Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Amsterdam, 25-06-2026 (13-113687-26)

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam
Summary

Executie-EAB uit Polen. Geen sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Gelet op het Khuzdar-arrest, moet zijn voldaan aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. De rechtbank is van oordeel dat zich geen omstandigheid voordoet op grond waarvan hij geacht kan worden in kennis te zijn gesteld van tijdstip en plaats van de zitting. Verder kan niet worden geoordeeld dat de opgeëiste persoon opzettelijk heeft vermeden dat hij officieel in kennis wordt gesteld van tijdstip en plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Overlevering toegestaan.

Case Summary

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-113687-26 Datum uitspraak: 25 juni 2026 UITSPRAAK op de vordering van 21 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 14 november 2025 door the Regional Court in Gliwice , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Polen), feitelijk verblijfadres: [feitelijk verblijfadres] . hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 juni 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt twee vonnissen: sentence issued by the District Court in Gliwice van 28 december 2022, met referentie: IX K 406/20, upheld by the sentence issued by the Regional Court in Gliwice van 8 augustus 2023, met referentie VI Ka 365/23 (hierna: arrest I); sentence issued by the District Court in Gliwice van 19 november 2021, met referentie IX K 1125/20, upheld by the sentence issued by the Regional Court in Gliwice van 8 maart 2022, met referentie: VI Ka 107/22 (hierna: arrest II). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk twee jaren en zes maanden (arrest I) en één jaar (arrest II), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straffen resteren nog in hun geheel. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde arresten. Deze arresten betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW 4.1. Inleiding Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de procedures in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen. 4.2. Standpunten van partijen Standpunt van de raadsvrouw Ten aanzien van arrest I heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De opgeëiste persoon was niet in persoon aanwezig bij het hoger beroep. Uit de verstrekte informatie volgt niet aan welk adres de oproeping voor de zitting in hoger beroep is verzonden. Daarnaast is onduidelijk of de opgeëiste persoon de raadsman heeft gemachtigd om namens hem het woord te voeren in hoger beroep, nu dit door de opgeëiste persoon wordt betwist. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht niet af te zien van weigeren, nu de opgeëiste persoon geen verwijt kan worden gemaakt. Hoewel de opgeëiste persoon in persoon is verschenen in de procedure die tot arrest II heeft geleid en de weigeringsgrond van artikel 12 zich ten aanzien van dat arrest niet voordoet, verzoekt de raadsvrouw primair de overlevering in zijn geheel te weigeren. Volgens de raadsvrouw is er namelijk een reëel risico dat bij een partiële weigering voor arrest I die veroordeling toch ten uitvoer wordt gelegd als de overlevering voor arrest II wordt toegestaan. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de overlevering partieel geweigerd dient te worden, namelijk ten aanzien van arrest I en alleen kan worden toegestaan voor arrest II nu de opgeëiste persoon in persoon is verschenen in de procedure die tot dat arrest II heeft geleid. Uiterst subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat aanvullende vragen dienen te worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedure die tot arrest I heeft geleid. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Ten aanzien van de procedure die tot arrest II heeft geleid, staat vast dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen. Voor wat betreft de procedure die tot arrest I heeft geleid geldt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De opgeëiste persoon heeft een advocaat gemachtigd om namens hem het hoger beroep in te stellen. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dient te worden afgezien van weigering van de overlevering, omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces. De opgeëiste persoon heeft immers zelf hoger beroep laten instellen, zodat het op zijn weg had gelegen navraag te doen naar het verloop van de procedure. 4.3. Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van arrest I De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De rechtbank overweegt dat in het EAB, in onderdeel D, ten aanzien van de procedure in hoger beroep is aangekruist dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure, een advocaat heeft gemachtigd om hem op zitting te verdedigen en de advocaat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op zitting heeft verdedigd. Op 21 mei 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) arrest gewezen in de zaak Khuzdar . De rechtbank overweegt dat uit dit arrest volgt dat de in artikel 12, sub b, OLW opgenomen bepaling dat “ de verdachte op de hoogte was van het voorgenomen proces ” aldus moet worden uitgelegd dat vereist is dat de verdachte in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Het HvJ EU benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces. Tegelijkertijd volgt uit het arrest dat het feit dat de betrokkene niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld, niet noodzakelijkerwijs betekent dat niet aan de voorwaarde ‘dat hij in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid’, is voldaan. In dat geval moet bij de beoordeling of de betrokkene vrijwillig en ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, worden nagegaan of zijn verdedigingsrechten zijn geëerbiedigd. Hierbij dienen alle omstandigheden in aanmerking te worden genomen, waaronder het gedrag van de betrokkene. Ook in de onderhavige zaak is het daarom allereerst van belang dat, gelet op het Khuzdar -arrest, voldaan moet zijn aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. De rechtbank vindt daarbij het volgende van belang. In onderdeel D van het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces, en onder 2 staat toegelicht dat de opgeëiste persoon naar behoren is opgeroepen voor de procedure in hoger beroep maar de oproep niet heeft opgehaald. Hiermee staat vast dat de opgeëiste persoon niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. De rechtbank is verder van oordeel dat zich geen omstandigheid voordoet op grond waarvan hij geacht kan worden in kennis te zijn gesteld van tijdstip en plaats van de zitting. De opgeëiste persoon heeft in dit verband ter zitting verklaard dat hij nooit een oproep heeft ontvangen, dat hij op dat moment al in het buitenland verbleef, hij een correspondentieadres van zijn moeder heeft opgegeven en zijn moeder hem zeker zou hebben ingelicht als er een oproep zou zijn binnengekomen. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de opgeëiste persoon opzettelijk heeft vermeden dat hij officieel in kennis wordt gesteld van tijdstip en plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat geen sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Verder hebben zich géén van de in artikel 12, sub a en c, OLW genoemde omstandigheden voorgedaan. Ten slotte is geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering op grond artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren en acht daarbij het volgende van belang. Uit het EAB en het verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op de procedure in eerste aanleg, waar hij is bijgestaan door een gemachtigd advocaat. Deze advocaat heeft vervolgens op verzoek van de opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. In onderdeel D van het EAB staat hierover vermeld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces. Onder 2 is verder toegelicht dat de opgeëiste persoon naar behoren is opgeroepen voor de procedure in hoger beroep maar dat de oproep niet is opgehaald. De opgeëiste persoon heeft hierover ter zitting verklaard dat hij destijds in het buitenland verbleef, hij het adres van zijn moeder heeft opgegeven en hij meermaals contact heeft opgenomen met zijn advocaat maar deze niet te pakken kreeg. De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon wist dat er een hoger beroep procedure liep. Het had op zijn weg gelegen om contact te onderhouden met zijn advocaat en/of de Poolse autoriteiten over de stand van zaken in dat hoger beroep. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. Ten aanzien van het arrest II Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW voor dit arrest niet van toepassing is. 5 Strafbaarheid 5.1 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: - eenvoudige belediging; - opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen; - telkens: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd; - mishandeling; - eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; - overtreding van artikel 9 van de Wegenverkeerswet 1994. 6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 266, 267, 300, 350 Wetboek van Strafrecht, 9, 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Gliwice , Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter, mrs. E.M. de Bie en E. van den Brink., rechters, in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger, griffiers. en uitgesproken ter openbare zitting van 25 juni 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis) ), punt 47 en C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) ), punt 32. HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar ). Zie punt 71- 72. Zie punt 73-74. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .

Related across sources

Similar Content