Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18-06-2026 (200.363.536/01)
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet van muskusrattenvanger wegens ‘dagdieverij’ heeft terecht geen standgehouden. Gebruik black box van dienstauto als prikklok? Geen voldoende grond voor ontbinding, wel voor verbetertraject.
Case Summary
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.363.536/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 11765438) beschikking van 18 juni 2026 in de zaak van Waterschap Drents Overijsselse Delta gevestigd in Zwolle verzoekster in hoger beroep bij de kantonrechter: verweerster hierna: het Waterschap advocaat: mr. M.J. Kolijn-Van der Merwe te Zwolle tegen [verweerder] die woont in [woonplaats] verweerder in hoger beroep bij de kantonrechter: verzoeker hierna: [verweerder] advocaat: mr. D. Warnink te Kampen 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep Het Waterschap heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 7 oktober 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: het beroepschrift van 6 januari 2026; het verweerschrift van 17 april 2026; de op 1 mei 2026 door het Waterschap ingediende productie 28; de op 7 mei 2026 door [verweerder] nog ingediende productie 6; het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 mei 2026 is gehouden. 2 De kern van de zaak 2.1 [verweerder] is op staande voet ontslagen, in essentie vanwege wat het Waterschap betitelt als urenfraude/dagdieverij. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd omdat het niet onverwijld was verleend en niet berustte op een dringende reden en heeft ook de bij het voorwaardelijk tegenverzoek verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen. 2.2 Het Waterschap wil met een beslissing van het hof alsnog het einde van de arbeidsovereenkomst bewerkstelligen. [verweerder] wil dat de beslissing van de kantonrechter in stand blijft en anders wil hij, indien mogelijk, een billijke vergoeding. 2.3 Het hof wijst de verzoeken van het Waterschap af en zal die beslissing hierna motiveren, nadat eerst de relevante feiten zijn vastgesteld. Aan de voorwaardelijke tegenverzoeken van [verweerder] komt het hof niet toe. 3 De feiten Het hof gaat uit van de volgende feiten: 3.1 [verweerder] , geboren in 1964, is [sinds] 1994 in dienst van het Waterschap dan wel van een van zijn rechtsvoorgangers. [verweerder] is aangesteld als muskusrattenvanger en is steeds als zodanig werkzaam geweest. Zijn loon bedroeg, inclusief toelagen, in 2025 ongeveer € 3.500,- bruto per maand bij een 36-urige werkweek. 3.2 [verweerder] is in 2024, tot 2 september 2024, (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geweest vanwege klachten voortvloeiende uit darmkanker waarvoor hij was behandelend en vanwege schouderklachten. [verweerder] is daarnaast bekend met ADHD waarvoor hij medicijnen voorgeschreven krijgt. 3.3 Voor [verweerder] is vanaf 1 januari 2025, een ‘ontzie-maatregel’ getroffen. Dit houdt in dat hij per week 5 uur minder hoeft te werken, bij gelijkblijvend loon, pensioen en vakantie-uren. 3.4 Muskusrattenbestrijders moesten wekelijk urenbriefjes invullen en verwerken in een computerprogramma met de naam AllSolutions . 3.5 De teamleider van het team van de Muskusrattenbestrijders (het MURA-team) was [naam1] (verder: [naam1] ). De verstandhouding tussen [verweerder] en [naam1] was slecht. In het jaargesprek (door het Waterschap aangeduid als het Goede Gesprek) van 16 oktober 2023 is dit benoemd. Daarin staat verder onder meer: “ [naam1] [ [naam1] , hof] verwacht van [verweerder] [ [verweerder] , hof] niet de productie die hij verwacht van een jongere bestrijder dat mag wel 30- 40% minder zijn maar de werkwijze kan universeel zijn dat staat los van de leeftijd. Als hij kijkt naar het aantal uren wat [verweerder] maakt is de productie van het aantal kilometers speuren minder dan bij de gemiddelde bestrijders. Daarnaast schrijft [verweerder] iedere week gemiddeld 8-9 uur organisatie en administratie. [verweerder] geeft aan dat hij de uren die hij rijdt onder dit vlak zet. [naam1] geeft aan wel een keer met [verweerder] een week mee te willen gaan om te zien hoeveel kilometer je op een dag kunt afspeuren. (…). [naam1] geeft aan dat [verweerder] wel goed tijd schrijft. [naam1] geeft aan dat [verweerder] regelmatig naar het hoofdkantoor gaat of aansluit bij andere bijeenkomsten hier heeft [naam1] nog nooit wat van gezegd maar wordt niet gemeld terwijl hier wel afspraken over zijn. Als je niet in je eigen gebied bezig bent dan geef je dat door dat doen anderen ook.” 3.6 Op 15 november 2024 heeft het volgende Goede Gesprek plaatsgevonden. In het daarvan door [naam1] opgemaakte verslag (niet door [verweerder] ondertekend) is onder meer opgenomen: “ [verweerder] geeft aan wel ander werk te willen doen of iets naast de bestrijding, tegen [verweerder] gezegd dat dit nog niet zo gemakkelijk is en erover na moeten denken wat dan. We kunnen niet een functie waar geen formatie voor is invullen. [verweerder] zou wel iets met de rivierkreeften willen doen maar dat is geen wettelijke taak van het waterschap en doen we momenteel nog niet, ook werk voor de bever zou hij we willen doen maar is nu nog niet benodigd. Werken met de bosmaaier of exotenbestrijding wordt lastig gezien de problemen met de schouder, dan blijft er weinig over als we naar de functies binnen het waterschap kijken. Heb [verweerder] afgelopen jaar gevraagd om de functie van bode te gaan doen dan zou ik daar contact over opnemen, [verweerder] heeft mij aangegeven dat dit niet iets is wat bij hem past omdat hij een buitenman is. Ten aanzien van de werkzaamheden in het veld maak ik me wel een beetje zorgen over de gemaakte velduren in relatie tot het aantal gespeurde kilometers. Gezien het aantal velduren zou [verweerder] met die uren een grotere oppervlakte en kilometers aan watergangen moeten kunnen speuren. Tegen [verweerder] al vaker gezegd dat hij van mij niet zo hard hoeft te lopen als een jonge bestrijder, al haal je 60% van de productie van een jongere collega dan ben ik al dik tevreden. Wanneer je met structuur je werk doet wat los staat van je leeftijd en de dag erop weer verder gaat waar je de dag ervoor bent gestopt met speuren dan moet het mogelijk zijn om 10 kilometer per dag te speuren en het gebied wat jou is toegewezen twee keer te speuren. Jouw collega’s helpen je nu anders was dat niet gelukt dit jaar om het gebied twee keer te speuren. Gezien het aantal vangsten in jouw gebied en het aantal vaste vangmiddelen en conibearklemmen gaat daar de tijd niet in zitten, er genoeg tijd om te speuren. Structuur in het werk help je bij de voortgang dat zie je bij de collega’s die zo werken. [verweerder] wordt dit jaar 60, het duurt nog zeven jaar voor hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. [verweerder] heeft het afgelopen jaar problemen gehad met zijn schouder en een paar jaar geleden gelukkig weer genezen van een niet te noemen ziekte het is te hopen voor [verweerder] dat hij de komende jaren gevrijwaard is van deze fysieke problemen.” 3.7 Op 3 maart 2025 heeft [naam1] aan [verweerder] meegedeeld dat de black box van zijn dienstauto zou worden uitgelezen. Dit is gebeurd voor de periode 19 augustus 2024 tot en met 26 februari 2025. Daarna heeft [naam1] deze gegevens geplaatst naast de urenbriefjes en AllSolutions -registraties van [verweerder] en verwerkt in een deels in zijn vrije tijd gemaakt Excel schema. Deze gegevens zijn op 17 maart 2025 aan [verweerder] gepresenteerd waarbij een vervolggesprek is aangekondigd waarbij [verweerder] werd aangeraden juridische bijstand in de arm te nemen. Op 26 maart 2025 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden met de advocaat van [verweerder] erbij, waarbij het Waterschap vragen heeft gesteld. Op die dag is per e-mail aan de advocaat van [verweerder] bericht dat [verweerder] “tot en met volgende week woensdag is vrijgesteld van werk” (dat is tot en met 2 april 2025). Deze non-actiefstelling is vervolgens tweemaal verlengd tot en met 18 april 2025. Ook zijn er op 2 april 2025 schriftelijk aanvullende vragen aan (de advocaat van) [verweerder] gesteld. 3.8 Op 11 april 2025 heeft de advocaat van [verweerder] de vragen beantwoord, daarna is [verweerder] opgeroepen voor een gesprek op 17 april 2025. Op die dag heeft het Waterschap [verweerder] op staande voet ontslagen en hem een 10 pagina’s tellende ontslagbrief uitgereikt. Daarin staat aan het eind: “Voornoemde feiten en omstandigheden in overweging genomen zijn wij van mening dat je je met jouw handelswijze schuldig hebt gemaakt aan urenfraude. We rekenen je dit zwaar aan, omdat je op grond van het personeelshandboek en de gedragscode wist of behoorde te weten dat dergelijk gedrag niet past bij hetgeen van een werknemer van het waterschap wordt verwacht. Bovendien zijn er in 2023 twee van je collega's ontslagen wegens urenfraude. Van een goed werknemer mag worden verwacht dat zijn geschreven (werk)uren overeenkomen met de werkelijkheid. Daar komt nog eens bij dat we ervan uitgaan dat je zelf wist dat je meer uren schreef dan je daadwerkelijk werkte en je in de weekbrieven een ander beeld hebt geschetst dan de werkelijkheid. De verklaringen die je hiervoor hebt gegeven zijn niet afdoende. Eén en ander kan niet worden verklaard door een slordige administratie, problemen met systemen, gesprekken met de vertrouwenspersoon/bedrijfsmaatschappelijk ondersteuner (danwel het uitvoeren van opdrachten) en lichamelijke klachten. Bovendien zien we inconsistenties in je verklaringen. Daar komt bij dat er steeds in jouw voordeel is geschreven en niet in het voordeel van de werkgever. Dat samen maakt je verklaringen niet geloofwaardig. Je hebt in de gesprekken en in de schriftelijke verklaringen niet aangegeven spijt te hebben of op enige andere wijze excuses aangeboden. (…) Jouw persoonlijke omstandigheden, zoals onder meer de gevolgen die het ontslag voor jou zal hebben, hebben wij afgewogen tegen de aard, ernst en omvang van de dringende redenen. Gelet op de duur van je dienstverband zijn wij van mening dat je als ervaren ambtenaar wist of behoorde te weten dat meer uren schrijven dan je daadwerkelijk werkt een goed ambtenaar niet betaamt en ernstig plichtsverzuim oplevert. (…) Uitsluitend uit coulance en onder het uitdrukkelijke voorbehoud van alle rechten verlenen wij dit ontslag op staande voet onder de opschortende voorwaarde dat je vóór dinsdag 22 april 2025 om 16.00 uur zelf je arbeidsovereenkomst schriftelijk en met ingang van 1 augustus 2025 hebt opgezegd” 3.9 [verweerder] heeft niet zelf de arbeidsovereenkomst opgezegd. Hij heeft wel op 22 april 2025 de bedrijfseigendommen bij het Waterschap ingeleverd. 3.10 Op 16 oktober 2025, nadat de kantonrechter het ontslag op staande voet had vernietigd heeft het afdelingshoofd van de afdeling waaronder het team MURA viel en de bedrijfsjurist van het Waterschap een bespreking gehad met het hele team MURA – zonder [verweerder] – over de uitspraak van de kantonrechter en de terugkeer van [verweerder] . Daarbij is onder meer de medische situatie van [verweerder] besproken en is aangekondigd dat voor [verweerder] een verbetertraject geldt en is aangegeven wat er in dat traject zal worden opgenomen. Van deze bespreking – waarbij ook ongepaste grappen werden gemaakt over de stoelgangproblemen van [verweerder] – is een opname gemaakt die in het bezit is geraakt van [verweerder] . 3.11 [naam1] is inmiddels met pensioen en opgevolgd door [naam2] als teamleider die met ingang van december 2025 het verbetertraject ter hand heeft genomen. Nadat op 16 januari 2026 nog een aanvaring tussen hen beiden is geweest heeft [verweerder] zijn werkzaamheden (in een ander zoekgebied) hervat en verricht hij zijn werkzaamheden naar tevredenheid van [naam2] . 4 De beslissing van de kantonrechter 4.1 De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd omdat het ontslag niet onverwijld was gegeven, dit omdat het Waterschap had gesteld dat de signalen van ‘urenfraude’ al in november 2024 bij het Waterschap bekend waren en er geen verklaring is gegeven waarom het onderzoek daarna pas op 3 maart 2025 is gestart. 4.2 Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat ook materieel gezien geen sprake was van een dringende reden. De kantonrechter had niet de overtuiging dat sprake was van urenfraude, terwijl het op de weg van het Waterschap had gelegen om eerst [verweerder] te waarschuwen over de onjuiste wijze waarop uren werden weggeschreven. Ook heeft het Waterschap onvoldoende rekening gehouden met de invloed van (fysieke en andere) beperkingen van [verweerder] op de uitvoering van het werk en heeft het [verweerder] in een moeilijke situatie gebracht door met terugwerkende kracht een nadere verklaring van [verweerder] te verlangen voor de door hem verrichte werkzaamheden vanaf augustus 2024, terwijl het Waterschap verder onvoldoende rekening heeft gehouden met het arbeidsverleden van [verweerder] . 4.3 De kantonrechter heeft het subsidiaire ontbindingsverzoek van het Waterschap afgewezen omdat het ernstige verwijtbare handelen niet is komen vast te staan, het onterechte wantrouwen van het Waterschap in [verweerder] onvoldoende is voor een ontbinding op de g-grond, en alles tezamen ook onvoldoende is voor een ontbinding op de i-grond. 5 De beoordeling door het hof De verzoeken in hoger beroep 5.1 Het Waterschap verzoekt het hof om voor recht te verklaren dat het op 17 april 2025 verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en, naar het hof de vordering begrijpt, alsnog een moment vast te stellen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Subsidiair verzoekt het Waterschap het hof om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de -e- dan wel g- dan wel de i-grond. 5.2 [verweerder] verzoekt het hof om de uitspraak van de arbeidsovereenkomst te bekrachtigen, dan wel – als het hof uitgaat van een geldig ontslag op staande voet – ten minste een termijn van vier maanden na arrestdatum aan te houden voor het einde van de arbeidsovereenkomst. Ingeval het hof tot ontbinding overgaat verzoekt [verweerder] om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding van ruim € 150.000, en bij ontbinding op de i-grond op een cumulatievergoeding van 50% van de transitievergoeding. Het beoordelingskader 5.3 Het hof schetst allereerst het juridische toetsingskader voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. De werkgever heeft op grond van artikel 7:677 BW de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens een dringende reden. Die reden moet onverwijld aan de werknemer worden meegedeeld. Artikel 7:678 BW bepaalt dat als dringende reden wordt beschouwd zodanige omstandigheden die als gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevraagd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De wet geeft daarvan ook voorbeelden. Uit die opsomming blijkt dat het moet gaan om zeer ernstige omstandigheden die objectief bekeken maken dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevraagd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De bewijslast daarvan rust op de werkgever. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Onverwijldheid 5.4 Een ontslag op staande voet is pas rechtsgeldig als het onverwijld is gegeven. De ‘onverwijldheidsklok’ begint te lopen wanneer een vermoeden van een dringende reden ontstaat. Voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden van dat ontslag daadwerkelijk ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Sprake moet zijn van een geïndividualiseerd en geconcretiseerd vermoeden, dat wil zeggen een redelijke mate van duidelijkheid over welke werknemer het betreft en de feitelijke grondslag die het bestaan van een dringende reden voor het ontslag van die werknemer redelijkerwijs aannemelijk maakt. Vanaf dat moment heeft de partij die een opzegging wegens dringende reden overweegt, enig, maar niet veel, respijt (bijvoorbeeld voor het verrichten van enig onderzoek) voordat daadwerkelijk tot ontslag wordt overgegaan. 5.5 Het kernverwijt dat het Waterschap [verweerder] maakt – het hof komt daarop hierna in rov. 5.12 en volgende op terug – is dat [verweerder] feitelijk minder uren werkt voor het Waterschap dan uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeit en hij op zijn tijdschrijfformulieren dan wel in het programma AllSolutions heeft verantwoord. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het Waterschap zelf heeft gesteld dat het Waterschap ten tijde van het ‘Goede Gesprek’ van 15 november 2024 beschikte over signalen dat [verweerder] zijn uren niet maakte en dat het Waterschap niet helder heeft uitgelegd waarom zij daar pas begin maart 2025 onderzoek naar heeft ingesteld. Het Waterschap heeft zich wel beroepen op nieuwe signalen ontvangen kort voor 3 februari 2025, maar heeft dat niet concreet gemaakt. 5.6 In hoger beroep voert het Waterschap aan dat er na november 2025 nieuwe signalen van collega’s van [verweerder] bij de toenmalige teamleider [naam1] binnenkwamen dat de auto van [verweerder] bij zijn huis was gezien, terwijl hij nog niet was afgemeld voor werk, en dat die signalen reden waren voor het onderzoek naar de black box van de dienstauto. Het Waterschap wil niet meedelen van wie die signalen afkomstig waren omdat anonimiteit zou zijn beloofd. Het hof stelt vast dat er volgens het Waterschap zowel voor november 2025 als daarna signalen bij de teamleider binnengekomen waren die er kort gezegd op neerkwamen dat [verweerder] zijn uren niet maakte. Waarom die signalen in november 2024 geen reden waren voor een nader onderzoek maar in maart 2025 wel, heeft het Waterschap niet goed uitgelegd. Het Waterschap stelt wel dat de eerdere signalen tijdens het Goede Gesprek van 15 november 2024 door [naam1] met [verweerder] zijn besproken, maar [verweerder] bestrijdt dit en in het - redelijke uitvoerige - verslag dat van dit gesprek is opgenomen staat niets over het (mogelijk) niet maken van zijn uren door [verweerder] , laat staan iets over een daarvoor gegeven waarschuwing. Het hof verwerpt dan ook het bezwaar van het Waterschap en is het met de kantonrechter eens dat het Waterschap niet onverwijld heeft gehandeld doordat zij, hoewel er volgens haar zelf in november 2025 als signalen waren dat [verweerder] minder uren werkte dan hij zou moeten, daar pas in maart 2025 nader onderzoek naar te doen. Het onderzoek naar de black box 5.7 Het Waterschap heeft op 3 maart 2025 aan [verweerder] meegedeeld dat de black box van zijn dienstauto zou worden uitgelezen. Volgens het Waterschap mag zij dit doen bij het vermoeden van onregelmatigheden. Het Waterschap heeft daartoe het ‘Reglement track and trace digitale rittenregistratiesystemen Waterschap Drents Overijssels Delta 2020’ in het geding gebracht. In artikel 3 van dat reglement zijn de doeleinden van gegevensverwerking opgenomen. Dit zijn: het kunnen voldoen aan fiscale wet- en regelgeving inzake een sluitende rittenregistratie (kort gezegd: onderscheid werk- dan wel privégebruik); het optimaliseren van de bedrijfsvoering van het Waterschap door de analyse van vervoersbewegingen; het onderzoeken van rechtmatig gebruik van het rijdend en varend materieel in relatie met het functioneren van medewerkers, indien sprake is van gerede twijfel; het kunnen traceren van materieel zoals bij diefstal en eventuele vermissing van medewerkers. 5.8 Het hof stelt vast dat geen van deze doeleinden ziet op het gebruik van de black box als een soort prikklok om vast te stellen of een medewerker zijn uren wel maakt, ook die genoemd onder het derde gedachtestreepje niet waarop het Waterschap zich heeft beroepen. Daar gaat het om het onrechtmatig gebruik van het dienstvoertuig. Daarvan is in het geval van [verweerder] geen sprake noch een vermoeden. Het hof heeft in de regeling ook geen bepaling aangetroffen dat een dergelijk onderzoek wel mogelijk is als de directeur bedrijfsvoering en/of de voorzitter van de ondernemingsraad daarvoor toestemming geeft. 5.9 Het hof is het met [verweerder] eens dat het Waterschap niet heeft kunnen uitleggen waarom, als er eind februari/begin maart 2025 signalen bij het Waterschap zijn binnengekomen dat de auto van [verweerder] ‘te vroeg’ (dus onder werktijd) bij zijn huis stond, hem niet diezelfde week is gevraagd daarover tekst en uitleg te verschaffen, in plaats van de gegevens van de black box uit de periode vanaf augustus 2024 (toen [verweerder] nog niet eens hersteld was gemeld) uit te lezen, te analyseren en [verweerder] om een verklaring te verzoeken voor daaruit volgens het Waterschap geconstateerde onregelmatigheden in die hele periode. Het op deze wijze verrichten van onderzoek is niet zorgvuldig of onverwijld te noemen. Dit alles betekent dat het oordeel van de kantonrechter op dit punt overeind blijft. De meegedeelde dringende reden 5.10 Naar vaste rechtspraak wordt de ontslaggrond gefixeerd door (de inhoud van) de opzeggingsbrief. Andere gronden, ook als die zich zouden hebben voorgedaan, kunnen daarmee geen reden voor het ontslag op staande voet vormen. Als meerdere redenen voor het ontslag op staande voet zijn meegedeeld, moet, eveneens volgens vaste jurisprudentie, de werkgever stellen en aannemelijk maken dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen indien hij niet meer gronden zou hebben gehad dan in rechte zijn komen vast te staan. Dit laatste moet voor de werknemer in het licht van de gehele aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk zijn geweest. 5.11 De ontslagbrief telt tien pagina’s. In die pagina’s worden door het Waterschap een groot aantal verwijten aan [verweerder] gemaakt, variërend van het te langzaam rijden met zijn auto, het met de auto speuren naar muskusratten, het stationair laten draaien van de auto, het in de ogen van het Waterschap te vaak bezoeken van het steunpunt in [plaats1] , het teveel uren besteden aan administratie en aan activiteiten als cursussen, bezoeken bedrijfsarts en gesprekken met de vertrouwenspersoon, tot het verschil tussen de gegevens uit de black box over tijdstippen van vertrek en thuiskomst en de tijdsregistratie op de formulieren / in AllSolutions van 94 uur en 11 minuten. Na deze opsomming en bespreking vervolgt de ontslagbrief met “voornoemde feiten in overweging genomen zijn wij van mening dat je je met jouw handelswijze schuldig hebt gemaakt aan urenfraude”. Dat lijkt erop te wijzen dat het Waterschap alle verwijten categoriseert als urenfraude of ‘dagdieverij’, terwijl veel van de gemaakte verwijten op uiteenlopende gedragingen zien die niet in die categorie passen. In het vervolg van de procedure wordt door het Waterschap voornamelijk ingezoomd op het laatste verwijt van de niet juist verantwoorde 94 uur en 11 minuten, maar dat neemt niet weg dat de ontslagbrief allesbehalve duidelijk is geformuleerd en dat het Waterschap niet voldaan heeft aan de hiervoor uit de vaste jurisprudentie voortvloeiende eisen die aan een ontslag met een meervoudige ontslagreden worden gesteld. Het hof is het met de kantonrechter eens dat een groot deel van de verwijten die het Waterschap aan [verweerder] maakt betrekking hebben op de wijze waarop hij functioneert – waarbij een verbetertraject is aangewezen – en geen dringende reden opleveren op grond waarvan de arbeidsovereenkomst onmiddellijk zou moeten worden beëindigd. 5.12 Het hof is het ook met de kantonrechter eens dat het verschil tussen de door [verweerder] in AllSolutions verantwoorde uren en de uren die het Waterschap heeft herleid uit de black box van de dienstauto in dit geval geen voldoende dringende reden oplevert. [verweerder] heeft gesteld dat hij thuis administratie verrichtte, werkte aan opdrachten die hij van de vertrouwenspersoon had gekregen en studeerde voor een VCA-examen (veiligheid, gezondheid en milieu) dat hij inmiddels heeft behaald. Verder heeft hij aangevoerd dat hij vanwege de doorgemaakte darmkanker problemen heeft met zijn stoelgang en vaker naar het toilet moet. Ter zitting bij het hof is ook aan de orde geweest dat hij, als hij zijn medicatie voor de ADHD niet slikte, hij soms vergat om de auto uit te schakelen. Ook heeft hij aangevoerd dat hij geen feeling had voor administratie en computers en dat het invullen van de administratie hem buitengewoon veel tijd kostte. 5.13 Uit het dossier en het verhandelde ter zitting rijst het beeld dat [verweerder] in de periode na het herstel van zijn darmkanker niet goed in zijn vel zat, sneller aangebrand reageerde naar collega’s toe, zijn speurwerkzaamheden niet meer juist uitvoerde (vanuit de auto in plaats van met de ter beschikking gestelde middelen als de quad), zijn gebrek aan administratief talent en computervaardigheden een te groot en tijdrovend obstakel liet worden, een slechte verstandhouding had met zijn teamleider – waarbij een weinig geslaagd sinterklaasgedicht van [naam1] bestemd voor [verweerder] de sfeer bepaald niet verbeterde – en er, kort gezegd, de kantjes wat vanaf liep. Daaruit komt echter niet het beeld naar voren dat [verweerder] opzettelijk vrij nam zonder daarvoor verlofuren op te nemen. Daar komt nog bij dat [verweerder] vanaf januari 2025 ontzie-uren heeft toegekend gekregen vanwege zijn medische situatie terwijl zijn situatie in de periode in 2024 waarop het onderzoek zich richtte niet wezenlijk verschilde van de periode na 1 januari 2025. 5.14 De kantonrechter heeft ook terecht waarde gehecht aan het feit dat [verweerder] geen – bij voorkeur schriftelijke – waarschuwing heeft gekregen voor het onjuist verantwoorden van zijn uren. Het hof gaat niet mee in de redenering van het Waterschap dat het voldoende is dat het Waterschap in het verleden ook andere medewerkers op staande voet heeft ontslagen vanwege wat zij noemt dagdieverij en dat die ontslagen in de organisatie breed zijn gecommuniceerd. 5.15 Ook heeft het Waterschap er geen blijk van gegeven dat zij de bijzondere medische toestand en de verdere persoonlijke omstandigheden van [verweerder] op juiste wijze heeft afgewogen. Het Waterschap stelt dat pas tijdens de verhoren in maart 2025 aan de orde kwam dat [verweerder] darmklachten had en voor ADHD werd behandeld en dat, bij gebreke van afdoende bewijsstukken, het Waterschap daarmee geen rekening hoefde te houden bij de beslissing om ontslag te verlenen. Dat laatste is niet juist: het Waterschap had in ieder geval kennis van deze omstandigheden toen het ontslag op staande voet werd verleend en had dus deze omstandigheden moeten afwegen. Ook het lange, eenzijdige dienstverband van [verweerder] als muskusrattenvanger – een beroep dat bijna alleen bij een waterschap kan worden uitgeoefend – heeft het Waterschap niet op juiste wijze meegewogen. Het Waterschap heeft op dat punt ten onrechte alleen aangegeven dat juist omdat [verweerder] al zo lang ambtenaar was, hij meer bewust moest zijn dat hij integer moest handelen en zijn werkuren moest maken. 5.16 Het hof is het, alles afwegende, eens met het oordeel van de kantonrechter dat in dit geval geen sprake is van een dringende reden in objectieve zin. 5.17 [verweerder] heeft nog aangevoerd dat, gelet op het feit dat het ontslag op staande voet onder opschortende voorwaarde van ontslagname per 1 augustus 2025 was gegeven, ook geen sprake is van een subjectieve dringende reden. Als [verweerder] inderdaad bij ontslagname ‘gewoon’ tot 1 augustus 2025 zou mogen blijven, is dat slecht te rijmen met een ontslag op staande voet. Uit de tekst van de ontslagbrief blijkt niet wat de bedoeling van het Waterschap was op dit punt. Ter zitting heeft het Waterschap aangegeven dat, als [verweerder] op dat voorstel in zou gaan, hij dan feitelijk niet meer zou mogen werken. Uitgaande van die uitleg zou de opschortende voorwaarde als zodanig niet aan een geldig ontslag op staande voet in de weg hebben gestaan. Van groot belang is dit verder niet meer, omdat het ontslag op staande voet niet voldoet aan de eisen van onverwijldheid en een objectieve geldige reden voor dat ontslag. 5.18 De primaire verzoeken van het Waterschap stuiten hierop af. Geen voldoende grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst 5.19 De wet schrijft voor dat het hof een datum bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst eindigt als het verzoek van de werkgever aan de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden ten onrechte is afgewezen (artikel 7:683 lid 5 BW). Ter beoordeling ligt dus allereerst voor of zich een redelijke ontslaggrond voordoet (artikelen 7:671b leden 1 en 2 BW en 7:669 lid 1 BW). Die beoordeling is uitdrukkelijk niet beperkt tot feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de beslissing van de kantonrechter, maar beslaat ook de huidige situatie. 5.20 Volgens het Waterschap levert de constatering naar aanleiding van het onderzoek naar de black box dat sprake is van urenfraude ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] op en heeft de kantonrechter ten onrechte de arbeidsovereenkomst niet op de e-grond ontbonden. Het hof verwijst naar wat hiervoor over deze grond in het kader van de beoordeling van de dringende reden is overwogen. Dat [verweerder] zich aan fraude zoals het Waterschap heeft gesteld heeft schuldig gemaakt, is onvoldoende komen vast te staan. 5.21 Wat de door het Waterschap gestelde verstoorde arbeidsverhouding betreft overweegt het hof dat het belang van de slechte verstandhouding tussen [verweerder] en [naam1] inmiddels is achterhaald omdat [naam1] met pensioen is gegaan. Voor zover het Waterschap heeft gewezen op de opname die van de bijeenkomst op 16 oktober 2025 (zie hiervoor onder 3.10) en het kwalijke karakter van heimelijke opnames in het algemeen, blijkt uit niets dat [verweerder] de hand heeft gehad in het feit dat van deze bijeenkomst – waar hij niet aanwezig was – een opname is gemaakt. Uit het door het Waterschap zelf in het geding gebrachte verslag van die bijeenkomst blijkt dat de daar aanwezige leidinggevenden minst genomen niet handig hebben geopereerd. Het hof wil wel aannemen dat dit niet de bedoeling was, maar het plenair bespreken met alle collega’s van het voorgenomen verbeterplan voor [verweerder] en zijn medische situatie geeft geen pas. Uit dat verslag en uit het dossier blijkt ook dat het ontslag van [verweerder] , ten onrechte, tot een teamaangelegenheid is geworden, waarbij het Waterschap bij het verweerschrift in eerste aanleg diverse steunbetuigingen aan [naam1] heeft ingebracht, dit naar aanleiding van de door [verweerder] overgelegde verklaring van een oud-collega die – ten onrechte – een relatie had gelegd tussen de zelfmoord van een andere collega en de handelwijze van [naam1] . Tijdens de zitting van het hof heeft het afdelingshoofd haar excuses aangeboden aan [verweerder] voor genoemde bijeenkomst en heeft [verweerder] richting [naam1] aangegeven dat het zo niet had gemoeten met de door hem ingebrachte steunverklaring van desbetreffende oud-collega. 5.22 Uit het verslag van 16 oktober 2025 blijkt wel dat er op dat moment iets aan de hand was in het MURA-team en dat bij de positieve uitkomst van het medewerkerswaarderingsonderzoek waarop het Waterschap zich heeft beroepen, wel kanttekeningen zijn te maken. Dat sprake is van onherstelbaar beschadigde relaties tussen het managementteam van het Waterschap en [verweerder] danwel tussen [verweerder] en de rest van het MURA-team is het hof onvoldoende gebleken. Het Waterschap heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoende pogingen heeft gedaan om die verstandhoudingen weer te verbeteren. Daarbij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat het hof de indruk heeft dat de nieuwe teamleider [naam2] goed bezig is en dat tussen hem en [verweerder] (inmiddels) sprake is van goed werkbare verhoudingen. Het hof heeft er voldoende vertrouwen in dat [naam2] , als hij de nodige steun en verdere medewerking van het hogere management krijgt, de verstandhoudingen binnen het team kan normaliseren. Daarbij worden ook inspanningen van [verweerder] verwacht, in die zin dat hij blijft doorgaan op de manier waarop hij vanaf januari 2026 zijn activiteiten heeft hervat en dat hij de voorgeschreven ADHD- medicatie gebruikt. 5.23 Voor een ontbinding op de i-grond acht het hof ook onvoldoende grond aanwezig. Uit het dossier blijkt dat vooral sprake is van een onvoldragen d-grond omdat [verweerder] door een aantal factoren niet meer goed functioneerde. Uit de overgelegde verslagen van het verbetertraject blijkt dat, nadat het tussen de nieuwe teamleider [naam2] en [verweerder] het medio januari 2026 nog even had geknetterd, bij [verweerder] de knop is omgegaan en hij naar behoren lijkt te functioneren en het plezier is zijn werk heeft teruggevonden en zich heeft gerealiseerd dat hij dit tot zijn pensioen wil blijven doen. 5.24 Het hof zal daarom ook, in het voetspoor van de kantonrechter, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst afwijzen. De slotsom 5.25 De grieven van het Waterschap treffen geen doel. Het hof zal het beroep van het Waterschap ongegrond verklaren en de in hoger beroep ingestelde vorderingen afwijzen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof het Waterschap in de kosten van de procedure veroordelen, te begroten op het geheven griffierecht en een bedrag voor de kosten van de advocaat. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 5.26 De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 6 De beslissing Het hof: 6.1 verwerpt het beroep; 6.2 wijst de vorderingen van het Waterschap af; 6.3 veroordeelt het Waterschap in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 373,- aan verschotten en op € 2.580,- aan salaris advocaat (twee punten naar tarief II van het liquidatietarief) en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad; 6.4 bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente en 6.5 wijst af wat verder is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, K. Mans en R.J.A. Dil en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026. HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:283 HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.