn de begin- en eindsaldi, de data van de af- en bijschrijvingen en de bedragen daarvan zichtbaar maar zijn grote delen van de omschrijvingen van de transacties zwartgelakt. Verder heeft de VvE op 25 april 2026 een financieel overzicht van 1 januari 2025 tot 23 april 2026, de exploitatierekening en de begroting van de onder-VvE en de hoofd-VvE gevoegd bij de oproeping voor de oprichtingsvergadering van de [vereniging 2] , die ook [eiser] heeft ontvangen. Bij e-mail van 28 april 2026 schrijft de VvE dat zij geen reactie heeft gekregen op de uitnodiging om de stukken in te komen zien en dat als [eiser] alsnog gebruik wil maken van de inzagemogelijkheid, hij een nieuwe afspraak kan plannen per e-mail. 3.4. Omdat [eiser] dus op meerdere momenten inzage in de stukken is aangeboden, en hij nog altijd de mogelijkheid heeft om een nieuwe afspraak te plannen voor een inzagemoment, twijfelt de voorzieningenrechter in het licht van het voorgaande niet aan de bereidheid van de VvE om desgevraagd inlichtingen en inzage te geven. De weigering van de VvE om een afschrift van de gevraagde stukken te verstrekken, is daarvoor onvoldoende. Daartoe is zij, zoals hiervoor is overwogen, op grond van artikel 41 lid 6 van het Modelreglement ook niet gehouden. Voor zover de vordering ertoe strekt dat de VvE wordt veroordeeld om haar verplichtingen op grond van artikel 41 lid 6 van het Modelreglement na te komen, is de vordering daarom niet toewijsbaar. 3.5. Ten tweede stelt [eiser] dat hij recht heeft op afschrift en inzage op grond van de wet. Een partij bij een rechtsbetrekking heeft tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft (artikel 194 Rv). Indien degene die beschikt over de bepaalde gegevens medewerking weigert, kan de voorzieningenrechter in spoedeisende gevallen inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens bevelen (artikel 196 en 197 Rv). Hierbij geldt dat een inzagevordering niet per definitie een spoedeisend belang oplevert. De rechter wijst een verzoek tot inzage toe, tenzij hij van oordeel is dat: a. de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is; b. onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat; c. het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde; d. sprake is van misbruik van bevoegdheid; of e. andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting. 3.6. Volgens [eiser] zijn de besluiten van [vereniging] nietig, omdat bij het nemen van die besluiten de ondersplitsing uit het oog is verloren. Het gaat onder meer om besluiten in de vergaderingen van 19 oktober 2025 en 15 maart 2026. De [vereniging 2] was niet geactiveerd, er was geen bestuur en er vonden geen vergaderingen plaats. De besluitvorming in [vereniging] was dan ook in strijd met artikel 5:127 lid 3 BW, omdat geen voorvergaderingen in de [vereniging 2] plaatsvonden en het bestuur van de [vereniging 2] niet de stemmen heeft uitgebracht. Verder zijn in [vereniging] besluiten genomen die thuishoren in de [vereniging 2] . Het bestuur van [vereniging] heeft nietige besluiten uitgevoerd en zich ten onrechte bevoegd geacht de [vereniging 2] te vertegenwoordigen. Het bestuur heeft ook zelfstandig – zonder ALV-besluit – betalingen verricht en betalingsverplichtingen aangegaan, waaronder het raadplegen van Stellicher Advocaten en het starten van een incassotraject bij E-Legal. De bestuurders van [vereniging] zijn ook daarom persoonlijk aansprakelijk. Verder kan [eiser] zonder inzicht in wat zich in het vorige en huidige boekjaar heeft afgespeeld niet inschatten wat het beginpunt van de onder-VvE zal zijn. Hij kan geen deugdelijke stemming uitbrengen op de vergaderingen van de [vereniging 2] . Op grond van artikel 5:130 lid 2 BW heeft [eiser] slechts één maand om de besluiten te vernietigen die zijn genomen op de vergaderingen van 21 mei 2026 en 14 juni 2026. Tot slot heeft [eiser] zijn appartement te koop aangeboden en heeft zijn makelaar meerdere vragen gesteld over de financiën van de VvE. 3.7. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat door alle appartementseigenaren lange tijd is gehandeld alsof er slechts één VvE was. Dit in elk geval tot de zitting bij de kantonrechter op 9 april 2026, waarop de juridische aspecten van de splitsing en ondersplitsing met partijen zijn besproken. Na de zitting bij de kantonrechter en het vonnis van de kantonrechter van 17 april 2026 zijn stappen gezet om de onder-VvE te activeren, waaronder een oprichtingsvergadering op 4 mei 2026 (waarbij [eiser] niet aanwezig was), inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het openen van een bankrekening. Volgens [eiser] heeft het inactief zijn van de [vereniging 2] gevolgen voor de rechtmatigheid en rechtsgeldigheid van de besluitvorming in [vereniging] tot dat moment, maar hij heeft onvoldoende toegelicht waarom dat voldoende (spoedeisend) belang oplevert bij zijn vorderingen. Het is niet duidelijk geworden waarom voor het innemen en onderbouwen van het standpunt dat de genomen besluiten nietig zijn op de hiervoor in 3.6. genoemde grond en dat de bestuurders daarom aansprakelijk zijn, afhangt van de ontvangst van een afschrift van de financiële administratie. Ditzelfde geldt voor het innemen van het standpunt dat de besluiten van de [vereniging 2] vernietigbaar zijn. Nog daargelaten dat de termijn van één maand voor het vernietigen van de besluiten op de vergadering van 21 mei 2026 inmiddels is verstreken, heeft [eiser] slechts in algemene bewoordingen toegelicht dat hij ‘de besluiten’ wil kunnen controleren en zo nodig vernietigen. Voor zover het specifiek gaat om de décharge van de penningmeester van [vereniging] , die zou zijn verleend in de vergadering van 14 juni 2026 en die op de zitting is genoemd, heeft [eiser] onvoldoende toegelicht dat hij op basis van de informatie waarover hij reeds beschikt (de in 3.3. genoemde bankafschriften en financiële stukken) in combinatie met de geboden mogelijkheid tot inzage onvoldoende in staat is om controle uit te oefenen op de financiële gang van zaken binnen [vereniging] . Hierbij gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat [eiser] , anders dan op basis van alleen de zwartgelakte bankafschriften, na inzage wél in staat is om vast te stellen aan wie er is betaald en waarop de betalingen berusten, al dan niet na een toelichting hierop door [vereniging] . Zo vroeg [eiser] zich af waarop een contante opname van € 1.200,00 op 10 en 12 maart 2026 ziet en heeft [vereniging] ter zitting toegelicht dat het gaat om de betaling van de vrijwilligersvergoeding aan het bestuur (waartoe de ALV heeft besloten). Waarom de geboden inzagemogelijkheid (in eerste instantie) niet volstaat en daarom belang bij ontvangst van een afschrift van de stukken bestaat, heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd. Dat de administratie van [vereniging] iets zegt over het beginpunt van de [vereniging 2] en dat [eiser] pas aan stemmingen binnen de [vereniging 2] kan deelnemen na ontvangst van een afschrift van de administratie van [vereniging] valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, dan ook niet in te zien. Evenmin heeft [eiser] uitgelegd welke vragen zijn verkoopmakelaar heeft gesteld en in welk opzicht hij die vragen niet zou kunnen beantwoorden op basis van de stukken waarover hij al beschikt en/of na inzage van de financiële administratie zoals aangeboden door de VvE. In zoverre heeft [eiser] onvoldoende belang bij zijn vorderingen en is de verlangde informatie ook niet voldoende bepaald, omdat [eiser] gelet op het voorgaande in staat moet worden geacht om concreter aan te geven van welke stukken hij kennis wil nemen en waarom. 3.8. Het voorgaande neemt niet weg dat er een oplossing moet komen voor de situatie die is ontstaan doordat er één VvE actief is geweest in plaats van twee. De voorzieningenrechter moet echter constateren dat van een constructieve samenwerking tussen [eiser] en het bestuur van de beide VvE’s op dit moment geen sprake is. Waar dat door komt en aan wie dat ligt, is niet zo belangrijk. Belangrijker is dat iedereen weer met plezier kan wonen in het gebouw en dat verdere juridisering van het conflict, met alle kosten van dien, wordt voorkomen. De voorzieningenrechter geeft partijen daarom nogmaals in overweging om na te denken over mediation, waarbij zowel zorgen als wensen en zowel het verleden als de toekomst onderwerpen van gesprek kunnen zijn. De overeenkomst en opdrachtbevestiging van Stellicher en E-Legal 3.9. Met betrekking tot de overeenkomst en opdrachtbevestiging van Stellicher en E-Legal wordt het volgende overwogen. De VvE voert aan dat het bestuur bevoegd is tot het inschakelen van juridische deskundigen. Hiertegenover wijst [eiser] op artikel 41 lid 4 van het Modelreglement. Hierin staat dat het bestuur de machtiging van de vergadering behoeft voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen. Daarin staat dus niet, zoals [eiser] stelt, dat het bestuur een machtiging nodig had voor het verstrekken van een opdracht aan Stellicher en E-Legal, maar alleen dat zo’n machtiging nodig is voor het instellen van een rechtsvordering. Weliswaar staat vast dat het bestuur in de voornoemde procedure bij de kantonrechter een reconventionele vordering heeft ingesteld (en later weer heeft ingetrokken) maar de VvE heeft onweersproken naar voren gebracht dat Stellicher en E-Legal daarbij niet betrokken waren. Aan E-Legal zou een opdracht zijn verstrekt om incassomaatregelen te treffen jegens [eiser] omdat hij nooit contributie heeft betaald, maar vast staat dat geen incassoprocedure aanhangig is gemaakt en dat het is gebleven bij een aanmaning. Bij die stand van zaken heeft [eiser] onvoldoende toegelicht waarom voor de beoordeling of het bestuur buiten zijn boekje is gegaan door opdrachten te verstrekken aan Stellicher en E-Legal nodig is dat hij een afschrift van de overeenkomsten en opdrachten verkrijgt. Bij deze vorderingen heeft hij onvoldoende belang, waarbij de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat ook deze stukken onderdeel zijn van de administratie die hij desgewenst kan inzien, zodat hij op die manier kan vaststellen hoeveel er is betaald. De offerte en factuur van [bedrijf] 3.10. Dan blijft nog over de offerte en factuur van het bedrijf [bedrijf] . Er was een lekkage aan het gezamenlijke dak. In de ALV van 15 maart 2026 is een offerte van [bedrijf] goedgekeurd en tijdens de zitting bij de kantonrechter op 9 april 2026 heeft [vereniging] aangegeven dat het dak al is gerepareerd. Volgens [eiser] heeft hij er belang bij dat het dak daadwerkelijk is gerepareerd en het dak goed is gerepareerd, omdat zijn appartement zich recht onder het dak bevindt. Hij heeft daarom aan [vereniging] gevraagd om hem een opgave toe te sturen waaruit blijkt dat het dak is gerepareerd en wat er is gerepareerd. De VvE weigert dat. In het licht hiervan heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende belang bij zijn vordering. Dat de offerte van [bedrijf] reeds ter inzage heeft gelegen voor [eiser] voorafgaand aan de ALV van 15 maart 2026 en dat [eiser] de offerte toen niet heeft ingezien, zoals [vereniging] aanvoert, doet er niet aan af dat [eiser] er belang bij heeft te kunnen vaststellen dat het dak boven zijn hoofd is gerepareerd en hoe. Dat er onenigheid is ontstaan tussen [eiser] en een andere aannemer is zonder nadere toelichting, die ter zitting niet is gegeven, ook geen goede reden om deze stukken niet te verstrekken. Tijdens de zitting is met [vereniging] besproken dat het verstrekken van een afschrift, ook al zijn deze stukken nog niet gedigitaliseerd, niet bezwaarlijk is, zodat de vordering in zoverre toewijsbaar is. 3.11. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, omdat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat [vereniging] ook zonder dwangsom aan de veroordeling zal voldoen. De proceskosten 3.12. Tot slot vordert [eiser] dat de VvE wordt veroordeeld tot vergoeding van zijn werkelijke proceskosten. Deze vordering zal, gelet op het feit dat [eiser] grotendeels ongelijk krijgt, worden afgewezen. En zelfs als de afschrift- en inzagevordering van [eiser] wel geheel zou zijn toegewezen, zou dit niet tot een veroordeling in de werkelijke proceskosten hebben geleid. Daarvoor is namelijk nodig dat sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen van [vereniging] . Wat [eiser] heeft gesteld, is onvoldoende om tot die conclusie te kunnen komen. 3.13. [eiser] krijgt grotendeels ongelijk. Hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de VvE worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 4 De beslissing De voorzieningenrechter 4.1. veroordeelt de VvE tot het verstrekken van een afschrift van de offerte en factuur van het bedrijf [bedrijf] , zoals benoemd in de notulen van de ALV van 15 maart 2026 van [vereniging] , 4.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 4.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026. Vgl. Gerechtshof Amsterdam 22 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1485.

Related across sources

Similar Content