Skip to content
Case Law
NL

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 18-05-2026 (C/02/445159 / FA RK 26-863)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Summary

Partijen zijn het eens dat de verzoeken muv de kal aangehouden moeten worden in afwachting van de in het kader van de OTS in te zetten hulpverlening. Verzoeken aangehouden voor 9 maanden en uitspraak over kal, waarbij zorgkorting in geschil is.

Case Summary

beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/445159 / FA RK 26-863 datum uitspraak: 18 mei 2026 beschikking betreffende wijziging gezag, zorgregeling en kinderalimentatie in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [plaats 1] , advocaat: mr. M. Kalle te Middelburg, tegen [de man] , hierna te noemen: de man, wonende te [plaats 2] , advocaat: mr. W. van der Sande te Goes. Als informant in onderhavige zaak wordt aangemerkt: William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering , Gevestigd te Amsterdam hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - het op 6 februari 2026 ontvangen verzoek van de vrouw met bijlagen; - F9-formulier van mr. Kalle van 16 maart 2026 met bijlagen; - F9-formulier van mr. Kalle van 13 april 2026 met bijlagen; - het op 14 april 2026 ontvangen verweerschrift van de man tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen. 1.2 De verzoeken zijn mondeling behandeld op 21 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster namens de Raad en een vertegenwoordigster namens de GI. 1.3 De minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zijn in de gelegenheid hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt. Ter zitting is samengevat wat de minderjarigen hebben verteld en de aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 1.4 De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer C/02/446410 / JE RK 26-504 . Op dit zaaknummer is per separate beschikking beslist. 2 De feiten 2.1 Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2014 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 28 juli 2014 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. 2.2 Uit het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats 2] . 2.3 [minderjarige 2] woont bij de vrouw. [minderjarige 1] verblijft op een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. 2.3 Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. 2.4 Bij (echtscheidings)beschikking van 9 juli 2014 is onder meer en voor zover hier van belang bepaald dat de onderlinge regeling uit het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking. Ook is bepaald dat de man € 76,50 per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de in die beschikking genoemde minderjarigen, met ingang van 1 april 2014, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. 2.5 Partijen hebben op 25 februari 2025 een nieuw ouderschapsplan ondertekend, waarin onder meer en voor zover hier van belang de navolgende afspraken staan opgenomen: “Artikel 1 - Gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag Artikel 1.1 De ouders achten het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat zij gezamenlijk het ouderlijk gezag over hen uitoefenen. De ouders zullen dan ook bevorderen dat de kinderen zo goed mogelijk contact hebben met ieder van de ouders. … Artikel 2 — Hoofdverblijfplaats /verhuizing ! legitimatiebewijs [minderjarige 2] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder en zal op haar adres in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven staan. Aan haar komt daarom het recht toe om de kinderbijslag ten goede te innen. [minderjarige 1] heeft haar hoofdverblijf bij de vader en zal op zijn adres in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven staan, Aan hem komt daarom het recht toe om de kinderbijslag ten goede te innen. … Artikel 3.1 Zorg- en contactregeling Ten tijde van de ondertekening van het ouderschapsplan is er sprake van opbouw in het contact tussen [minderjarige 2] en de man enerzijds en [minderjarige 1] en de moeder anderzijds. Het is de bedoeling van ouders dat toegewerkt gaat worden naar een zorgregeling waarbij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] het ene weekend samen bij moeder verblijven en het andere weekend samen bij vader. Daarbij zal wel het belang van alle kinderen in beide gezinnen voorop staan. Het weekend betreft van vrijdag 19.00 uur tot en met zondag 19.00 uur De verdeling van de vakanties en feestdagen zullen ouders in onderling overleg met elkaar nader overeenkomen, mede kijkend naar de behoefte en wensen van de kinderen. … Artikel 4 — Informatie en Consultatie De ouders zullen elkaar over en weer op de hoogte stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de kinderen en elkaar daarover te dezer zake raadplegen. De ouders zullen geregeld, buiten de aanwezigheid de kinderen met elkaar overleg plegen, teneinde informatie uit te wisselen en elkaar te consulteren. … Artikel 7 — Kosten kinderen De ouders komen overeen dat de vader met ingang van 1 maart 2025 alle verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 1] voor zijn rekening za! nemen en dat de moeder met ingang van 1 maart 2025 alle verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 2] voor haar rekening zal nemen. De kosten die een ouder heeft op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft op grond van de zorgregeling (dus in het weekend en in de vakanties} komen ook voor eigen rekening. Onder verblijfsoverstijgende kosten vallen onder meer kosten voor kleding en schoeisel, sportcontributies, sportbenodigdheden, sportkleding, abonnementen (waaronder telefoon), kapper, schoolgeld, schoolexcursies /schoolreisje, fiets en niet vergoede medische kosten De eerder gemaakte alimentatieafspraken komt hiermee te vervallen.” 2.6 Op 21 april 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar en is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpverlener 3 De verzoeken 3.1 De vrouw verzoekt, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad: het ouderlijk gezag zo te wijzigen dat alleen de vrouw nog belast is met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen te beëindigen en te bepalen dat er geen omgang meer plaatsvindt tussen de man en de kinderen dan wel bij instandhouding van het gezag deze omgang voor een jaar te schorsen; de tussen partijen gemaakte afspraak in het ouderschap over de kosten van de kinderen te wijzigen en de man te veroordelen aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te voldoen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 350,- per kind per maand met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift. 3.2 De vrouw voert verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de man. 3.2 De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken af te wijzen dan wel geen hogere onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 2] vast te stellen dan € 244,42 per maand. Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt de man om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, een informatieregeling vast te stellen waarin wordt bepaald dat de vrouw: Elke eerste van de man per e-mail informeert over belangrijke gebeurtenissen rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waarbij in ieder geval informatie wordt verstrekt over hun ontwikkeling, zoals over de gezondheid, doktersbezoeken, medische behandelingen, medicijngebruik, schoolprestaties (onder andere rapporten), ontwikkeling op school en overige ontwikkelingen/activiteiten rondom de hobby’s en sporten, sociale activiteiten, zoals contact met vrienden en vriendinnen alsmede de plannen van de vakantie; Bij deze update scherpe foto’s van de kinderen bij te voegen, waarop hun gezicht zichtbaar is. 3.3 Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan. 4 De beoordeling Wettelijk kader (zorgregeling en informatieregeling) 4.1 Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 4.2 Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e BW van toepassing. Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. 4.3 Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven. Wettelijk kader gezag 4.4 Ingevolge artikel 1:253n BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 1 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is Inhoudelijke beoordeling 4.5 Tijdens de zitting van 21 april 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. De vrouw heeft verzocht om in afwachting van de hulpverlening haar verzoeken betreffende het gezag en de zorgregeling aan te houden. Ook verzoekt de vrouw de zelfstandige verzoeken van de man aan te houden. De man heeft aangegeven hiermee te kunnen instemmen, indien de vrouw hem voortaan meeneemt in mailings van en naar de hulpverlening. De vrouw heeft dit vervolgens toegezegd. De GI heeft aangegeven dat dit ook een aandachtspunt gedurende de ondertoezichtstelling zal zijn, nu de hulpverlening grotendeels door de GI aangestuurd zal gaan worden. 4.6 De rechtbank zal, gelet op de overeenstemming op dit punt, de onderhavige verzoeken aanhouden voor een periode van 9 maanden in afwachting van het verloop de ondertoezichtstelling en in te zetten hulpverlening. Op de nader te noemen pro forma datum verwacht de rechtbank van partijen én de GI bericht over de stand van zaken. Indien de GI voornemens is de ondertoezichtstelling te verlengen én partijen in de verzoeken tot gezag, zorgregeling en informatieregeling een zitting wensen, verwacht de rechtbank van de GI en partijen dat dit aangegeven wordt, zodat de zaken indien mogelijk wederom gecombineerd behandeld kunnen worden. De rechtbank verwacht dan ook dat de GI en de advocaten hun verhinderdata opgeven (over de maanden februari, maart en april van 2027). Wijziging kinderalimentatie 4.7 Tijdens de zitting heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] ingetrokken. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen. 4.8 Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Ingangsdatum 4.9 Tussen partijen is niet in geschil dat als ingangsdatum voor de wijziging van de alimentatieverplichting moet worden uitgegaan van 6 februari 2026, zodat de rechtbank van deze datum zal uitgaan. Behoefte [minderjarige 2] 4.10 Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige 2] , geïndexeerd naar 2026, € 352,26 per maand bedraagt. Draagkracht man en draagkrachtvergelijking 4.11 De man heeft ter zitting opgemerkt dat hij op zichzelf voldoende draagkracht heeft om de verzochte bijdrage van € 350,= te voldoen. De man is evenwel van oordeel dat op dit bedrag nog in mindering strekt de draagkracht van de vrouw en de na te bespreken zorgkorting. De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen het in mindering brengen van haar draagkracht op genoemde bijdrage nu de man geen inkomensgegevens heeft overgelegd en dus ook niet kan worden vastgesteld wat de eigenlijke draagkracht van de man is. 4.12 Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat bij gebreke van door de man over te leggen financiële informatie de draagkracht van de man niet kan worden vastgesteld. Niet uitgesloten is dat de man feitelijk over een hogere draagkracht beschikt. Een deugdelijke draagkrachtvergelijking is dan ook niet mogelijk. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om geen rekening te houden met de (beperkte) draagkracht van de vrouw. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat de man voldoende draagkracht heeft om volledig in de behoefte van de minderjarige, € 352,26, te voorzien. Zorgkorting 4.13 Tussen partijen is niet in geschil dat op het aandeel van de man nog de zorgkorting in mindering strekt. Wel is de omvang van deze korting in geschil. De man is van mening dat rekening gehouden moet worden met een zorgkorting van 15%. Er is op dit moment geen zorgregeling, maar deze staat wel opgenomen in het ouderschapsplan en de man wil wel omgang met [minderjarige 2] . Uitgangspunt moet deze zorgregeling zijn, aldus de man. De vrouw is van mening dat uitgegaan moet worden van de feitelijke situatie; er is geen omgang op dit moment en dus moet er volgens haar geen zorgkorting meegenomen worden. Gaat de rechtbank daar niet in mee dan verzoekt de vrouw om rekening te houden met een zorgkorting van 5%. 4.14 De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat er al geruime tijd geen omgang plaatsvindt tussen de man en de minderjarigen. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank een zorgkorting van 15% niet reëel. Dit geldt te meer nu hervatting van de eerder overeengekomen zorgregeling hoogstwaarschijnlijk niet op korte termijn zal kunnen plaatsvinden. Tijdens de zitting is er een ondertoezichtstelling uitgesproken en met de GI en de hulpverlening zal bekeken gaan worden of en op welke manier er ruimte is voor contactherstel. Hiermee zal, zo is de verwachting, de nodige tijd zijn gemoeid. Geen zorgkorting meenemen vindt de rechtbank evenmin reëel nu de hulpverlening nog aan de slag dient te gaan en er wel een recht en een plicht tot omgang bestaat. De rechtbank zal, conform de uitgangspunten zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, de zorgkorting bepalen op 5%, derhalve op een bedrag van, afgerond, € 18,= (5% x 352,26). De rechtbank gaat ervan uit dat partijen in staat zijn om bij hervatting van de omgang de zorgkorting dienovereenkomstig aan te passen. Conclusie 4.15 De man dient als kinderbijdrage aan de vrouw te betalen een bedrag van, afgerond, € 334,= per maand (352,26 – 18) met ingang van 6 februari 2026. Nu in de beschikking van 9 juli 2014 en in het daarbij behorende ouderschapsplan [minderjarige 2] niet opgenomen is, zal de rechtbank deze uitspraak niet wijzigen. De rechtbank zal het bedrag van € 334,-- vaststellen onder wijziging van het ouderschapsplan van 25 februari 2025. Uitvoerbaar bij voorraad 4.16 De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. Afschrift aan de GI 4.17 Nu de GI in het kader van de ondertoezichtstelling is betrokken én de rechtbank nadere informatie van de GI wenst (zoals overwogen in rechtsoverweging 4.6) zal de rechtbank de griffier verzoeken een afschrift van deze beschikking aan de GI te verstrekken. 5 De beslissing De rechtbank 5.1 wijzigt de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] , zoals door partijen opgenomen in het door hen op 25 februari 2025 ondertekende ouderschapsplan en bepaalt dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] met ingang van 6 februari 2026 een bedrag van € 334,-- (driehonderd en vierendertig euro) per maand voor de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw moet voldoen; 5.2 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.3 wijst ten aanzien van het verzoek tot kinderalimentatie het meer of anders verzochte af. 5.4 houdt de behandeling van deze zaak ten aanzien van de verzoeken van de vrouw betreffende het gezag en de zorgregeling en het verzoek van de man betreffende de informatieregeling aan tot 26 januari 2027 PRO FORMA met het verzoek aan (de advocaten van) partijen én de GI om de rechtbank op deze datum te informeren over de stand van zaken en (voor de advocaten van partijen) het gewenste verdere procesverloop; 5.5 verzoekt de griffier om een afschrift van deze beschikking aan de GI te sturen. Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.

Related across sources

Similar Content