Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Den Haag, 06-07-2026 (26.35210)

Rechtbank Den Haag

Rechtbank Den Haag
Summary

Bewaring, 59-1-a

Case Summary

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.35210 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. T. Bruinsma), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: L. Ploeger). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw . Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser heeft op 2 juli 2026 schriftelijk laten weten dat zowel gemachtigde als eiser niet zullen verschijnen ter zitting, en dat eiser hiermee afstand doet van zijn recht om te worden gehoord. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde op de rechtbank in Groningen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in bewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. Deze vreemdeling kan in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring 4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 4.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; d. onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt in verband met zijn aanvraag om toelating met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend. f. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld. Voortraject 5. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de bewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig. Grondslag 6. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft op 13 augustus 2021 een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd gekregen. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd. Gronden 7. De minister heeft ter zitting de gronden f en t laten vallen. 8. Eiser stelt zich op het standpunt dat grond c hem niet kan worden tegengeworpen, omdat hij een origineel en echt paspoort heeft overhandigd waarmee een vlucht is geboekt. Daarom kan hem niet worden verweten dat hij onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Ook betwist eiser dat hij onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit of nationaliteit en dat het eerder aan hem verstrekte visum door hem voor een ander doel is gebruikt dan waarvoor het is verleend (grond d). 9. De rechtbank stelt vast dat zowel uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling als uit de beschikking van 13 augustus 2021 en het besluit op bezwaar van 13 januari 2022 volgt dat eiser gebruik heeft gemaakt van meerdere aliassen. Eiser heeft gebruik gemaakt van een rijbewijs met een andere naam dan op zijn paspoort. Eiser verschaft hiermee en ook anderszins geen duidelijkheid over de juiste persoonsgegevens. Hiermee zijn gronden c en d feitelijk juist. Ook de overige gronden, met uitzondering van de gronden f en t, zijn terecht aan eiser tegengeworpen en onderbouwen het risico op onttrekking. Lichter middel 10. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het risico op onttrekking is gegeven. 10.1. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Voortvarendheid 11. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 26 juni 2026 is voor eiser een vlucht aangevraagd. Op dezelfde dag is met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Op 29 juni 2026 is de vlucht geboekt voor 3 juli 2026. De minister heeft eiser hierover op 30 juni 2026 geïnformeerd in een vertrekgesprek. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend. Zicht op uitzetting 12. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Albanië bestaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Hierbij is van belang dat eiser beschikt over een geldig reisdocument, en dat er een vlucht voor hem is geboekt voor 3 juli 2026. Conclusie en gevolgen. 13. De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel, gelet op de 6 maanden-termijn en de beoordeling van het non-refoulementbeginsel, onrechtmatig is. 14. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Hierna: bewaring. Vreemdelingenwet 2000. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Vreemdelingebesluit 2000. Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).

Related across sources

Similar Content