Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Gelderland, 13-05-2026 (12029865)

Rechtbank Gelderland

Rechtbank Gelderland
Summary

Spoorwissel van dagvaarding- naar verzoekschriftprocedure en verwijzing naar handel

Case Summary

RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 12029865 \ CV EXPL 25-10261 Vonnis in het incident van 13 mei 2026 in de zaak van [naam eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , procederend in persoon, tegen DE VASTGOEDBESCHERMER B.V., T.H.O.D.N. VASTGOEDBESCHERMER.NL , te Waardenburg, gedaagde partij, hierna te noemen: De Vastgoedbeschermer, gemachtigde: mr. P. Jansen. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 5 december 2025; - de incidentele conclusie van eis tot onbevoegdheid, tevens conclusie van antwoord in de hoofdzaak; - de akte overlegging producties van [de eiser] ; - de conclusie van antwoord in het incident. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2 Het geschil 2.1. De Vastgoedbeschermer vordert dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaard en de zaak verwijst naar de bevoegde rechter, met veroordeling van [de eiser] in de proceskosten, vermeerderd met rente. 2.2. Ter onderbouwing van de incidentele vordering stelt De Vastgoedbeschermer – samengevat – dat de kantonrechter niet bevoegd is om van onderhavig geschil kennis te nemen, maar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank. Daarnaast heeft [de eiser] de procedure met een verkeerd processtuk ingeleid, namelijk een dagvaarding in plaats van een verzoekschrift. 2.3. [de eiser] vraagt de zaak door middel van artikel 69 Rv voort te zetten volgens de regels van de verzoekschriftprocedure, met behoud van oorspronkelijke datum van aanhangigmaking. 2.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 3 De beoordeling van het incident Verkeerd inleidend processtuk 3.1. Een procedure dient te worden ingeleid met een dagvaarding, tenzij uit de wet voortvloeit dat dit met een verzoekschrift moet worden gedaan. Op grond van artikel 69 Rv is de kantonrechter verplicht, ook zonder een daartoe strekkend verweer, te onderzoeken of de procedure met het juiste processtuk aanhangig is gemaakt. Indien de kantonrechter vervolgens constateert dat de zaak op het verkeerde ‘spoor’ zit, dient hij de wissel om te zetten en ervoor zorg te dragen dat de procedure wordt doorgeleid naar het juiste spoor. 3.2. De vordering van [de eiser] gaat onder andere om het verstrekken van volledige inzage in de persoonsgegevens op grond van artikel 15 AVG. Voor deze zaken is op grond van artikel 35 UAVG een verzoekschriftprocedure voorgeschreven. Dat betekent dat [de eiser] deze zaak dus niet met een dagvaarding had moeten inleiden, maar met een verzoekschrift. De kantonrechter zal daarom, waar [de eiser] ook zelf om vraagt, op grond van artikel 69 Rv een zogenoemde ‘spoorwissel’ toepassen en bevelen dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. 3.3. De kantonrechter acht verbetering of aanvulling van de dagvaarding als bedoeld in artikel 69 lid 1 Rv niet nodig. Evenmin is het nodig partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen aan te passen aan de procesregels die gelden voor een verzoekschriftprocedure (als bedoeld in artikel 69 lid 4 Rv). 3.4. Opgemerkt wordt dat in artikel 69 lid 1 Rv is bepaald dat wanneer een procedure is ingeleid met een dagvaarding, terwijl dit een verzoekschrift had moeten zijn, de procedure aanhangig geacht wordt vanaf de oorspronkelijke dag van dagvaarding. In dit geval is de inleidende dagvaarding betekend op 5 december 2025. De kantonrechter is niet bevoegd 3.5. Naast dat de procedure met een verkeerd processtuk is ingeleid, is de kantonrechter ook van oordeel dat hij niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. Op grond van artikel 42 RO is het uitganspunt dat verzoekschriften in eerste aanleg behandeld worden door de rechtbank, tenzij in de wet is bepaald dat de kantonrechter deze mag behandelen. Dit laatste is niet het geval voor verzoeken op grond van de AVG. Dat betekent dat niet de kantonrechter, maar een rechter van de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank bevoegd is om deze zaak te behandelen. [de eiser] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de onbevoegdheid van de kantonrechter. 3.6. Op basis van het voorgaande verwijst de kantonrechter de zaak daarom, met inachtneming van het bepaalde in artikel 71 Rv, naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingslocatie Arnhem. Een rechter van die afdeling beslist wat er verder met de zaak gebeurt. De partijen krijgen hier bericht over. 3.7. Op grond van artikel 35 lid 4 UAVG is het, zoals normaal gesproken wel het geval is, voor partijen niet verplicht om bij de kamer voor andere zaken dan kantonzaken zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Partijen mogen dus, als zij dat wensen, zelf zonder bijstand van een advocaat procederen bij deze afdeling. Griffierecht 3.8. [de eiser] heeft een bedrag van € 90,00 aan griffierecht betaald. Omdat de kantonrechter de zaak verwijst, geldt mogelijk een hoger griffierecht. Dat bedrag volgt uit de bijlage bij de Wet griffierecht burgerlijke zaken. Als [de eiser] meer griffierecht moet betalen verstuurt het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een factuur aan hem. Die factuur moet betaald zijn binnen vier weken na dit vonnis (artikel 3 lid 4 Wet griffierechten burgerlijke zaken). 3.9. Ook De Vastgoedbeschermer moet mogelijk griffierecht betalen, omdat de kantonrechter de zaak verwijst. Als dat het geval is, verstuurt het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een factuur aan haar. Die factuur moet betaald zijn binnen vier weken nadat zij een inhoudelijke reactie op het verzoekschrift bij de rechtbank heeft ingediend. Proceskosten 3.10. [de eiser] wordt in het incident in de proceskosten van De Vastgoedbeschermer veroordeeld, aangezien de kosten van het incident nodeloos zijn veroorzaakt. Deze worden aan de zijde van De Vastgoedbeschermer begroot op: - salaris gemachtigde € 253,00 (1 punt × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 379,50 3.11. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1. verklaart zich onbevoegd van de vorderingen kennis te nemen, 4.2. beveelt dat de zaak in de stand waarin zij zich thans bevindt zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure, 4.3. verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, 4.4. veroordeelt [de eiser] in de proceskosten van € 379,50 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.5. veroordeelt [de eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 4.6. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Weerkamp - Beens en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026. 47414 / 693

Related across sources

Similar Content