Rechtbank Amsterdam, 30-06-2026 (13-073039-26)
Rechtbank Amsterdam
Vervolgings-EAB uit Duitsland. Verweer m.b.t. het niet blijken van de evenredigheid van het nieuwe EAB, terwijl de opgeëiste persoon voor hetzelfde feit al feitelijk overgeleverd is geweest, verworpen. Het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden, omde Duitse autoriteiten te vragen naar de evenredigheid van het uitvaardigen van dit nieuwe EAB is afgewezen. Artikel 6 OLW: de opgeëiste persoon is gelijkgesteld met een Nederlander. Overlevering toestaan.
Case Summary
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-073039-26 Datum uitspraak: 30 juni 2026 UITSPRAAK op de vordering van 16 april 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 10 februari 2026 door het Landgericht Keulen , Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 juni 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.B. Schmidt, advocaat in Noordwijk. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een bevel tot voorlopige hechtenis van het Landgericht Keulen van 10 februari 2026, zaaknummer: 113 KLs 16/25. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Duits recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. 3.1 Evenredigheid en effectieve rechtsbescherming Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat het uitvaardigen van het nieuwe EAB niet evenredig was. De raadsman heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2026. De dossierstukken bevatten geen nadere toelichting van de Duitse autoriteiten over de uitvaardiging van het EAB, anders dan dat een eerder overleveringsverzoek zou zijn ingetrokken, dan wel vernietigd en dat sprake is van een hernieuwd overleveringsverzoek ten behoeve van vervolging voor hetzelfde feit. Het eerdere verzoek is echter door de rechtbank behandeld, de overlevering is toegestaan en de opgeëiste persoon is feitelijk overgeleverd. Tijdens het eerste overleveringsverzoek, de feitelijke overlevering en de huidige schorsing van de overleveringsdetentie heeft de opgeëiste persoon aan alle voorwaarden en verplichtingen voldaan. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Duitse uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen naar de evenredigheid van het uitvaardigen van dit nieuwe EAB. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Het Landgericht Keulen heeft het aan de vorige overlevering onderliggende aanhoudingsbevel vernietigd. Daarna heeft het Landgericht Keulen een nieuw aanhoudingsbevel uitgevaardigd. De rechtbank dient slechts te toetsen of aan alle formaliteiten voor overlevering is voldaan. Vragen over de reden en eventuele gevolgen van de vernietiging en het uitvaardigen van een nieuw aanhoudingsbevel dienen in de procedure in Duitsland aan de orde te worden gesteld. Oordeel van de rechtbank In de uitspraak waar de raadsman naar verwijst was sprake van een EAB dat was uitgevaardigd door een gedelegeerd Europese aanklager op grond van de Verordening 2017/1939, de zogenaamde “EOM-Verordening”. Indien een lidstaat de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een vervolgings-EAB heeft opgedragen een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in de betrokken lidstaat deelneemt, maar zelf geen rechter of rechterlijke instantie is (zoals het Openbaar Ministerie), moet volgens vaste rechtspraak van HvJ EU de beslissing om een EAB uit te vaardigen en met name de evenredigheid van een dergelijke beslissing in de betreffende lidstaat het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming. Daarvan is in deze zaak geen sprake, omdat het EAB, zoals gezegd, is uitgevaardigd door een rechterlijke instantie, namelijk het Landgericht Keulen. Er moet vanuit worden gegaan dat het Landgericht Keulen bij het uitvaardigen van het nieuwe EAB de evenredigheid daarvan heeft getoetst. Het stelsel van de OLW is immers, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit 2002/582/JBZ (het Kaderbesluit), gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheid tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Daarbij is het in beginsel aan de uitvaardigende autoriteit om de evenredigheid van het uitvaardigen van een EAB te toetsen. Het is niet aan de rechtbank om te bepalen of er een minder vergaand middel dan een EAB voorhanden is. Een beroep op de onevenredigheid van een EAB kan in een concreet geval slechts onder uitzonderlijke omstandigheden slagen. Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is in het geval van de opgeëiste persoon geen sprake. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 4 Strafbaarheid De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd - voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: De eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is te duchten is en poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW Gelijkstelling Verzoek van de raadsman De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. Oordeel van de rechtbank Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten: 1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; 2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De eerste voorwaarde Nu de opgeëiste persoon beschikt over een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, hoeft de opgeëiste persoon niet meer aan de hand van andere stukken aan te tonen dat hij gedurende een periode van minimaal vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Aan deze voorwaarde is dus voldaan. De tweede voorwaarde Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). Uit de brief van de IND van 9 december 2024 volgt dat op basis van de verstrekte gegevens intrekking van het verblijfsrecht niet mogelijk is en een eventuele veroordeling voor de feiten uit het EAB er niet toe leidt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest. De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan. De Public Prosecutor as Head of Unit of The Chief Public Prosecutor in Cologne heeft op 9 juni 2026 de volgende garantie gegeven: “With reference to your aforementioned letter, we hereby confirm that, in the event of a final conviction in the Federal Republic of Germany, the person concerned will be transferred on the basis of the current version of Council Framework Decision 2008/909/JHA of 27 November 2008 on the applica- tion of the principle of mutual recognition to judgments in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty for the purposes of their enforcement in the European Union (OJ L 327, 5 December 2008, page 27) to the Netherlands for the further execution of his sentence.” Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 45, 47, 55, 157 en 311 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan het Landgericht Keulen , Duitsland, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. E. van den Brink en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 juni 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG613126236367+È G613126236367 Zie onderdeel e) van het EAB. ECLI:NL:RBAMS:2026:153. Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”), L 283/1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 1 maart 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3203. Vgl.rRechtbank Amsterdam, 9 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4872.