Skip to content
Case Law · Rechtbank Noord-Holland ·ECLI:NL:RBNHO:2026:8438 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Noord-Holland, 13-07-2026 (C/15/376188)

Rechtbank Noord-Holland
Summary

AVG-verzoek. Misbruik van recht.

How it connects

Full text

RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/376188 / HA RK 26-57 Beschikking van 13 juli 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] dan wel [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: M. Weelen, tegen [verweerder] H.O.D.N. RYDO TELECOM , te [woonplaats] , verwerende partij, hierna te noemen: Rydo, advocaat: mr. D.W. Giltay Veth. De zaak in het kort [verzoeker] heeft een inzageverzoek gedaan bij Rydo op grond van de AVG. Vervolgens is hij een procedure gestart. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van misbruik van recht door [verzoeker] . [verzoeker] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. 1 De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - de tussenbeschikking van 4 juni 2026, - het bericht over zekerheidstelling door Weelen, - de e-mail van 4 juni 2026 van Weelen. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 Feiten 2.1. [verzoeker] heeft zich als gemachtigde gesteld in de procedure van een derde, de heer [naam] (hierna: [naam] ), tegen Rydo, met als gemachtigde mr. Giltay Veth. Deze procedure betrof de bestelling van twee Apple telefoons via de website van Rydo, waarin de ontvangst van de telefoons werd betwist en het aankoopbedrag werd teruggevorderd. Rydo heeft een onderzoek ingesteld nadat werd gedreigd met juridische stappen en daartoe onder meer contact opgenomen met PostNL. 2.2. Op 20 december 2023 heeft [verzoeker] een e-mail gestuurd aan Rydo met daarin een inzageverzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). In die e-mail heeft hij opgenomen: ‘ Naar het zich laat aanzien bent u verhalen over mij aan het rondbazuinen. Ongefundeerde verhalen, die zonder meer gekwalificeerd kunnen worden als smaad/ laster. Daarbij wekken uw acties ook nog eens de indruk van misbruik van mijn persoonsgegevens. Ik ken u niet. Daarom graag binnen 5 werkdagen na heden antwoord op onderstaande vragen. Welke gegevens u van mij hebt Hoe u aan mijn gegevens komt Waarom u mijn gegevens bewaart Hoe lang u mijn gegevens bewaart Of ik toestemming heb gegeven om mijn gegevens te bewaren Hoe ik toestemming heb gegeven om mijn gegevens te bewaren Met wie u deze gegevens hebt gedeeld of met wie u deze gegevens gaat delen Of ik toestemming heb gegeven om deze gegevens te delen. Sinds wanneer u deze gegevens gebruikt Waarom u deze gegevens gebruikt Hoe u mijn gegevens gebruikt Of ik toestemming heb gegeven om mijn gegevens te gebruiken Hoe ik toestemming heb gegeven om mijn gegevens te gebruiken Of en hoe er geautomatiseerde beslissingen worden genomen ten aanzien van mijn gegevens. Ik stel u deze vragen in het kader van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Derhalve wijs ik erop dat u wettelijk verplicht bent mij de gevraagde informatie te verschaffen. ’ 2.3. Namens Rydo heeft mr. Giltay Veth gereageerd bij e-mail van 22 december 2023. Hij schrijft onder meer: ‘ Vooralsnog zie ik wat betreft uw meest recente AVG claim geen reden cliënt te adviseren daar aan te voldoen. Ik bevestig ook in de kwestie AVG op te treden namens de heer [verweerder] (toevoeging rechtbank: Rydo) . Ik verzoek u dan ook verdere communicatie uitsluitend tot mij te richten inzage dhr [verweerder] . ’ 2.4. Op 29 december 2023 heeft [verzoeker] aan Rydo een sommatie gestuurd. In deze e-mail heeft [verzoeker] onder meer het volgende opgenomen: ´ Voor de volledigheid maak ik aanspraak op de buitengerechtelijke kosten in het geval U niet aan deze sommatie voldoet. Deze bedragen EUR 925,-- ex. BTW en zijn berekend conform BGK 2013. Geen – of een onvolledige – reactie betekent dat ik over zal gaan tot dagvaarding van uw vennootschap, nu u wettelijk verplicht bent mij de gevraagde informatie te verschaffen. ’ 2.5. Op 2 mei 2024 heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam een vonnis gewezen in de zaak tussen [naam] en Rydo. In dit vonnis heeft de rechtbank de vordering van [naam] tot terugbetaling van € 2.908,- afgewezen. In dit vonnis heeft de kantonrechter ten overvloede het volgende overwogen: ‘ [verweerder] (toevoeging rechtbank: Rydo) heeft een onderzoek ingesteld nadat [naam] dreigde met juridische stappen tegen hem. Tijdens dit onderzoek werd door de leverancier van [verweerder] direct de claim van [naam] alsmede de naam van [verzoeker] (hierna: [verzoeker] ) herkend. De leverancier heeft van haar klant, waarbij het ook ging om een bestelling van twee telefoons (…), een vergelijkbare claim ontvangen waarbij door [verzoeker] werd gesteld dat de telefoons door PostNL niet zijn geleverd op zijn adres (…) Zowel [naam] als zijn gemachtigde hebben geen gevolg gegeven aan de oproep om op de mondelinge behandeling te verschijnen. Echter [verzoeker] is wel verschenen maar is voortijdig vertrokken van de zitting omdat hij zonder machtiging van [naam] niet kon deelnemen aan de behandeling. Het niet verschijnen van [naam] en zijn gemachtigde heeft de twijfels bij [verweerder] bevestigd dat beide personen niet bestaan. [verweerder] heeft diverse pogingen gedaan om de identiteit van [naam] en zijn gemachtigde te achterhalen, zonder resultaat. (…) Het Kamer van Koophandel uittreksel van Webshop Juristen B.V. toont [verzoeker] als enige aandeelhouder en 0 werkzame personen, dit komt niet overeen met de stelling van [naam] dat de gemachtigde hier werkzaam zou zijn. [verzoeker] is op een opmerkelijke wijze verbonden aan deze zaak. De betaling van de telefoons is via iDEAL gedaan met een rekening van mvwebdesign B.V. waarvan [verzoeker] de enige aandeelhouder is. Daarnaast is [verzoeker] de enige aandeelhouder van Webshopjuristen.nl waar de gemachtigde werkzaam zou zijn. ’ 2.6. Bij e-mail van 12 januari 2024, gericht aan mr. Giltay Veth en Rydo, kondigt [verzoeker] dat hij zal overgaan tot dagvaarding, omdat de weigerachtige houding van Rydo hem geen keus laat. 2.7. Bij e-mail van 10 juli 2024 aan mr. Giltay Veth en Rydo wijst [verzoeker] erop dat er geen gehoor is gegeven aan zijn AVG verzoek: ‘Geheel onverplicht krijgt u nog 1 week de gelegenheid en anders zal ik over gaan tot dagvaarding. Dat heeft uw cliënt dan aan uw ‘weiger advies’ te danken, dus voor hem hoop ik dat u gratis dienstverlening biedt.’ 2.8. Op 19 mei 2025 heeft de afdeling Speciale Klantenreacties van PostNL in een brief het volgende opgenomen aan [verzoeker] : ‘ PostNL verklaart hierbij, zonder enige aansprakelijkheid te erkennen, dat zij, o.a. in een e-mail van 19 mei 2023, heeft gesteld dat door de heer [verzoeker] structureel en veelvuldig zendingen als vermiste zouden zijn opgegeven. Deze uitlating vanuit PostNL kan zij niet verifiëren. Het zou dus kunnen zijn dat de medewerker deze uitspraak ten onrechte heeft gedaan, zeker nu in de mail van de klantenservice medewerker Speciale Klantenreacties slechts één concreet geval wordt genoemd. PostNL verbindt in ieder geval geen conclusies aan deze uitspraak. PostNL realiseert zich dat de heer [verzoeker] mogelijk ongemakken heeft ondervonden door de gedane uitspraak omdat derden hier, zo geeft de heer [verzoeker] aan, de conclusie aan hebben verbonden dat de heer [verzoeker] onterecht deze zendingen als niet ontvangen heeft aangegeven. Het was niet de bedoeling van PostNL om dit te impliceren en zij biedt haar excuses aan voor de ontstane situatie. ’ 2.9. Op 1 juli 2025 (om 08:31 uur) neemt [verzoeker] opnieuw per e-mail contact op met mr. Giltay Veth en Rydo. Hij verwijst daarbij naar zijn AVG-informatieverzoek van december 2023. Hij schrijft daarnaast onder andere: ‘ Als ik binnen vijf werkdagen geen volledige en inhoudelijke reactie van u ontvang, zal ik u dagvaarden. Daarbij zal ik het volgende vorderen: Onverwijlde volledige nakoming van mijn AVG-verzoek; Oplegging van een dwangsom van €350,- per dag dat u in gebreke blijft, met een maximum van €25.000,-. Volledige vergoeding van alle gemaakte (buiten)gerechtelijke kosten; Eventuele aanvullende maatregelen die de rechter passend acht, gezien uw opzettelijke en aanhoudend weigering. (…) Ik geef u nog één laatste kans. Geen reactie, of onvolledige reactie, of het herhalen van juridische rookgordijnen leidt onvermijdelijk tot dagvaarding, met alle kosten en gevolgen van dien.’ 2.10. Rydo heeft per e-mail van 1 juli 2025 (om 10:45 uur) als volgt geantwoord: ‘ Wij hebben geen gegevens meer van u in ons systeem. In verband met de rechtszaak tegen dhr. [naam] hadden wij onderstaande van u, Uw mailadres. Uw naam De PostNL verklaring het dossier is gesloten en de gegevens zijn verwijderd uit ons systeem. ’ 2.11. [verzoeker] antwoord per e-mail op 1 juli 2025 (om 11:10 uur). In deze e-mail geeft hij Rydo ‘ nog één uiterste, fatale termijn van 5 werkdagen om volledig ’ inzage te geven. 2.12. Rydo reageert per e-mail van 1 juli 2025 (om 11:16 uur). In deze e-mail is onder meer opgenomen: ‘ Mijn antwoord is in overleg gegaan met de Autoriteit Persoonsgegevens. ’ 2.13. [verzoeker] stuurt per e-mail van 1 juli 2025 (om 17:24 uur) onder meer de volgende reactie: ‘ Uw laatste reactie tart werkelijk iedere juridische logica en bevestigt opnieuw uw onwil om aan de wet te voldoen. (…) Daarom stel ik u het volgende volstrekt helder: U krijgt nog 5 werkdagen om alsnog volledig aan mijn AVG-verzoek te voldoen, inclusief: Inzage in de (voormalige) verwerking van mijn gegevens; Aantoonbaar bewijs van verwijdering. Door een onafhankelijke derde Informatie over eventuele verstrekking van gegevens aan derden; De volledige verwerkingshistorie. U dient mij binnen diezelfde termijn zwart-op-wit te overleggen: Met wie bij de AP u heeft gesproken; Wat exact de inhoud en uitkomst van dat overleg was; Of de AP u daadwerkelijk toestemming heeft gegeven om mijn verzoek te blijven weigeren (wat juridisch onmogelijk is). En waar dat dan uit blijkt, Indien u hier niet volledig aan voldoet, volgt zonder nadere aankondiging: Een dagvaarding bij de rechtbank, inclusief vordering tot nakoming, schadevergoeding een dwangsom van € 300,- euro per dag dat u weigert inzage te geven Dit alles nog los van griffierecht, deurwaarderskosten, proceskosten en natuurlijk uw kosten voor een eigen advocaat. Een officiële melding bij de Autoriteit Persoonsgegevens over uw structurele weigering, misbruik van hun naam en frustratie van mijn rechten. Of we schikken dit verhaal tegen een betaling van € 3250,- euro vanuit u zodat dit afgesloten kan worden. Dan verneem ik graag uiterlijk 3 juli 12:00 uur. Let wel: dit is een eenmalig voorstel, waar geen rechten aan ontleend kunnen worden, ter voorkoming van verdere kosten. (…).’ 2.14. Na het uitbrengen van de dagvaarding verzoekt mr. Giltay Veth [verzoeker] bij e-mail van 24 juli 2025 de contactgegevens van zijn gemachtigde dhr. M. Weelen (e-mail en telefoon) te sturen. 2.15. [verzoeker] antwoordt dezelfde dag enkele minuten later per e-mail als volgt: ‘ Als uw cliënt een minnelijke regeling wenst te treffen dan kunt u dat aan mij voorleggen. Verder is er geen enkele reden tot contact nu uw cliënt het op een procedure laat aankomen. Op uw advies was dat geloof ik… ’ 3 Het verzoek 3.1. Bij akte van 27 mei 2026 en tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] zijn verzoek verminderd. Hij verzoekt de rechtbank nu - samengevat - Rydo bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking te bevelen [verzoeker] volledige inzage te verstrekken in alle persoonsgegevens, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 35.000,-, en Rydo te veroordelen in de proceskosten conform het toepasselijke liquidatietarief, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2. De aanvankelijk ingediende verzoeken tot betaling van buitengerechtelijke kosten en veroordeling in de werkelijke proceskosten heeft [verzoeker] niet gehandhaafd. 3.3. Ter onderbouwing van zijn verzoek voert [verzoeker] aan dat Rydo weigert te reageren op zijn inzageverzoek en daarmee de wettelijke verplichtingen uit de AVG schendt. Daar komt bij dat Rydo suggereert dat [verzoeker] zich schuldig maakt aan oplichting. Deze uitlatingen van Rydo zijn laster en van oplichting is absoluut geen sprake. 3.4. Rydo voert verweer en stelt primair dat [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek. Subsidiair moet het verzoek worden afgewezen. Onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 19 maart 2026 stelt Rydo dat de buitensporige verzoeken van [verzoeker] aan meerdere partijen misbruik van recht opleveren. Rydo stelt dat [verzoeker] de inzageverzoeken op grond van de AVG doet om er geld mee te verdienen. [verzoeker] heeft ook Rydo meerdere schikkingsvoorstellen gedaan. Rydo verzoekt de rechtbank verder ambtshalve te onderzoeken of de gemachtigde van [verzoeker] een bestaand persoon is. Bij eigen onderzoek heeft Rydo het bestaan en de identiteit van gemachtigde Weelen namelijk niet kunnen vaststellen. Er is in het handelsregister van de Kamer van Koophandel op het opgegeven adres geen bedrijf van of gerelateerd aan gemachtigde Weelen gevonden. Ook via Google zijn er geen hits op gemachtigde Weelen. Verder blijkt uit rechtspraak.nl ook niet dat Weelen ooit eerder als gemachtigde in een gerechtelijke procedure is opgetreden. Rydo wijst daarnaast op de voorwaarde van artikel 12 lid 6 AVG waarin de verplichting is opgenomen dat de degene die persoonsgegevens opvraagt zijn identiteit moet laten vaststellen. [verzoeker] heeft daar niet aan voldaan. Uit de conclusie van antwoord die Rydo in de procedure tegen [naam] bij de rechtbank Amsterdam heeft ingediend, blijkt over welke persoonsgegevens van [verzoeker] Rydo beschikt. Het is voor [verzoeker] dus duidelijk over welke persoonsgegevens Rydo beschikt, hoe deze verkregen zijn, met welk doel Rydo deze heeft verwerkt en voor de huidige procedure moet verwerken. Rydo heeft deze gegevens gebruikt voor een gerechtelijke procedure wat is toegestaan op grond van de AVG. [verzoeker] heeft daarom geen belang bij zijn AVG-verzoek. 4 De beoordeling Zekerheid 4.1. In de tussenbeschikking van 4 juni 2026 heeft de rechtbank [verzoeker] veroordeeld om uiterlijk 15 juni 2026 zekerheid te stellen voor de proceskosten waartoe hij in de hoofdzaak zou kunnen worden veroordeeld onder gelijktijdige verstrekking van schriftelijk bewijs daarvan aan de rechtbank. Op 17 juni 2026 ontving de rechtbank namens [verzoeker] een kopie van een bankafschrift waaruit blijkt dat op 11 juni 2026 een bedrag naar Rydo is overgemaakt van € 1.647,- onder vermelding van ‘ borgstelling 224 Rv – beschikking 4 6 2026 ’. Met overmaking van dit geldbedrag heeft [verzoeker] op de voorgeschreven wijze zekerheid gesteld, zodat de zaak verder kan worden behandeld. Bezwaar [verzoeker] tegen de ingediende stukken 4.2. [verzoeker] heeft bij e-mail van 4 juni 2026 zijn eerdere bezwaar tegen de combinatie van een schriftelijk en mondeling verweer van Rydo herhaald. Volgens [verzoeker] heeft Rydo ten onrechte drie routes gecombineerd, namelijk een conclusie van antwoord, een aanvullend verweerschrift en mondeling verweer ter zitting onder gebruikmaking van spreekaantekeningen, terwijl [verzoeker] daar vooraf bezwaar tegen heeft gemaakt. [verzoeker] verzoekt de rechtbank daarom uitdrukkelijk deze stukken (deels) buiten beschouwing te laten. 4.3. De rechtbank zal aan dit verzoek niet voldoen. Hoewel de behandeling van de zaak na afloop van de mondelinge behandeling op 1 juni 2026 is gesloten en de e-mail van [verzoeker] dateert van 4 juni 2026, ziet de rechtbank aanleiding toch op het bezwaar van [verzoeker] in te gaan, omdat [verzoeker] dit bezwaar in meerdere zaken naar voren heeft gebracht. 4.4. Op grond van de wet kan iedere belanghebbende tot de aanvang van de behandeling een verweerschrift indienen. Op grond van Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter kunnen partijen op de mondelinge behandeling korte spreekaantekeningen voordragen en overleggen. De stelling van [verzoeker] dat een schriftelijk verweer niet kan worden gecombineerd met een mondelinge behandeling is dus onjuist. 4.5. In deze zaak komt daar nog het volgende bij. Deze zaak - en andere door [verzoeker] bij de kantonrechter aanhangig gemaakte zaken - kenmerkt zich door een atypisch procesverloop. De zaak diende eerst bij de kantonrechter en Rydo heeft (net zoals meerdere andere gedaagde partijen) bij de kantonrechter een conclusie van antwoord ingediend. Omdat [verzoeker] zijn vorderingen grondt op de stelling dat Rydo niet voldoet aan artikel 15 AVG heeft de kantonrechter deze (en de andere) zaken verwezen naar de rechtbank, om verder te worden behandeld in de rekestenkamer. Rydo is daarbij door de kantonrechter - vanwege de verschuldigdheid van griffierecht bij de rechtbank - in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of zij mondeling dan wel schriftelijk verweer wenst te voeren. Rydo heeft gekozen voor het voeren van schriftelijk verweer wat inhoudt dat de al ingediende conclusie van antwoord door de rechtbank als een verweerschrift wordt beschouwd. 4.6. De rechtbank acht het niet in strijd met het procesrecht noch de goede procesorde dat Rydo het standpunt over de gestelde schending van artikel 15 AVG in een aanvullend verweerschrift (en voorafgaand aan de mondelinge behandeling) nader heeft toegelicht. Het is de rechtbank niet gebleken dat [verzoeker] niet voldoende heeft kunnen reageren op het aanvullend verweerschrift. Integendeel, [verzoeker] erkent in zijn e-mail dat de mondelinge behandeling als zodanig voor hem geen bezwaar was. De zeer summiere spreekaantekeningen van Rydo, uitgeschreven op een half A4-tje, zijn niet meer dan een korte toelichting en bevatten geen nieuw of aanvullend verweer. Er is dan ook evenmin reden om deze buiten beschouwing te laten. Tot slot acht de rechtbank van belang dat niet alleen Rydo, maar ook [verzoeker] op verschillende momenten aanvullingen heeft gedaan en nieuwe stukken heeft ingediend. Hij heeft immers bij akte van 4 mei 2026 nog aanvullende stukken overgelegd en daarbij een (uitgebreide) toelichting gegeven en bij akte van 27 mei 2026 zijn verzoeken aangepast. Ook die stukken worden bij de beoordeling betrokken. 4.7. Het bezwaar van [verzoeker] slaagt dan ook niet en alle stukken, zowel die van Rydo als die van [verzoeker] , maken onderdeel uit van het procesdossier. Misbruik van recht Inleiding 4.8. Het verweer van Rydo dat sprake is van misbruik van recht is het meest verstrekkende verweer van Rydo. Als dit verweer slaagt, dient [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank komt dan aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van [verzoeker] niet toe. Om die reden gaat de rechtbank eerst op dit verweer van Rydo in. 4.9. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het verweer dat [verzoeker] misbruik van recht maakt het volgende voorop. Deze zaak van [verzoeker] tegen Rydo staat niet op zichzelf. Bij de kantonrechter van rechtbank Noord-Holland zijn namelijk vanaf medio 2025 tot en met april 2026 ongeveer twintig zaken door [verzoeker] aanhangig gemaakt. Al deze zaken betreffen AVG-verzoeken van [verzoeker] aan verschillende bedrijven. De kantonrechter heeft al deze zaken verwezen naar de sector handel. In een vergelijkbare AVG-zaak van [verzoeker] tegen een ander bedrijf, doet de rechtbank ook vandaag uitspraak. In die zaak is de rechtbank uitgebreid ingegaan op het beoordelingskader, dat ook van toepassing is in deze zaak. Daarnaar wordt dan ook uitdrukkelijk verwezen, zodat de rechtbank hieronder volstaat met een verkorte weergave daarvan. De rechtbank heeft in die zaak geoordeeld dat er sprake is van misbruik van recht door [verzoeker] en hem in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard. In deze zaak komt de rechtbank tot hetzelfde oordeel. Beoordelingskader 4.10. Artikel 3:13 lid 1 BW stelt dat ‘degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze bevoegdheid niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt’. Bij het aannemen van misbruik van (proces)recht past terughoudendheid. 4.11. Artikel 12 lid 5 AVG geeft de verwerkingsverantwoordelijke - onder meer - de mogelijkheid om te weigeren gevolg te geven aan kennelijk ongegronde of buitensporige verzoeken, met name vanwege het repetitieve karakter van deze verzoeken. Dit betreft gevallen van misbruik van recht. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om de kennelijk ongegronde of buitensporige aard van het verzoek aan te tonen. In de EDPB Guidelines is opgenomen dat een verzoek buitensporig kan worden bevonden wanneer (bijvoorbeeld) een persoon een verzoek indient, maar tegelijkertijd aanbiedt dit verzoek in te trekken in ruil voor een of ander voordeel van de verwerkingsverantwoordelijke. 4.12. Bij de beoordeling van het beroep op misbruik van recht is - onder meer - van belang de uitspraak van het HvJ van 19 maart 2026 over de toepassing van artikel 12 lid 5 AVG. Voor het bewijs van misbruik is blijkens deze uitspraak enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist en anderzijds een subjectief element, namelijk ‘ de bedoeling van de betrokkene om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. Voor een dergelijke kwalificatie moeten voorts alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen .’ Daarbij mag rekening worden gehouden met openbaar toegankelijke informatie waaruit blijkt dat de betrokkene stelselmatig verzoeken tot inzage van zijn persoonsgegevens en vorderingen tot schadevergoeding indient bij verschillende verwerkingsverantwoordelijken volgens een vergelijkbaar patroon. Toepassing van het beoordelingskader op deze zaak 4.13. Uit het toepasselijke beoordelingskader blijkt dat de lat voor het aannemen van misbruik van recht op grond van artikel 3:13 BW, bezien in samenhang met artikel 12 lid 5 AVG, hoog ligt en dat bij het aannemen van misbruik terughoudendheid moet worden betracht. De rechtbank is echter (ook) in deze zaak van oordeel dat voldoende is gebleken van zwaarwichtige gronden die de conclusie rechtvaardigen dat [verzoeker] met zijn verzoek misbruik van recht maakt. Uit de wijze waarop [verzoeker] in dit dossier, en in andere dossiers, de procedure is gestart en met Rydo heeft gecommuniceerd, blijkt dat [verzoeker] een financieel oogmerk heeft bij zijn verzoeken en dat het hem niet daadwerkelijk gaat om de inzage in zijn persoonsgegevens en om de juistheid van deze gegevens en de rechtmatigheid van de verwerking te controleren. Hoewel in beginsel per individuele zaak moet worden beoordeeld of sprake is van misbruik van recht, kan deze zaak niet los worden gezien van de andere vergelijkbare zaken die [verzoeker] bij de rechtbank aanhangig heeft gemaakt. Juist het patroon in de werkwijze en het procedeergedrag dat zichtbaar wordt uit deze en andere zaken draagt in belangrijke mate bij aan het oordeel dat [verzoeker] misbruik van recht maakt. 4.14. Voor de motivering van haar oordeel dat sprake is van misbruik van recht verwijst de rechtbank allereerst uitdrukkelijk naar haar gemotiveerde oordeel in de onder 4.9 genoemde beschikking, waaraan - kort gezegd - het procedeergedrag en de werkwijze van [verzoeker] , en de betrokkenheid van (vermeende) gemachtigden en de rol van Webshop Juristen ten grondslag ligt. Dergelijke omstandigheden zijn ook aanwezig en gesteld in de onderhavige zaak. Zo heeft [verzoeker] ook in deze zaak al in een vroegtijdig stadium buitengerechtelijke kosten aangezegd en herhaaldelijk gedreigd met een gerechtelijke procedure, waarin dwangsommen, alle gemaakte (buiten)gerechtelijke kosten en een schadevergoeding zouden worden gevorderd. Ook hier heeft [verzoeker] vervolgens meermalen aangedrongen op een schikking in de vorm van betaling van een (schade)vergoeding door Rydo. Daarbij valt op het aanzienlijke tijdsverloop tussen enerzijds de e-mails van 1 juli 2025 van [verzoeker] , met daarin onder meer een schikkingsvoorstel voor € 3.250,-, en anderzijds het inzageverzoek van 21 december 2023 en het laatste bericht van [verzoeker] aan Rydo op 10 juli 2024. Dat wekt niet de indruk dat [verzoeker] daadwerkelijk duidelijkheid wilde over zijn persoonsgegevens. Daarbij is de rechtbank ambtshalve bekend dat [verzoeker] vanaf juli 2025, het moment dat hij zich in deze zaak opnieuw tot Rydo wendde, ook verschillende AVG-inzageverzoeken bij andere bedrijven heeft gedaan. Verder heeft [verzoeker] ook in deze zaak in de dagvaarding, zonder schriftelijke onderbouwing, een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en een vergoeding van de werkelijke proceskosten gevorderd en vervolgens zijn verzoek - zonder deugdelijke of overtuigende toelichting - verminderd tot enkel inzage in zijn persoonsgegevens op straffe van een dwangsom. Daarbij is van belang dat deze vermindering in dit geval eerst kort voor de zitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht ook van belang dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft opgemerkt dat een verzoek om schadevergoeding ook nog in een andere procedure aan de orde kan komen. Dat hij geen financieel oogmerk (meer) heeft bij zijn AVG-verzoek, is dan ook niet aannemelijk. 4.15. Tot slot heeft [verzoeker] ook in deze zaak om een vergoeding van de proceskosten verzocht, waarbij het aanvankelijk ging om de werkelijke proceskosten, terwijl Rydo haar terechte twijfels heeft geuit over het daadwerkelijk bestaan van gemachtigde Weelen. Gemachtigde Weelen is voor Rydo niet vindbaar gebleken en rechtstreeks en persoonlijk contact met Weelen heeft niet plaatsgevonden. [verzoeker] wist dat bij Rydo het vermoeden bestond dat Weelen niet bestaat. Dit heeft Rydo immers al in het verweer naar voren gebracht. Desondanks heeft [verzoeker] ervoor gekozen om niet alsnog duidelijkheid te verschaffen over het bestaan en de identiteit van de gemachtigde. Het had in ieder geval op zijn weg gelegen zich ter zitting te laten bijstaan door deze gemachtigde, maar dat is niet gebeurd. [verzoeker] heeft daar geen goede of aannemelijke reden voor gegeven. Het bestaan van gemachtigde Weelen heeft [verzoeker] dan ook niet aannemelijk weten te maken. Dat wordt hem aangerekend. 4.16. Zoals ook in de onder 4.9 genoemde beschikking is overwogen heeft [verzoeker] de omschreven handelwijze niet alleen gehanteerd met betrekking tot zijn inzageverzoek aan Rydo, maar ook in andere zaken. Dit betreft onder meer de andere AVG-verzoeken van [verzoeker] tegen verschillende andere bedrijven die op de zitting van 1 juni 2026 zijn behandeld, alsook de ongeveer twintig andere zaken die bij de rechtbank aanhangig zijn. [verzoeker] heeft in deze zaken een vergelijkbare communicatie en insteek van de procedure gehad als in deze zaak en - met gebruikmaking van nagenoeg identieke dagvaardingen en stukken - een hoge schadevergoeding en/of een hoge kostenvergoeding gevorderd. Vrijwel alle zaken die aanhangig zijn bij deze en andere rechtbanken vinden hun oorsprong in een online bestelling van [verzoeker] of registratie vanwege andere redenen, enige tijd later gevolgd door een AVG-verzoek. Ook in die zaken heeft [verzoeker] al in een vroeg stadium en herhaaldelijk aangedrongen op de betaling van een vergoeding door de betrokken bedrijven en ook in die zaken, althans in de zaken die op zitting zijn behandeld, heeft [verzoeker] kort voor de zitting zonder nadere toelichting zijn verzoek aangepast en verminderd. Daarbij is van belang dat in de meeste van deze zaken eveneens een beroep op misbruik van recht is gedaan. 4.17. De rechtbank is er daarnaast ambtshalve mee bekend dat in ieder geval bij de rechtbanken Rotterdam en Midden-Nederland vergelijkbare zaken aanhangig zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling in de onder 4.9 bedoelde zaak heeft [verzoeker] desgevraagd meegedeeld dat hij in de afgelopen anderhalf jaar zo’n 90 inzageverzoeken op grond van de AVG heeft gedaan. De bedrijven die weigerden aan dat verzoek te voldoen of geen dan wel onvoldoende inzage hebben gegeven, zijn de bedrijven waartegen hij uiteindelijk een procedure is gestart. 4.18. Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat de werkwijze en proceshouding van [verzoeker] ook door andere rechters is gesignaleerd. Dit heeft geleid tot afwijzing van de vordering en in sommige gevallen zelfs tot een veroordeling in de werkelijke proceskosten, zoals ook is vastgesteld in de onder 4.9 genoemde beslissing. 4.19. Uit het vorenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [verzoeker] met gebruikmaking van de mogelijkheden van de AVG welbewust een situatie heeft geconstrueerd die het hem mogelijk maakt van de betrokken bedrijven een schadevergoeding te verkrijgen. Er is dus sprake van een patroon. Daarbij kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat [verzoeker] misbruik maakt van de onbekendheid van deze bedrijven met de inhoud en de werking van de AVG en van de vrees van die bedrijven om tot hoge vergoedingen veroordeeld te worden. Conclusie 4.20. Omdat [verzoeker] misbruik maakt van zijn recht, zal de rechtbank [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek wordt dan ook niet toegekomen. Proceskostenveroordeling 4.21. Rydo verzoekt [verzoeker] te veroordelen in het betalen van de proces- en nakosten. De rechtbank stelt de proceskosten (inclusief de nakosten) van Rydo op een bedrag van (€ 735,- aan griffierecht + € 1.306,- aan advocaatkosten en € 189,- aan nakosten = ) € 2.230,-. [verzoeker] heeft op 11 juni 2026 voor een bedrag van € 1.647,- zekerheid gesteld. Dit bedrag komt, gelet op het oordeel van de rechtbank in deze zaak, aan Rydo toe en strekt in mindering op wat [verzoeker] nog moet betalen, zodat een aanvullend bedrag van (€ 2.230,- -/- € 1.647,- =) € 583,- resteert. De rechtbank zal de door Rydo verzochte wettelijke rente toewijzen als na te melden. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek, 5.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 2.230,00, waarop in mindering strekt het al betaalde bedrag van € 1.647,00, en het restant van € 583,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026. Rechtbank Amsterdam 2 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS: 2024:2774. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2026, C-526/24 (Brillen Rottler/ TC). Artikel 282 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 1.6.9. Raad van State 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403. ECLI:NL:RBNHO:2026:8285. De EDPB Guidelines zijn richtsnoeren die de European Data Protection Board (EDPB) heeft gepubliceerd en waarin verschillende onderwerpen uit de AVG worden verduidelijkt. Aantekening 190 van EDPB Guidelines. Vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403, r.o. 5.4. Rechtbank Amsterdam 2 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2774, rechtbank Rotterdam 21 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13631, rechtbank Noord-Holland 24 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15801, rechtbank Noord-Holland 19 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:299, rechtbank Noord-Holland 16 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:7793 en rechtbank Noord-Holland 17 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6889.

Similar Content