Rechtbank Amsterdam, 02-07-2026 (13-117774-26)
Rechtbank Amsterdam
Executie-EAB Polen. Artikel 12 OLW; afzien van toepassing van de weigeringsgrond. Overlevering toegestaan.
Case Summary
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/117774-26 Datum uitspraak: 2 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 1 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 april 2026 door the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Divison , (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 juni 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.N.M. Lousberg, advocaat in Maastricht, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court for Warszawa-Wola 4th Criminal Divison van 2 april 2017, met kenmerk: IV K 45/17. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van negen maanden en twee dagen. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. De volledige straf resteert volgens het EAB nog. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot voornoemd vonnis heeft geleid. In rubriek D) is aangekruist dat het vonnis aan hem betekend is op het adres dat hij had opgegeven, maar niet is aangegeven dat hij vervolgens (1) uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwist of (2) niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend. Het District Court for Warszawa-Wola in Warsaw heeft in de aanvullende informatie van 21 mei 2026 – op door de rechtbank geformuleerde vragen – het volgende meegedeeld: “- a reply to question 1: the convict provided his residence address in the course of the investigation: [adres] and all the correspondence was being delivered at that address throughout the whole both investigation and court proceedings; - a reply to question 2: the convict received the instruction about his rights and obligations in the course of the proceedings, including inter alia his obligation to provide the address for correspondence serving, and failure to do so or failure of staying at the provided address means that the trial or any other action would be rendered in his absentia, and that he is obliged to appear at any summons and to inform the authority leading the procedure about each and any change of his residence or stay lasting longer than 7 days, including the case of deprivation of liberty in any other case, and also about his obligation to provide other information that would allow contacting him. In case of failure to provide such data, any letter sent to the provided, known address would be treated as duly delivered, and the action, for example the trial, would be rendered in absentia. Such instructions were received by him in written form and he confirmed their receipt by his own signature on 26th January, 2017. In the course of the court proceedings the instruction was also sent to him at the address provided by him, i.e. [adres] . However, the convict failed to make receipt of the mail addressed to him, and he did not notify about any other address that he was to stay at .” Standpunt van de raadsvrouw De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de veroordeling en omdat onduidelijk is op welk adres, hoe vaak en wanneer is geprobeerd het vonnis aan hem te betekenen. Daarnaast valt uit het EAB niet af te leiden dat de opgeëiste persoon na overlevering nog in hoger beroep kan gaan en hij dus een verzetgarantie heeft. Ook heeft hij geen advocaat gehad. Hetgeen over de adresinstructie wordt opgemerkt wordt door de opgeëiste persoon betwist. De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat hierover aanvullende vragen moeten worden gesteld en de zaak ten behoeve hiervan moet worden aangehouden. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat kan worden afgezien van de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen en ondertekend. Hij heeft tijdens het vooronderzoek een adres opgegeven waarop hij bereikbaar zou zijn voor officiële correspondentie en is daarbij gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het niet naleven daarvan. De oproep voor de zitting is naar het opgegeven adres gestuurd. De opgeëiste persoon is kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, dat hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit de aanvullende informatie van 21 mei 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens the course of the investigation het adres [adres] heeft opgegeven als correspondentieadres. Tevens is hij gewezen op zijn plicht om de Poolse autoriteiten op de hoogte te stellen van elke adreswijziging en op de consequentie van het niet voldoen aan deze adresinstructie, namelijk dat de berechting in zijn afwezigheid plaats kon vinden. De opgeëiste persoon heeft getekend voor de ontvangst van deze adresinstructie op 26 januari 2017. Het feit waarvoor hij bij vonnis van 2 april 2017 is veroordeeld, betreft een winkeldiefstal op 9 januari 2017. Vervolgens is alle correspondentie gedurende het onderzoek en tijdens de procedure daadwerkelijk naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gestuurd. Hij heeft geen adreswijziging doorgegeven. Aan hem gestuurde post heeft hij niet opgehaald. De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte moet zijn geweest van de verdenking en dat hij er rekening mee moest houden dat er een proces zou volgen. Hij heeft ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel hij is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest door, ondanks de aan hem gegeven adresinstructie, niet bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten. Artikel 12 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. 5 Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: diefstal door twee of meer verenigde personen. 6 Overige verweren De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, omdat in Nederland nog een strafzaak loopt tegen de opgeëiste persoon (met parketnummer: 20-000978-26). De eerste pro forma zitting bij het Gerechtshof in ’s-Hertogenbosch staat binnenkort gepland en de opgeëiste persoon wil aanwezig zijn bij de (inhoudelijke) behandeling van het hoger beroep. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de openstaande straf in de Nederlandse strafzaak mogelijk een beletsel vormt voor de feitelijke overlevering en dat de officier van justitie een vordering zal doen tot uitstel van de feitelijke overlevering, in het geval de rechtbank de overlevering zal toestaan. De rechtbank overweegt dat eventueel openstaande strafzaken in Nederland een belemmering voor de feitelijke overlevering kunnen opleveren in de zin van artikel 36 OLW. De toets aan artikel 36 OLW kan echter pas aan de orde komen nadat is beslist dat de overlevering wordt toegestaan. Daarom komt de rechtbank in dit stadium niet toe aan een daartoe strekkend verzoek van de raadsvrouw. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Divison , Polen voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.J.P. van den Reek, voorzitter, mrs. B.M. Vroom-Cramer en J.T.H. Zimmerman rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW.