Rechtbank Amsterdam, 26-02-2026 (13/192883-25)
Rechtbank Amsterdam
Veroordeling voor meermalen aanwezig hebben van lachgas, belediging, een auto-inbraak, veelvuldig zonder noodzaak bellen van een alarmnummer en belediging van een ambtenaar. De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van de cilinders lachgas betrof. Verbalisanten is ambtshalve bekend dat cilinders met opschrift 'FASTGAS' en codes lachgas bevatten. Voor vaststellen van het gewicht is niet noodzakelijk dat een weegschaal geijkt is. Stills van de auto-inbraak zijn niet heel duidelijk, maar verdachte is herkend op bewegende beelden die volgens de verbalisanten wel duidelijk zijn. Medeplegen ook bewezen. Een inbeslaggenomen wapen kan niet dienen tot het begaan van soortgelijke feiten en kan daarom niet worden onttrokken aan het verkeer. De rechtbank beveelt de bewaring ten behoeve van de rechthebbende.
Case Summary
vonnis Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummers: 13/192882-25 (A), 13/112519-25 (B), 13/122304-25 (C), 13/187951-25 (D), 13/191282-25 (E) en 13/204470-25 (F) (ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 26 februari 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996, ingeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens op het adres [adres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 februari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.W.M. van der Linde, en van wat de gemachtigde raadsman van verdachte, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is na wijziging op de zitting – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan Zaak A Opzettelijk aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 25 juni 2025 te Amsterdam. Zaak B Belediging op of omstreeks 26 februari 2025 te Amsterdam van [persoon 1] . Zaak C Medeplegen van een auto-inbraak op of omstreeks 2 februari 2025 te Amsterdam. Zaak D 1. Veelvuldig zonder noodzaak 112 bellen op of omstreeks 19 juni 2025 te Amsterdam. 2. Opzettelijk aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 19 juni 2025 te Amsterdam. Zaak E 1. Aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 24 juni 2025 te Amsterdam. 2. Belediging van een ambtenaar in functie op of omstreeks 24 juni 2025 te Amsterdam. Zaak F Medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van lachgas op of omstreeks 4 juli 2025 te Amsterdam. De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman van verdachte heeft de volgende verweren gevoerd. Met betrekking tot de aangetroffen cilinders staat niet vast dat deze lachgas bevatten. De raadsman heeft in dit verband gewezen op een vonnis van de rechtbank Limburg, ECLI:NL:RBLIM:2025:6672, waarin de rechtbank heeft vastgesteld dat onderzoek aan de chemische samenstelling niet heeft plaatsgevonden en dat evenmin sprake was van bijkomende omstandigheden die als voldoende redengevend voor het bewijs konden worden beoordeeld. Daarnaast is de hoeveelheid lachgas niet te bewijzen omdat niet blijkt dat de gebruikte weegschaal was geijkt. Ten aanzien van zaak B twijfelt de raadsman aan de betrokkenheid van verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] heeft gerelateerd verdachte meteen te hebben herkend, maar dat was pas na vergelijking met een beschikbare politiefoto. Hij heeft niet zonder voorkennis de camerabeelden bekeken. Uit de verklaring van verdachte blijkt onvoldoende dat het om dit incident gaat. De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor zaak C. De aangever spreekt over 2 en 3 januari 2025, niet over februari. Daarnaast heeft de raadsman twijfels over de zich in het dossier bevindende herkenningen. De stills zijn daar te onduidelijk voor. Verbalisant [verbalisant 3] relateert niet specifiek waaraan hij cliënt herkent en het blijkt ook niet wanneer hij hem voor het laatst heeft gezien. De door verbalisant [verbalisant 2] genoemde specifieke kenmerken zijn op de stills niet te onderscheiden. De bewegende beelden hadden aan het dossier kunnen worden toegevoegd. Het staat ook niet vast dat de aangever met [verdachte] verdachte bedoelt. Het blijkt niet dat NN5, die als verdachte zou zijn herkend, uitvoeringshandelingen heeft verricht. Hij heeft alleen iets aangepakt en gepraat met NN2, dat is onvoldoende om een gezamenlijke uitvoering aan te nemen. Met betrekking tot zaak F heeft verdachte betwist dat de cilinders van hem waren. De verklaringen van aangever [persoon 2] zijn onduidelijk. Verdachte zat samen met [persoon 3] in de auto. Zij had een cilinder tussen haar benen staan. Als verdachte dus al op de hoogte was van de aanwezigheid van het lachgas, dan had hij er geen beschikkingsmacht over. 4.3 Oordeel van de rechtbank 4.3.1. Zaken A, D (feit 2), E (feit 1) en F – (Opzettelijk) aanwezig hebben van lachgas De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 19, 24 en 25 juni 2025 en op 4 juli 2025 (opzettelijk) de tenlastegelegde hoeveelheid lachgas aanwezig heeft gehad. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat in al deze zaken genoegzaam is komen vast te staan dat de inhoud van de cilinders lachgas betrof. Er heeft weliswaar geen onderzoek aan de chemische samenstelling plaatsgevonden, maar in de zaken A, D, E en F zagen verbalisanten dat op de cilinders “FASTGAS” stond met codes. Het is verbalisanten ambtshalve bekend dat zulke cilinders lachgas bevatten. Daarbij komt dat verdachte zowel in zaak A als zaak E heeft verklaard dat hij verslaafd is aan lachgas en hij heeft niet verklaard dat er iets anders in de bij hem aangetroffen flessen zat. In het dossier zitten geen andere aanwijzingen dat er iets anders in de cilinders zou zitten. Verder is het gewicht van het lachgas in de aangetroffen cilinders naar het oordeel van de rechtbank afdoende komen vast te staan. Het gebruik van een digitale weegschaal is in dit geval voldoende en niet is ook gesteld of gebleken waarom ijking in dit geval noodzakelijk is. Met betrekking tot zaak F overweegt de rechtbank dat uit de inhoud van het dossier blijkt dat het lachgas dat in de auto is aangetroffen van hem was. Aangeefster [persoon 2] heeft verklaard dat verdachte eerder die avond met lachgascilinders bij haar thuis kwam en aanvullend dat hij alle lachgas had meegenomen de auto in. [persoon 3] heeft verklaard dat verdachte het lachgas in de auto heeft gegooid en dat ze daarna zijn weggereden. 4.3.2. Zaak B – Belediging [persoon 1] De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 2 februari 2025 de vuilniswagenchauffeur [persoon 1] heeft beledigd. Verdachte is tijdens de belediging gefilmd met een telefoon en verbalisant heeft hem op dat filmpje herkend. De verbalisant relateert ook waaraan hij verdachte herkent. De rechtbank merkt in dit verband op dat verbalisanten geoefend zijn in herkenningen. Verbalisant [verbalisant 1] herkende verdachte vanuit zijn werkzaamheden in het cellencomplex De rechtbank acht deze herkenning betrouwbaar. 4.3.3. - Zaak C De rechtbank acht het aan verdachte tenlastegelegde medeplegen aan diefstal met braak bewezen. De rechtbank ziet de datum 2 januari 2025 in de aangifte als een kennelijke verschrijving. Ten eerste wordt deze in de aangifte gevolgd door ‘3 februari 2025’ en in de omschrijving in de kop van het proces-verbaal staat het wel juist. Ten aanzien van het verweer van de raadsman over de herkenning van verdachte overweegt de rechtbank het volgende. De stills in het dossier zijn weliswaar niet heel duidelijk, maar verbalisanten hebben verdachte herkend op bewegende beelden die volgens die verbalisanten wel duidelijk zijn. De verbalisanten relateren ook waaraan zij verdachte herkennen. Zoals hiervoor al opgemerkt, zijn verbalisanten geoefend in herkenningen. De rechtbank acht die herkenningen betrouwbaar. De vraag of de aangever met ‘ [verdachte] ’ verdachte bedoelt kan daarom in het midden blijven. Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat de handelingen, zoals uitgevoerd door verdachte, als medeplegen zijn aan te merken. Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verschillende verdachten. Medeverdachte NN2 keek op enig moment in het voertuig met een zaklamp terwijl de anderen verspreid van elkaar stonden en de omgeving in de gaten hielden. Verdachte keek naar NN2. Vervolgens liep NN2 naar verdachte en overlegden zij met elkaar terwijl ze meerdere malen naar de auto keken. Daarna pakte NN2 een voorwerp en gooide dat richting het raam van de auto. Verdachte staat dan op de hoek en keek naar NN2. NN2 pakte daarna een doos uit de auto en gaf die aan verdachte. Verdachte plaatste deze achter zich en nam een volgende doos aan. Verdachte heeft, door het overleggen en het aanpakken en wegzetten van dozen ook een significante bijdrage aan de diefstal geleverd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte: ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde: op 25 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 660 gram distikstofmonoxide (lachgas); ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde: op 26 februari 2025 te Amsterdam opzettelijk [persoon 1] , in het openbaar, mondeling heeft beledigd door die [persoon 1] de woorden toe te voegen: “Kankeraap” en “Ik neuk je moeder”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking; ten aanzien van het in zaak C ten laste gelegde: op of omstreeks 2 februari 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen sloffen sigaretten, een fles parfum en een zonnebril die aan [persoon 5] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om ze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak; ten aanzien van het in zaak D onder 1 ten laste gelegde: op 19 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een alarmnummer voor publieke diensten, door veelvuldig het alarmnummer 112 te bellen; ten aanzien van het in zaak D onder 2 ten laste gelegde: op 19 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 2.200 gram distikstofmonoxide (lachgas); ten aanzien van het in zaak E onder 1 ten laste gelegde: op 24 juni 2025 te Amsterdam aanwezig heeft gehad 5.100 gram distikstofmonoxide (lachgas); ten aanzien van het in zaak E onder 2 ten laste gelegde: op 24 juni 2025 te Amsterdam opzettelijk [persoon 6] in het openbaar mondeling heeft beledigd door die [persoon 6] uit te maken voor “Je kankermoeder! Je doet nu wel stoer nu ik handboeien om heb. Ik neuk je kankerhard! Je kankermoeder.”, terwijl deze belediging werd aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; ten aanzien van het in zaak F ten laste gelegde: op 4 juli 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 5.100 gram distikstofmonoxide (lachgas). 6 Strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7 Strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straffen en maatregelen 8.1. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. 8.2. Standpunt/strafmaatverweer van de verdediging De verdediging heeft gepleit voor een straf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest. 8.3. Oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft zich gedurende een halfjaar schuldig gemaakt aan veel strafbare feiten. Het gaat om hinderlijke feiten die overlast en schade veroorzaken en zorgen voor een gevoel van onveiligheid op straat. Zo heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen inbreken in een auto van een winkeleigenaar om vervolgens in ieder geval vier dozen met sigaretten uit de auto te stelen. Verdachte heeft hiermee geen respect getoond voor andermans eigendommen en enkel gedacht aan zijn eigen gewin. Verdachte heeft zich verder ook schuldig gemaakt aan belediging van de politieambtenaar die hem heeft aangehouden. Politieambtenaren verrichten in onze samenleving een belangrijke publieke taak die gerespecteerd dient te worden. Door zo te handelen tegen politieambtenaren tijdens het uitoefenen van hun werkzaamheden heeft verdachte getoond geen respect te hebben voor het openbaar gezag. De rechtbank rekent dat verdachte aan. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van een vuilniswagenchauffeur tijdens het verrichten van zijn werkzaamheden. Door beledigingen te uiten in het openbaar, is deze persoon aangetast in zijn eer en goede naam. Verdachte heeft daarnaast misbruik gemaakt van een noodnummer. Het bellen naar een alarmnummer zonder dat daartoe een noodzaak bestaat, geeft overlast en maakt het voor anderen, die wel dringend hulp nodig hebben, wellicht onmogelijk op tijd in contact te treden met hulpdiensten. Dat kan mensenlevens in gevaar brengen. Tot slot heeft verdachte zich binnen een periode van twee weken vier keer schuldig gemaakt aan het bezit van lachgas voor eigen gebruik. Het gebruik van lachgas draagt bij aan het in stand houden van (drugs)criminaliteit en kan levensgevaarlijke situaties opleveren als de gebruiker onder invloed van het lachgas deelneemt aan het verkeer. Persoon van verdachte De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 7 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten (bezit van softdrugs en belediging van een politieagent). Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van diverse rapportages van de reclassering, waaronder het advies van 26 augustus 2025 en het advies van 26 januari 2026. Hieruit blijkt, zakelijk weergegeven, het volgende. Verdachte is sinds zijn twintigste verslaafd aan het gebruik van lachgas. De door verdachte gepleegde strafbare feiten zijn hieraan gerelateerd.. Verdachte is bekend met problemen op meerdere leefgebieden. Hij heeft in het verleden hulp gehad, onder andere in het kader van de Top 600, waarbij hij ook begeleid heeft gewoond. Verdachte heeft nu geen huisvesting. Hij zou hier graag hulp bij willen. Verdachte heeft ook geen werk en nagenoeg geen werkervaring. Hij ervaart zelf dat verveling bijdraagt aan het lachgasgebruik en daardoor mede aan het plegen van de strafbare feiten. Sinds verdachte uit detentie is heeft de reclassering geen contact meer met verdachte kunnen krijgen. De reclassering acht het uitvoeren van toezicht niet haalbaar. Het risico op recidive en onttrekken aan het toezicht wordt als hoog ingeschat. De reclassering adviseert bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden. De op te leggen straf Bij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank de LOVS oriëntatiepunten als uitgangspunt. Alles bij elkaar zal de rechtbank voor de bewezen geachte feiten een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden opleggen, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Gelet op het advies van de reclassering verbindt de rechtbank geen bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel van de straf. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf heeft verdachte een stok achter de deur om te voorkomen dat hij nogmaals de fout ingaat. De rechtbank legt daarmee voor de bewezenverklaarde misdrijven in totaal een hogere straf op dan geëist door de officier van justitie, omdat het in zaak E onder 1 bewezenverklaarde (zonder opzet aanwezig hebben van lachgas) een overtreding is en daarvoor een aparte straf moet worden opgelegd. De rechtbank ziet gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de gelijktijdige veroordeling voor de overige feiten, aanleiding om aan verdachte ter zake het in zaak E onder 1 bewezenverklaarde geen afzonderlijke straf of maatregel op te leggen. 9 Beslag Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: - 7 STK Gasfles (goednummer G6674451) - 1 STK Verdovende Middelen (goednummer G6671759) - 5 FLS Verdovende Middelen (goednummer G6674149) - 1 STK Wapen (goednummer G6632395) Onttrekking aan het verkeer Nu met betrekking tot deze voorwerpen, met uitzondering van het wapen, het in zaak A, zaak D onder 2 en zaak E onder 1 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer. Het in beslaggenomen wapen is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit in zaak C. Ook dit voorwerp is van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. Het kan echter niet dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke feiten en komt daarom niet in aanmerking voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank zal daarom bevelen dat dit voorwerp wordt bewaard ten behoeve van de rechthebbende, zodat de officier van justitie voor vernietiging zorg kan dragen. 10 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel De benadeelde partij [persoon 5] vordert € 5.480,-- aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,-- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. 10.1. Oordeel van de rechtbank Materiële schade Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak C bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Zowel de officier van justitie als de raadsman van verdachte hebben zich op het standpunt gesteld dat de schadeposten voor de bril, € 395,--, en het parfum, € 315,--, niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze niet zijn onderbouwd. Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat de BTW die voor de sigaretten is gerekend, € 663,01, eveneens niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat de benadeelde partij dit als ondernemer terug zal ontvangen. De officier van justitie heeft zich met betrekking tot deze post gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft voorts gesteld dat onduidelijk is of de verzekeringsmaatschappij alleen de schade aan de auto heeft vergoed of ook andere schade. De officier van justitie heeft erop gewezen dat de brief van OHRA slechts spreekt over autoschade. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de betwisting de vordering tot vergoeding van de bril, het parfum en het bedrag aan BTW onvoldoende is onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de aan de vordering gehechte brief van OHRA genoegzaam dat deze verzekeraar alleen de schade aan de auto heeft vergoed. De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 4.106,99, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (3 februari 2025). De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van materiële schade. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Schadevergoedingsmaatregel In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor de betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. Immateriële schade Met betrekking tot de immateriële schade heeft de officier van justitie gesteld dat de vordering dient te worden gematigd tot € 1.000,--. De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot immateriële schadevergoeding in het geheel niet kan worden toegewezen nu de benadeelde partij niet aanwezig was bij de autokraak. Er is geen sprake van aantasting in de persoon. Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als diegene als gevolg van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en/of op andere wijze in de persoon is aangetast. Daarvan kan onder meer sprake zijn bij psychisch letsel. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde de gestelde, met name psychische, schade niet met concrete stukken heeft onderbouwd. Voorts ligt het bij een autokraak, waar de benadeelde zelf niet bij aanwezig was, niet voor de hand, zonder een onderbouwing, aantasting in de persoon aan te nemen. De vordering tot vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen omdat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komt voor deze vergoeding. De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen. 11 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f (oud), 47, 57, 142, 266, 267 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. 12 Beslissing Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van het in zaak A en zaak D onder 2 ten laste gelegde: telkens opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde: eenvoudige belediging; ten aanzien van het in zaak C ten laste gelegde: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak; ten aanzien van het in zaak D onder 1 ten laste gelegde: opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruik maken van een alarmnummer voor publieke diensten; ten aanzien van het in zaak E onder 1 ten laste gelegde: handelen in strijd met een in artikel 3 van de Opiumwet gegeven verbod; ten aanzien van het in zaak E onder 2 ten laste gelegde: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; ten aanzien van het in zaak F ten laste gelegde: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Tan aanzien van zaak A, zaak B, zaak C, zaak D onder 1 en 2, zaak E onder 2 en zaak F Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 2 maanden , van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. Ten aanzien van zaak E onder 1 Schuldig verklaring zonder oplegging van straf. Verklaart onttrokken aan het verkeer: - 7 STK Gasfles (goednummer G6674451); - 1 STK Verdovende Middelen (goednummer G6671759); - 5 FLS Verdovende Middelen (goednummer G6674149); Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: - 1 STK Wapen (goednummer G6632395) Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 5] toe tot een bedrag van € 4.106,99 (vierduizend, honderd en zes euro en negenennegentig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 5] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in het materiële deel van zijn vordering is. Wijst het immateriële deel van de vordering af. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 5] aan de Staat € 4.106,99 (vierduizend, honderd en zes euro en negenennegentig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (3 februari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 41 dagen . De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Smayel, voorzitter, mrs. J.M. van Hall en B.J. Blok, rechters, in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 februari 2026. [...] [...]