Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18-06-2026 (BRE 24/7297)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Geheimhouding
Case Summary
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 24/7297 beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Het verzoek 1. De inspecteur heeft bij brief met dagtekening 20 mei 2026 een aanvullend stuk genaamd bijlage 18 ingediend en daarbij een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb gedaan. In de brief van 20 mei 2026 is het verzoek om geheimhouding toegelicht. De rechtbank heeft een afschrift daarvan aan de gemachtigde toegezonden. 1.1. Bij brief van 20 mei 2026, ingekomen bij de rechtbank op 26 mei 2026, heeft de inspecteur een gesloten envelop aan de rechtbank overgelegd met daarin een ongeschoonde versie van bijlage 18. De reden van het verzoek om geheimhouding voor de betreffende passages is gebaseerd op β kort gezegd β het belang van privacy van persoonsgegevens van derden. 1.2. De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van 2 juni 2026, per post verzonden aan het adres van de gemachtigde, verzocht om uiterlijk op 15 juni 2026 aan te geven of hij akkoord gaat met geheimhouding van het stuk. Indien hij niet akkoord gaat met geheimhouding heeft de rechtbank belanghebbende verzocht om aan te geven wat zijn belang is bij kennisname van de ongeschoonde passages in het stuk. Ook is hem verzocht om aan te geven of hij een zitting van de geheimhoudingskamer op prijs stelt. Belanghebbende heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd. Overwegingen Geen zitting 2. Omdat belanghebbende in het geheel niet heeft gereageerd, gaat de geheimhoudingskamer ervan uit dat hij niet akkoord gaat met geheimhouding en dat hij geen zitting wenst. De geheimhoudingskamer ziet ook overigens geen aanleiding voor een zitting. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. De geheimhoudingskamer heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat belanghebbende niet heeft verzocht om een zitting, nadat de rechtbank hem de mogelijkheid had geboden om te melden of hij prijs stelt op een zitting. Kader voor beoordeling artikel 8:29 van de Awb 3. De omstandigheid dat stukken behoren tot op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb brengt niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). 3.1. Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt: Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door een partij worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding). Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming). 3.2. Uit de toelichting van de inspecteur begrijpt de geheimhoudingskamer dat de inspecteur verzoekt om toepassing van variant a. 3.3. Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid wordt betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. Beoordeling van het verzoek 3.4. De geheimhoudingskamer stelt vast dat de inspecteur uitsluitend op pagina 5 en pagina 6 van bijlage 18 adresgegevens, woonplaatsgegevens, handtekeningen en burgerservicenummers van vier personen heeft geschoond. De namen en geboortedata van de betrokken personen zijn zichtbaar gebleven, zodat voor belanghebbende duidelijk is op welke personen de geschoonde passages betrekking hebben. Deze personen zijn niet betrokken bij de onderhavige procedure. Naar het oordeel van de geheimhoudingskamer weegt het belang van bescherming van hun persoonsgegevens en persoonlijke levenssfeer zwaarder dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van deze gegevens. Daarbij neemt de geheimhoudingskamer in aanmerking dat belanghebbende door geheimhouding ook niet wezenlijk in zijn procesvoering wordt belemmerd. De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding daarom toe. Beslissing De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding toe. Deze beslissing is genomen door mr. drs. J.H. Bogert, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 18 juni 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Deze beslissing is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze beslissing aan partijen ter beschikking is gesteld. Rechtsmiddel Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld. Vgl. Gerechtshof βs-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.31.