Rechtbank Den Haag, 23-06-2026 (SGR 25/235)
Eiser heeft een klacht ingediend bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Vanwege een motiveringsgebrek is het beroep gegrond. Verweerder hoefde evenwel geen nader onderzoek in te stellen naar de ingediende klacht.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/235 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen [eisers sub 1], eiser, [eisers sub 2] en [eisers sub 3] , uit [woonplaats], tezamen: eisers en de Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder. (gemachtigde: mr. O.S. Nijveld). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afhandeling van hun klacht door verweerder. 1.1. Met het primaire besluit van 14 september 2023 heeft verweerder besloten om geen nader onderzoek te doen naar een door eisers ingediende klacht. Eisers hebben op 19 oktober 2023 bezwaar ingesteld tegen het primaire besluit. Op 9 januari 2025 hebben eisers een beroep niet-tijdig beslissen ingediend. Met het bestreden besluit van 3 februari 2025 heeft verweerder het primaire besluit met wijziging van de motivering in stand gelaten en het bezwaar van eisers hiertegen ongegrond verklaard. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2025 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: namens eisers [eisers sub 1] en namens verweerder zijn gemachtigde vergezeld door mr. W. van Steenbergen. Tijdens de zitting hebben eisers de rechter gewraakt. De rechtbank heeft daarop het onderzoek geschorst in afwachting van de uitkomst van de wrakingsprocedure. Van deze schorsing is een proces-verbaal gemaakt dat aan partijen is toegezonden. Met de beslissing van 5 maart 2026 heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking afgewezen. Hierna is de procedure voortgezet in de stand waarin zij zich bevond op het moment van het wrakingsverzoek. 1.4. Eisers hebben op 20 maart 2026 nadere stukken ingediend. 1.5. Het onderzoek is op de zitting van 12 mei 2026 door een andere rechter hervat. Hieraan hebben deelgenomen: namens eisers [eisers sub 1] en [eisers sub 3] en namens verweerder zijn gemachtigde vergezeld door mr. W. van Steenbergen. 1.6. Ter zitting hebben eisers gesteld dat zij op 4 mei 2026 nadere stukken hebben ingediend. Omdat deze stukken niet door de rechtbank zijn ontvangen en deze, ook als dat wel het geval was geweest, buiten de tien dagen termijn zouden zijn ingediend, heeft de rechtbank besloten om deze stukken buiten beschouwing te laten. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser heeft een minderjarige zoon ([eisers sub 2]) met zijn ex-partner. Eiser en zijn ex-partner zijn in verschillende civiele en strafrechtelijke procedures verwikkeld geraakt. Eiser heeft als gevolg van een beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 25 april 2012 het eenhoofdig gezag over zijn zoon gekregen. Voor zover hier van belang heeft de ex-partner meerdere beschuldigingen geuit jegens eiser en hun zoon, waarvan de inhoud raakt aan zeer gevoelige thema’s als het strafrechtelijke verleden van eiser, zijn vermeende pedoseksuele geaardheid, zijn vermeende betrokkenheid bij een pedofielennetwerk en de vermeende agressiviteit van hun zoon jegens zijn moeder. Eisers menen dat de op de voorgaande thema’s betrekking hebbende persoonsgegevens van eiser en die van zijn zoon onrechtmatig zijn verwerkt in procedures waarin zij geen procespartij waren en hebben hierover een klacht ingediend bij verweerder. Wat heeft verweerder besloten? 3. In het primaire besluit heeft verweerder gesteld dat op basis van de klacht van eisers en het aangeleverde bewijs nog geen overtreding kan worden vastgesteld. Omdat een breder maatschappelijk belang ontbreekt en de klacht onderdeel uitmaakt van een nog lopende procedure bij de Hoge Raad, is verweerder van mening dat het instellen van een nader onderzoek en daarmee de inzet van haar beperkte capaciteit en middelen niet efficiënt en effectief is. Met het primaire besluit heeft verweerder daarom besloten om geen verder onderzoek te doen naar de door eisers ingediende klacht. 3.1. Met het bestreden besluit van 3 februari 2025 heeft verweerder het primaire besluit heroverwogen en de door eisers ingediende klacht alsnog inhoudelijk beoordeeld. Hier is uitgekomen dat de verwerking van de (bijzondere) persoonsgegevens van eiser en zijn zoon noodzakelijk was in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) is opgedragen. Daarbij is van belang dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) in de prejudiciële beslissing van 8 december 2022 heeft bepaald dat als de bevoegde minister persoonsgegevens heeft verzameld om zijn taak uit te voeren, hij deze ook mag gebruiken als hij een andere taak van algemeen belang moet uitvoeren. Het Hof noemt daarbij expliciet het voorbeeld van het voeren van civiele schadevergoedingsprocedures als een taak van algemeen belang, omdat hiermee de juridische en financiële belangen van de Staat worden beschermd. Verder vindt verweerder dat de verwerking van de persoonsgegevens van eiser en zijn zoon in het kader van de uitvoering van die taak van algemeen belang ook noodzakelijk was, nu deze gegevens dienden als bewijs in het verweer tegen de claims van de ex-partner en als zodanig een bijdrage leverden aan de waarheidsvinding in de civiele procedure. In dat kader geldt ook dat de minister verplicht was om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Nu gelet op het voorgaande sprake is van een rechtmatige grondslag voor de verwerking van de persoonsgegevens van eiser en zijn zoon, is hun toestemming hiervoor niet nodig. Wat vindt eiser in beroep? Beroep tegen het niet-tijdig beslissen 4. Eiser heeft op 21 oktober 2024 een ingebrekestelling gestuurd en verweerder daarin gemaand om binnen een termijn van twee weken een beslissing op zijn bezwaarschrift te nemen. Nu verweerder uiteindelijk pas op 3 februari 2025 een beslissing op zijn bezwaarschrift heeft genomen, heeft hij recht op de maximale dwangsom van € 1.442,-. Beroep tegen het bestreden besluit van 3 februari 2025 5. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren daartoe – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aan. Verweerder heeft miskend dat zijn klacht niet alleen ziet op persoonsgegevens van hem en zijn zoon die zijn verwerkt door de minister, maar ook op de persoonsgegevens die zijn verwerkt door het OM. Al van meet af aan procedeert hij tegen de Staat der Nederlanden, waar het OM ook deel van uitmaakt. Eiser heeft nooit ingestemd met een zodanige beperking van de reikwijdte van zijn klacht dat alleen de minister daaronder moet worden begrepen. Verder betwisten eisers dat sprake is van een rechtmatige grondslag voor de verwerking van de persoonsgegevens van eiser en die van zijn zoon. Verweerder geeft een verkeerde uitleg aan de aangehaalde prejudiciële beslissing van 8 december 2022 van het Hof. Het voeren van een schadevergoedingsprocedure kán op grond hiervan weliswaar onder een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag worden geschaard, echter slechts op voorwaarde dat de betrokkene die partij is bij die procedure gebruik heeft kunnen maken van de aan hem toekomende AVG-rechten. Naast dat eiser en zijn zoon geen partij zijn bij de procedures waarvan zij menen dat de minister hun persoonsgegevens onrechtmatig heeft verwerkt, zijn zij evenmin in de gelegenheid gesteld om hiertegen bezwaar te maken. Dat brengt met zich mee dat de in artikel 6, eerste lid, onder e, van de AVG genoemde rechtvaardigingsgrond hier niet kan worden ingeroepen. Mocht de rechtbank hier niet in meegaan, dan betogen eisers dat de noodzakelijkheid en evenredigheid van de betreffende gegevensverwerkingen onvoldoende zijn gemotiveerd. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt dat hij de gegevensverwerkingen zoveel als mogelijk heeft geminimaliseerd. Dit klemt te meer nu het veelal gaat om bijzondere persoonsgegevens waarvan verwerking in beginsel verboden is. Tot slot stellen eisers aan de orde dat de hoogste bestuursrechter op 26 maart 2025 uitspraak heeft gedaan in een procedure waarin hij bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om inzage heeft verzocht van zijn persoonsgegevens in documenten in civiele procedures. Als gevolg van deze uitspraak heeft de staatssecretaris gedeeltelijke inzage gegeven in verschillende processtukken, waaruit blijkt dat de persoonsgegevens van eiser en die van zijn zoon op grote schaal zijn verwerkt en bovendien op een wijze die geen recht doet aan de waarheid. Eisers verzoeken de rechtbank om dit gegeven bij het oordeel in deze procedure te betrekken. Wat is het oordeel van de rechtbank? Beroep niet-tijdig beslissen 6. Eiser heeft op 21 oktober 2024 een ingebrekestelling gestuurd en verweerder daarin gemaand om binnen een termijn van twee weken een beslissing op zijn bezwaarschrift te nemen. Verweerder heeft uiteindelijk pas op 3 februari 2025 een beslissing op zijn bezwaarschrift genomen, wat betekent dat hij de maximale dwangsom van € 1.442,- aan eiser is verschuldigd. Nu eiser op de zitting heeft bevestigd dat dit bedrag inmiddels door verweerder aan hem is overgemaakt, acht de rechtbank dit punt daarmee als afgedaan. Beroep tegen het bestreden besluit van 3 februari 2025 7. De rechtbank zal eerst ingaan op het verzoek dat eisers tijdens beide zittingen in deze zaak hebben gedaan. Eisers hebben verzocht om drie volgens hen relevante en essentiële feiten in de feitenvaststelling van deze uitspraak op te nemen. De rechtbank wijst dit verzoek af en overweegt daartoe dat de betreffende elementen weliswaar raken aan de materie van deze zaak, maar niet relevant zijn voor de beantwoording van de rechtsvraag waar het in deze zaak om gaat, namelijk of verweerder de door eiser ingediende klacht op goede gronden heeft afgedaan. 8. Verder is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit gebrekkig is gemotiveerd en daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is daarmee gegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Reikwijdte van de klacht 9. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter kan de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer worden uitgebreid. 9.1. In de oorspronkelijke klacht van 2 november 2021 stellen eisers dat zij een klacht indienen tegen de jeugdbescherming en tevens om de hulp van verweerder vragen bij de ingediende klacht tegen de procureur-generaal van de Hoge Raad. Vervolgens merken zij op dat hun AVG klachten zich enerzijds richten tegen Veilig Thuis, de gecertificeerde instellingen (GI’s) en de Raad voor de Kinderbescherming en anderzijds tegen de procureur-generaal van de Hoge Raad. Het OM wordt niet genoemd. Verderop in de klacht wordt weliswaar melding gemaakt van de Staat, echter moet dit naar het oordeel van de rechtbank meer worden gezien in het licht van de achterliggende context die eisers schetsen over de jarenlange strijd die zij voeren tegen het negatieve stigma dat zij naar eigen zeggen opgespeld hebben gekregen. Ook hieruit hoefde verweerder dus niet af te leiden dat de klacht mede betrekking heeft op het OM. 9.2. Vervolgens hebben eisers hun aanvankelijke klacht in de bezwaarfase met de brief van 19 december 2023 na overleg met verweerder beperkt tot de rechtmatigheid van de verwerking en verspreiding van de persoonsgegevens van eiser en zijn zoon in de processtukken van de minister over de ‘pedofiele ouder’ en zijn processtukken over de ‘agressieve minderjarige zoon’. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder dit redelijkerwijs als uitgangspunt heeft mogen nemen bij het nemen van het bestreden besluit. Heeft verweerder de door eiser ingediende klacht in gepaste mate onderzocht? 10. Volgens de wet moet verweerder klachten behandelen in de mate waarin dat gepast is. Dat betekent dat verweerder beleidsvrijheid heeft om te bepalen in welke zaken hij handhavend optreedt en in welke zaken niet. Verweerder hanteert daarbij een vaste werkwijze. De vaste werkwijze houdt in dat verweerder een eerste inhoudelijke beoordeling maakt van een klacht die aan de formele vereisten voldoet. Deze eerste inhoudelijke beoordeling kan drie uitkomsten hebben: er is een overtreding, er is geen overtreding of het is (nog) niet duidelijk of er een overtreding is. Als (nog) niet duidelijk is of er een overtreding is, dan bepaalt verweerder of hij de klacht verder gaat onderzoeken. Dat bepaalt verweerder aan de hand van criteria die hij op zijn website heeft vermeld. Het gaat daarbij om de volgende criteria: - hoe ernstig de inbreuk op de privacy is van de betrokkene; - of de mogelijke overtreding nog aan de gang is; - wat de mogelijke overtreding voor impact heeft op de samenleving; - of verweerder genoeg mogelijkheden heeft om op te treden tegen de organisatie waarover de klacht van de betrokkene gaat; - of het onderwerp van de klacht valt binnen een van de thema’s uit het jaarplan van verweerder. 10.1. Nadat eisers de reikwijdte van hun klacht in de bezwaarfase hadden beperkt, heeft verweerder in het bestreden besluit geconcludeerd dat de minister zich ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens van eiser en zijn zoon in dit geval gelet op de inhoud van de prejudiciële beslissing van 8 december 2022 met succes kan beroepen op de in artikel 6, eerste lid, onder e, van de AVG genoemde rechtvaardigingsgrond. De rechtbank maakt uit deze expliciete bewoordingen op dat verweerder hiermee heeft bedoeld dat hij hier een uitputtend onderzoek naar heeft verricht, te meer nu hij zich eerder in het bestreden besluit rekenschap geeft van het feit dat eiser zijn klacht heeft onderbouwd door middel van processtukken die hij in zijn bezit heeft. 10.2. In het verweerschrift van 21 oktober 2025 neemt verweerder een nieuw standpunt in op dit onderdeel. Daarin staat opgenomen dat verweerder het gelet op de prejudiciële beslissing op zichzelf niet onaannemelijk vindt dat de minister in dit geval beschikt over een wettelijke grondslag om de persoonsgegevens van eiser en zijn zoon te verwerken, waarbij ook meespeelt dat partijen de ruimte moet worden geboden om hun standpunt uitgebreid te onderbouwen omdat zij vooraf niet precies weten welke en hoeveel stukken er nodig zijn om de rechter te overtuigen. Om hierover definitief uitsluitsel te verkrijgen, moet verweerder echter inzage worden verleend in alle door de minister ingediende processtukken in een veelvoud aan procedures waarin de persoonsgegevens van eiser en zijn zoon zijn verwerkt. Nu hieruit volgt dat verweerder - in tegenstelling tot het voorgaande - geen uitputtend onderzoek heeft verricht op basis van de door eiser ingebrachte processtukken, is de rechtbank van oordeel dat deze uitleg zodanig onverenigbaar is met de eerder gegeven toelichting in het bestreden besluit op dit punt, dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking. In de volgende rechtsoverweging zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit gelet op de nadere toelichting in het verweerschrift op dit punt in stand kunnen worden gelaten. 10.3. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat de door eiser ingediende stukken geen aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat er sprake is van een overtreding. Verweerder zal hiernaar echter geen nader onderzoek verrichten omdat daarvoor alle processtukken in een veelvoud aan procedures moeten worden beoordeeld. Op de zitting heeft verweerder aangegeven dat dit met name niet voor de hand ligt om de reden dat de bredere maatschappelijke relevantie ontbreekt. Verweerder heeft in dat kader uitgelegd zoveel mogelijk effect te willen bereiken voor zoveel mogelijk mensen, maar dat het in deze zaak om een beperkt aantal personen gaat. Het instellen van een nader onderzoek in deze zaak is daarom niet effectief en efficiënt. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat, gelet op de gevoeligheid van de eerder genoemde thema’s, nader onderzoek had kunnen uitwijzen dat in dit geval sprake is van een ernstige inbreuk op de privacy van eisers, kan zij de afweging van verweerder op dit punt volgen. Dat over deze kwestie krantenartikelen zijn gepubliceerd en zelfs Kamervragen zijn gesteld, zoals eiser op de zitting heeft gesteld, maakt dit niet anders. Feit blijft namelijk dat, hoe ingrijpend ook, alleen eisers bij deze kwestie zijn betrokken. Daarbij heeft verweerder mogen meewegen dat het in dit geval gaat om dossiers die voorliggen of voor hebben gelegen bij de rechter. In het eerste geval maken de persoonsgegevens onderdeel uit van het procesdossier en heeft de verwerking al plaatsgevonden. De overtreding is dan ook niet meer aan de gang. Voor zover het gaat om dossiers die op dit moment nog voorliggen bij de rechter, is het primair aan die rechter om te bepalen of die stukken relevant of overtuigend zijn. Ook hier kan verweerder dus niet het verschil maken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door eiser ingediende klacht in gepaste mate heeft onderzocht. 11. Nu de rechtbank van oordeel is dat verweerder mocht afzien van het doen van een nader onderzoek, wordt niet meer toegekomen aan de beoordeling van de vraag op welke wijze de prejudiciële beslissing van het Hof van 8 december 2022 moet worden uitgelegd. De gronden die eisers hiertegen hebben gericht, blijven in deze uitspraak daarom onbesproken. Ditzelfde geldt voor wat betreft de vraag of de gegevensverwerkingen waar eisers op doelen wel noodzakelijk en evenredig waren. 12. Ten overvloede geeft de rechtbank eisers nog het volgende mee. Als zij een oordeel willen over de rechtmatigheid van de verwerkingen van hun persoonsgegevens, dan kunnen zij zich ook rechtstreeks wenden tot de bestuursrechter in een schadeverzoekschriftprocedure. Tijdens die procedure kunnen zij aan de bestuursrechter vragen om de rechtmatigheid van een bestuurlijke verwerking te toetsen. Conclusie en gevolgen 13. Het beroep van eiser voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit is gegrond. De rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit kunnen in stand worden gelaten. Verweerder moet daarom het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. Voor de toekenning van een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit gegrond; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven; - draagt verweerder op het door eisers betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden; Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het door eisers ingestelde beroep geacht mede te zijn gericht tegen dit alsnog genomen besluit. ECLI:NL:GHSGR:2012:BW6566. Als bedoeld in artikel 6 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Als bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de AVG. Vergelijk met artikel 57, eerste lid, onder f, van de AVG. Met als kenmerk C-180/21. Op grond van artikel 19 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Openbaar Ministerie. Waaronder het recht van bezwaar als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de AVG. Als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2025:1319. Zie bijvoorbeeld die uitspraak van de Afdeling van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2997. Zie artikel 57, eerste lid, aanhef en onder f, van de AVG. Zie: www.autoriteitpersoonsgegevens.nl/een-tip-of-klacht-indienen-bij-de-ap/behandeling-van-klachten-door-de-ap. Op grond van artikel 8:88, eerste lid aanhef en onder a, van de Awb in samenhang met artikel 34 van de Uitvoeringswet AVG. Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:319. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.