Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Amsterdam, 30-06-2026 (1310724326)

Rechtbank Amsterdam

Rechtbank Amsterdam
Summary

Executie-EAB Duitsland. Artikel 6a OLW: De verblijfstitel die staat vermeld in de Informatiestaat SKDB-persoon, te weten “Vw 2000 art. 8, onder e, toetsing aan het gemeenschapsrecht, arbeid vrij” staat niet gelijk aan een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Niet voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling.

Case Summary

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-107243-26 Datum uitspraak: 30 juni 2026 UITSPRAAK op de vordering van 4 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 februari 2022 door het Amtsgericht Augsburg , Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] (Frankrijk), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. P.A. Verhoeven, advocaat te ’s-Hertogenbosch. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Kroatische nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van het Amtsgericht Augsburg , van 23 september 2021, met kenmerk 19 Ls 306 Js 109095/15. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en negen maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert in het geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak; telkens: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak. 5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. De opgeëiste persoon beschikt namelijk als EU-burger over de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De overlevering moet daarom op grond van artikel 6a OLW worden geweigerd onder gelijktijdige strafovername door Nederland. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verblijfstitel “Vw 2000 art. 8, onder e, toetsing aan het gemeenschapsrecht, arbeid vrij” niet gelijk staat aan een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De opgeëiste persoon heeft ook geen stukken overgelegd die aantonen dat zij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft. Bovendien heeft de opgeëiste persoon in het jaar 2022 een periode in hechtenis gezeten, waardoor het rechtmatig verblijf in Nederland is doorbroken. De weigeringsgrond van artikel 6a OLW is dus niet aan de orde. Het oordeel van de rechtbank Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een haar bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten: 1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; 2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Het is niet zo dat de opgeëiste persoon een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in Nederland heeft gelet op haar EU-verblijfsrecht. De verblijfstitel die staat vermeld in de Informatiestaat SKDB-persoon, te weten “Vw 2000 art. 8, onder e, toetsing aan het gemeenschapsrecht, arbeid vrij” staat niet gelijk aan een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De opgeëiste persoon heeft geen stukken overgelegd die aantonen dat zij ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven en dat zij daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Dit betekent dat niet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Hierdoor komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de tweede voorwaarde. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan er geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is er geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5 en 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Augsburg voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. E. van den Brink en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van E. Mulder, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 juni 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.

Related across sources

Similar Content