Rechtbank Noord-Holland, 13-07-2026 (C/15/376201)
AVG-verzoek Misbruik van recht.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/376201 / HA RK 26-59 Beschikking van 13 juli 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , gemachtigde: E. Donkersloot, tegen VAN DIJK INTERIM SERVICES B.V. , te Ulvenhout, verwerende partij, hierna te noemen: VDIS, verschenen in persoon. De zaak in het kort [verzoeker] heeft een inzageverzoek gedaan bij VDIS op grond van de AVG. Vervolgens is hij een procedure gestart. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van misbruik van recht door [verzoeker] . [verzoeker] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding (met producties), het verwijzingsvonnis van 25 maart 2026 waarbij de kantonrechter de zaak naar de sector handel heeft verwezen, de akte overlegging producties van [verzoeker] ontvangen op 19 mei 2026 (met producties), de mondelinge behandeling van 1 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. VDIS heeft gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij, evenals een afschrift van haar privacybeleid, tijdens de mondelinge behandeling aan de rechtbank heeft overgelegd. 1.2. De op 22 oktober 2025 ingediende conclusie van antwoord is buiten beschouwing gelaten, omdat VDIS ervoor heeft gekozen om alleen op de zitting mondeling verweer te voeren. 1.3. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 Feiten 2.1. [verzoeker] heeft via de website tandenbleken-thuis.nl bestellingen gedaan. Hij heeft vervolgens op 18 juli 2025 een e-mail gestuurd aan info@tandenbleken-thuis.nl met daarin een inzageverzoek op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). 2.2. Op 20 augustus 2025 heeft [verzoeker] naar hetzelfde e-mailadres een e-mail gestuurd met de volgende inhoud: ‘ Eerder op 18 juli jl heb ik u een verzoek op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) toegezonden. Tot op heden heeft u daarop niet gereageerd. U wordt hierbij gesommeerd om binnen 14 dagen na heden alsnog volledig, inhoudelijk en conform de AVG aan mijn inzageverzoek te voldoen. Voor de volledigheid maak ik aanspraak op de buitengerechtelijke kosten in het geval U niet aan deze sommatie voldoet. Deze bedragen EUR 925,-- ex, BTW en zijn berekend conform BGK 2013. ’ 2.3. Op 24 september 2025 heeft [verzoeker] een niet-onderhandelbaar schikkingsvoorstel gedaan aan VDIS voor een bedrag van € 1.250,- onder dreiging van dagvaarding en verdere kosten. 2.4. VDIS heeft op 5 oktober 2025 een reactie aan [verzoeker] gezonden en algemene informatie verstrekt over onder meer categorieën van gegevens, doeleinden, grondslagen, ontvangers, bewaartermijnen en de rechten van [verzoeker] . In die reactie is daarnaast om verificatie van de identiteit van [verzoeker] gevraagd. [verzoeker] heeft niet gereageerd op het verzoek om verificatie. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] zijn verzoek verminderd. Hij verzoekt de rechtbank nu - samengevat - VDIS bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking te bevelen [verzoeker] volledige inzage te verstrekken in alle persoonsgegevens, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 35.000,-, en VDIS te veroordelen in de proceskosten conform het toepasselijke liquidatietarief, vermeerderd met de wettelijke rente. 3.2. De aanvankelijk ingediende verzoeken tot toekenning van een schadevergoeding, betaling van buitengerechtelijke kosten en veroordeling in de werkelijke proceskosten heeft [verzoeker] ter zitting niet gehandhaafd. 3.3. Aan zijn verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat VDIS weigert te reageren op zijn inzageverzoek. Daardoor schendt VDIS haar wettelijke verplichtingen uit de AVG en belemmert zij [verzoeker] in het uitoefenen van zijn fundamentele recht op bescherming van zijn persoonsgegevens. 3.4. VDIS verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. VDIS stelt enerzijds dat [verzoeker] zijn inzageverzoek niet aan de juiste partij heeft gericht, omdat VDIS geen verwerkingsverantwoordelijke is in de zin van de AVG. Anderzijds stelt VDIS gemotiveerd en onder verwijzing naar de specifieke feiten en omstandigheden in deze zaak dat er sprake is van misbruik van recht dan wel op een buitensporig verzoek in de zin van de AVG. VDIS beroept zich daarbij op de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) van 19 maart 2026. Volgens VDIS wijst de gang van zaken op alleen een financieel belang in plaats van een werkelijk privacybelang van [verzoeker] . 4 De beoordeling Inleiding 4.1. Het verweer van VDIS dat sprake is van misbruik van recht is het meest verstrekkende verweer van VDIS. Als dit verweer slaagt, moet [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank komt dan aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van [verzoeker] niet toe. Om die reden gaat de rechtbank eerst op dit verweer van VDIS in. 4.2. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het verweer dat [verzoeker] misbruik van zijn recht maakt volgende voorop. Deze zaak van [verzoeker] tegen VDIS staat niet op zichzelf. Bij de kantonrechter van rechtbank Noord-Holland zijn namelijk vanaf medio 2025 tot en met april 2026 ongeveer twintig zaken door [verzoeker] aanhangig gemaakt. Al deze zaken betreffen AVG-verzoeken van [verzoeker] aan verschillende bedrijven. De kantonrechter heeft deze zaken allemaal verwezen naar de sector handel. In een vergelijkbare AVG-zaak van [verzoeker] tegen een ander bedrijf, die eveneens op 1 juni 2026 ter zitting is behandeld, doet de rechtbank ook vandaag uitspraak. In die zaak is de rechtbank uitgebreid ingegaan op het beoordelingskader, dat ook van toepassing is in deze zaak. Daarnaar wordt dan ook uitdrukkelijk verwezen, zodat de rechtbank hieronder volstaat met een verkorte weergave daarvan. De rechtbank heeft in die zaak geoordeeld dat er sprake is van misbruik van recht door [verzoeker] en hem in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard. In deze zaak komt de rechtbank tot hetzelfde oordeel. Beoordelingskader 4.3. Artikel 3:13 lid 1 BW stelt dat ‘degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze bevoegdheid niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt’. Bij het aannemen van misbruik van (proces)recht past terughoudendheid. 4.4. Artikel 12 lid 5 AVG geeft de verwerkingsverantwoordelijke - onder meer - de mogelijkheid om te weigeren gevolg te geven aan kennelijk ongegronde of buitensporige verzoeken, met name vanwege het repetitieve karakter van deze verzoeken. Dit betreft gevallen van misbruik van recht. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om de kennelijk ongegronde of buitensporige aard van het verzoek aan te tonen. In de EDPB Guidelines is opgenomen dat een verzoek buitensporig kan worden bevonden wanneer (bijvoorbeeld) een persoon een verzoek indient, maar tegelijkertijd aanbiedt dit verzoek in te trekken in ruil voor een of ander voordeel van de verwerkingsverantwoordelijke. 4.5. Bij de beoordeling van het beroep op misbruik van recht is - onder meer - van belang de uitspraak van het HvJ van 19 maart 2026 over de toepassing van artikel 12 lid 5 AVG. Voor het bewijs van misbruik is blijkens deze uitspraak enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist en anderzijds een subjectief element, namelijk ´ de bedoeling van de betrokkene om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. Voor een dergelijke kwalificatie moeten voorts alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen .´ Daarbij mag rekening worden gehouden met openbaar toegankelijke informatie waaruit blijkt dat de betrokkene stelselmatig verzoeken tot inzage van zijn persoonsgegevens en vorderingen tot schadevergoeding indient bij verschillende verwerkingsverantwoordelijken volgens een vergelijkbaar patroon. Toepassing van het beoordelingskader op deze zaak 4.6. Uit het toepasselijke beoordelingskader blijkt dat de lat voor het aannemen van misbruik van recht op grond van artikel 3:13 BW, bezien in samenhang met artikel 12 lid 5 AVG, hoog ligt en dat bij het aannemen van misbruik terughoudendheid moet worden betracht. De rechtbank is echter (ook) in deze zaak van oordeel dat voldoende is gebleken van zwaarwichtige gronden die de conclusie rechtvaardigen dat [verzoeker] met zijn verzoek misbruik van recht maakt. Uit de wijze waarop [verzoeker] in dit dossier, en in andere dossiers, de procedure is gestart en met VDIS heeft gecommuniceerd, blijkt dat [verzoeker] een financieel oogmerk heeft bij zijn verzoeken en dat het hem niet daadwerkelijk gaat om de inzage in zijn persoonsgegevens en om de juistheid van deze gegevens en de rechtmatigheid van de verwerking te controleren. Hoewel in beginsel per individuele zaak moet worden beoordeeld of sprake is van misbruik van recht, kan deze zaak niet los worden gezien van de andere vergelijkbare zaken die [verzoeker] bij de rechtbank aanhangig heeft gemaakt. Juist het patroon in de werkwijze en het procedeergedrag dat zichtbaar wordt uit deze en andere zaken draagt in belangrijke mate bij aan het oordeel dat [verzoeker] misbruik van recht maakt. 4.7. Voor de motivering van haar oordeel dat sprake is van misbruik van recht verwijst de rechtbank allereerst uitdrukkelijk naar haar gemotiveerde oordeel in de onder 4.2 genoemde beschikking, waaraan - kort gezegd - het procedeergedrag en de werkwijze van [verzoeker] , en de betrokkenheid van (vermeende) gemachtigden en de rol van Webshop Juristen ten grondslag ligt. Dergelijke omstandigheden zijn ook aanwezig en gesteld in de onderhavige zaak. Zo heeft [verzoeker] ook in deze zaak al in een vroegtijdig stadium buitengerechtelijke kosten aangezegd en aangedrongen op betaling van een (schade)vergoeding, onder dreiging van een gerechtelijke procedure. Ook in deze zaak heeft [verzoeker] in de dagvaarding, zonder schriftelijke onderbouwing, een immateriële schadevergoeding, een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en een vergoeding van de werkelijke proceskosten gevorderd en vervolgens zijn verzoek - zonder deugdelijke of overtuigende toelichting - verminderd tot enkel inzage in zijn persoonsgegevens op straffe van een dwangsom, waarbij van belang is dat deze vermindering in dit geval eerst ter zitting heeft plaatsgevonden. Verder heeft [verzoeker] ook in deze zaak om vergoeding van de proceskosten verzocht, waarbij het aanvankelijk ging om de werkelijke proceskosten, terwijl ook VDIS - onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2024 - haar terechte twijfels heeft geuit over het daadwerkelijk bestaan van gemachtigde Donkersloot. In de onder 4.2 genoemde beschikking heeft de rechtbank daarover geoordeeld dat [verzoeker] het bestaan van gemachtigde Donkersloot niet aannemelijk heeft weten te maken. Dat is ook hier het geval, waarbij van belang is dat ook in deze zaak Donkersloot zonder goede of aannemelijke reden niet ter zitting is verschenen. In deze zaak komt daar tot slot nog bij dat [verzoeker] , zoals VDIS ook heeft gesteld, niet heeft gereageerd op het verzoek tot verificatie van VDIS. Dit had wel voor de hand gelegen als het [verzoeker] daadwerkelijk te doen was geweest om inzage in zijn persoonsgegevens. 4.8. Zoals ook in de onder 4.2 genoemde beschikking is overwogen heeft [verzoeker] de omschreven handelwijze niet alleen gehanteerd met betrekking tot zijn inzageverzoek aan VDIS, maar ook in andere zaken. Dit betreft onder meer de andere AVG-verzoeken van [verzoeker] tegen verschillende andere bedrijven die op de zitting van 1 juni 2026 zijn behandeld, alsook de ongeveer twintig andere zaken die bij de rechtbank aanhangig zijn. [verzoeker] heeft in deze zaken een vergelijkbare communicatie en insteek van de procedure gehad als in deze zaak en - met gebruikmaking van nagenoeg identieke dagvaardingen en stukken - een hoge schadevergoeding en/of een hoge kostenvergoeding gevorderd. Vrijwel alle zaken die aanhangig zijn bij deze en andere rechtbanken vinden hun oorsprong in een online bestelling van [verzoeker] of registratie vanwege andere redenen, enige tijd later gevolgd door een AVG-verzoek. Ook in die zaken heeft [verzoeker] al in een vroeg stadium en herhaaldelijk aangedrongen op de betaling van een vergoeding door de betrokken bedrijven en ook in die zaken, althans in de zaken die op zitting zijn behandeld, heeft [verzoeker] kort voor de zitting zonder nadere toelichting zijn verzoek aangepast en verminderd. Daarbij is van belang dat in de meeste van deze zaken eveneens een beroep op misbruik van recht is gedaan. 4.9. De rechtbank is er daarnaast ambtshalve mee bekend dat in ieder geval bij de rechtbanken Rotterdam en Midden-Nederland vergelijkbare zaken aanhangig zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling in de onder 4.2 bedoelde zaak heeft [verzoeker] desgevraagd meegedeeld dat hij in de afgelopen anderhalf jaar zo’n 90 inzageverzoeken op grond van de AVG heeft gedaan. De bedrijven die weigerden aan dat verzoek te voldoen of geen dan wel onvoldoende inzage hebben gegeven, zijn de bedrijven waartegen hij uiteindelijk een procedure is gestart. 4.10. Tot slot neemt de rechtbank ook in deze zaak in aanmerking dat de werkwijze en proceshouding van [verzoeker] ook door andere rechters is gesignaleerd. Dit heeft geleid tot afwijzing van de vordering en in sommige gevallen zelfs tot een veroordeling in de werkelijke proceskosten, zoals ook is vastgesteld in de onder 4.2 genoemde beslissing. 4.11. Uit het vorenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [verzoeker] met gebruikmaking van de mogelijkheden van de AVG welbewust een situatie heeft geconstrueerd die het hem mogelijk maakt van de betrokken bedrijven een schadevergoeding te verkrijgen. Er is dus sprake van een patroon. Daarbij kan de rechtbank zich ook in deze zaak niet aan de indruk onttrekken dat [verzoeker] misbruik maakt van de onbekendheid van deze bedrijven met de inhoud en de werking van de AVG en van de vrees van die bedrijven om tot hoge vergoedingen veroordeeld te worden. Conclusie 4.12. Omdat [verzoeker] misbruik maakt van recht, zal de rechtbank [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek wordt dan ook niet toegekomen. Proceskostenveroordeling 4.13. Omdat [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard, moet hij de proceskosten betalen. Omdat VDIS in persoon is verschenen, worden de reis-, verblijf- en verletkosten tot en met vandaag aan haar kant ambtshalve vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 50,00. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek. 5.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend. Deze beschikking is gegeven door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2026, C-526/24 (Brillen Rottler/ TC). Raad van State 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403. ECLI:NL:RBNHO:2026:8285. De EDPB Guidelines zijn richtsnoeren die de European Data Protection Board (EDPB) heeft gepubliceerd en waarin verschillende onderwerpen uit de AVG worden verduidelijkt. Aantekening 190 van EDPB Guidelines. Vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403, r.o. 5.4. Rechtbank Amsterdam 2 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2774. R.o. 4.24. Rechtbank Amsterdam 2 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2774, rechtbank Rotterdam 21 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13631, rechtbank Noord-Holland 24 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15801, rechtbank Noord-Holland 19 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:299, rechtbank Noord-Holland 16 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:7793 en rechtbank Noord-Holland 17 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6889.