Raad van State, 15-07-2026 (202206323/1/A3)
Bij besluit van 11 februari 2020 heeft de korpschef van politie een verzoek van [appellant] om rectificatie van politiegegevens afgewezen. [appellant] heeft de korpschef verzocht om aanpassing van alle mutaties en rapporten waarin staat dat hij een aanslag op de kinderen van [persoon], de hoofdredacteur van GeenStijl, ‘collateral damage’ zou hebben genoemd. Ook heeft hij verzocht om een afschrift van de oude en nieuwe versie van de mutaties en documenten en kenbaar te maken op basis van welke bronnen deze zijn opgemaakt en wie binnen en buiten Nederland op de hoogte zijn van deze informatie en hen te informeren over de aanpassing. [appellant] heeft, naast zijn verzoek om rectificatie, ook verzocht om inzage in alle mutaties en documenten waarin staat dat hij een aanslag op de kinderen van [persoon] ‘collateral damage’ zou hebben genoemd.
How it connects
Related across sources
Full text
202206323/1/A3. Datum uitspraak: 15 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2022 in zaken nrs. 20/1765 en 20/3880 in het geding tussen: [appellant] en de korpschef van politie. Procesverloop Bij besluit van 11 februari 2020 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om rectificatie van politiegegevens afgewezen. Bij besluit van 28 mei 2020 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] om inzage in politiegegevens toegewezen. Bij uitspraak van 23 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 11 februari 2020 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de korpschef het e-mailbericht intern rectificeert en andere instanties met wie de onjuiste verklaring is gedeeld van de rectificatie op de hoogte stelt en onomwonden duidelijk maakt dat dit e-mailbericht onjuist is. De rechtbank heeft het door [appellant] tegen het besluit van 28 mei 2020 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2026, waar [appellant] en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. S. Filali, bijgestaan door mr. P.M.L. van der Schot, advocaat in Loosdrecht, zijn verschenen. Overwegingen 1. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Waar gaat deze zaak over? Rectificatieverzoek 2. [appellant] heeft de korpschef verzocht om aanpassing van alle mutaties en rapporten waarin staat dat hij een aanslag op de kinderen van [persoon], de hoofdredacteur van GeenStijl, ‘collateral damage’ zou hebben genoemd. Ook heeft hij verzocht om een afschrift van de oude en nieuwe versie van de mutaties en documenten en kenbaar te maken op basis van welke bronnen deze zijn opgemaakt en wie binnen en buiten Nederland op de hoogte zijn van deze informatie en hen te informeren over de aanpassing. 3. De korpschef heeft het verzoek afgewezen. Op het verzoek is artikel 28, eerste lid, van de Wet politiegegevens (Wpg) van toepassing. De betreffende politiegegevens zijn geregistreerd in een document met nummer 2016039033. Daarin staat het volgende vermeld: "deze journalist heeft 3 kinderen, [appellant] roept op social media op deze man te bezoeken. Hij noemt het gevolg voor de kinderen ‘collateral damage’." Dit is een citaat van een tekst in een stuk op de website Liefde voor Holland. Volgens de korpschef is er geen aanleiding om het document aan te passen omdat wat hierin staat overeenkomt met de tekst van dat stuk. Een verzoek om een afschrift van een mutatie valt niet onder het bereik van artikel 28 van de Wpg. Verder voorziet artikel 28 van de Wpg niet in de mogelijkheid om informatie te krijgen over de bronnen van een politiegegeven of wie op de hoogte is gebracht van een politiegegeven. 4. Naar aanleiding van het beroepschrift van [appellant], waarin hij aanvoert dat er meer stukken moeten zijn, heeft de korpschef verder gezocht. De korpschef heeft hierop een e-mailbericht van 9 juni 2017 met onderliggende tweets gevonden. Het e-mailbericht is een rapportage van een politiemedewerker. Daarin staat dat [appellant] een aanslag op de kinderen van [persoon], de hoofdredacteur van GeenSijl, ‘collateral damage’ heeft genoemd. De politiemedewerker heeft deze conclusie gebaseerd op de inhoud van de onderliggende tweets. 5. De rechtbank heeft geoordeeld dat op basis van de tweets niet kan worden geconcludeerd dat [appellant] een aanslag op de kinderen als ‘collateral damage’ ziet of dat hij dat heeft verklaard. De politiemedewerker heeft dus een onjuiste weergave gegeven van wat [appellant] heeft verklaard in de tweets. De rechtbank heeft daarom het beroep tegen het besluit van 11 februari 2020 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft bepaald dat de korpschef dit intern rectificeert en andere instanties met wie de onjuiste verklaring is gedeeld van de rectificatie op de hoogte stelt en onomwonden duidelijk maakt dat dit e-mailbericht onjuist is. De rechtbank heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Inzageverzoek 6. [appellant] heeft, naast zijn verzoek om rectificatie, ook verzocht om inzage in alle mutaties en documenten waarin staat dat hij een aanslag op de kinderen van [persoon] ‘collateral damage’ zou hebben genoemd. 7. De korpschef heeft het verzoek toegewezen. De korpschef heeft bij wijze van uitzondering een letterlijke weergave van de inhoud van een mutatierapport verstrekt. Het mutatierapport bevat drie zinnen en is een samenvatting van een aangifte van [appellant]. Daarnaast heeft de korpschef een afschrift van het proces-verbaal van aangifte aan [appellant] verstrekt. 8. In de beroepsfase heeft [appellant] inzage gehad in de gelakte versie van het hiervoor onder 4 genoemde e-mailbericht van 9 juni 2017 en screenshots van de onderliggende tweets. 9. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] in beroep terecht heeft aangevoerd dat de inzage niet volledig is geweest. De korpschef heeft namelijk documenten gevonden die niet eerder ter inzage zijn aangeboden. Daarom heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 mei 2020 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank volgt [appellant] niet in zijn stelling dat er bij de korpschef daarnaast nog meer stukken moeten zijn waarin de onjuiste verklaring staat. Daarom heeft de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. 10. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld. Hoger beroep 11. [appellant] voert in hoger beroep aan dat het inzagedossier nog steeds niet compleet is. Verder heeft de rechtbank ten onrechte de korpschef niet de opdracht gegeven om andere derden dan alleen het Openbaar Ministerie en de gemeente op de hoogte te brengen van de rectificatie. Volgens [appellant] had de rechtbank de korpschef ook de opdracht moeten geven om Europol op de hoogte te brengen van de rectificatie. 11.1. Uit dat wat [appellant] heeft aangevoerd volgt, anders dan de korpschef in de schriftelijke uiteenzetting heeft gesteld, dat het hoger beroep wel gronden bevat. Anders dan de korpschef verder heeft gesteld, heeft [appellant] procesbelang bij zijn hoger beroep, omdat hij daarmee wil bereiken dat hij inzage krijgt in nog meer stukken en dat de opdracht van de rechtbank wordt verruimd. 11.2. Op grond van vaste rechtspraak is, wanneer een bestuursorgaan stelt dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan rust. [appellant] heeft zijn stelling, dat het inzagedossier nog steeds niet compleet is, niet onderbouwd. 11.3. De rechtbank heeft in haar beslissing de korpschef de opdracht gegeven om andere instanties met wie de onjuiste verklaring is gedeeld van de rectificatie op de hoogte te stellen en dus onomwonden duidelijk maken dat de weergave in het e-mailbericht van 9 juni 2017 onjuist is. Dit betekent dat, anders dan [appellant] heeft aangevoerd, de rechtbank de opdracht niet heeft beperkt tot het Openbaar Ministerie en de gemeente. Indien de korpschef de onjuiste verklaring heeft gedeeld met Europol, zoals [appellant] heeft gesteld, dan ligt het in de rede dat de korpschef die instantie ook op de hoogte stelt van de rectificatie. Maar de feitelijke uitvoering van de uitspraak van de rechtbank staat in deze procedure niet ter beoordeling. De rechtbank heeft geen aanleiding hoeven zien om de korpschef de opdracht te geven om Europol van de rectificatie op de hoogte te stellen, omdat de rechtbank niet kan overzien met welke instanties de korpschef de onjuiste verklaring heeft gedeeld. 11.4. Ter zitting bij de Afdeling heeft [appellant] nog aangevoerd dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat de korpschef de zoekslag niet in het besluit heeft beschreven. Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen het besluit van 28 mei 2022 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank, gelet op de toelichting van de korpschef in de beroepsfase over de verrichte zoekslag, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit terecht in stand heeft gelaten. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de onder 7.5 en 7.6 opgenomen overwegingen. 11.5. Het betoog slaagt niet. 12. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd. Redelijke termijn 13. [appellant] betoogt terecht dat de procedure niet binnen de redelijke termijn is afgerond. De redelijke termijn bij een procedure als deze bedraagt namelijk vier jaar. In dit geval is deze aangevangen op 24 maart 2020 met de ontvangst van het beroepschrift van [appellant] tegen het besluit van 11 februari 2020. Vanaf die datum tot 15 juli 2026, de dag van deze uitspraak, zijn zes jaar en vier maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met twee jaar en vier maanden is overschreden. [appellant] heeft in totaal recht op een bedrag van € 2.500,00. De rechtbank heeft de Staat der Nederlanden al veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 500,00 aan [appellant]. Om die reden zal de Afdeling een aanvullende vergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn toekennen van € 2.000,00. Dit bedrag is aan de Afdeling toe te rekenen. De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moet daarom de aanvullende schadevergoeding betalen. 14. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen; II. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 2.000,00 te betalen. Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier. w.g. Soffers lid van de enkelvoudige kamer w.g. Larsson-van Reijsen griffier Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026 978 BIJLAGE Wet politiegegevens Artikel 25 1. De betrokkene heeft het recht om op diens verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over: […]. Artikel 28 1. De betrokkene heeft het recht op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke rectificatie van de hem betreffende onjuiste politiegegevens te verkrijgen en, rekening houdend met het doel van de verwerking, het recht om onvolledige politiegegevens te laten aanvullen, onder meer door middel van een aanvullende verklaring. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. […].