Rechtbank Midden-Nederland, 03-07-2026 (C/16/604134 / HA RK 25-223)
AVG verzoek voor het verwijderen van een BKR registratie. Het verzoek wordt afgewezen. De registratie had niets te maken met de Toeslagenaffaire, maar wel met onjuiste verklaringen bij de aanvraag van een hypothecaire geldlening.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer / rekestnummer: C/16/604134 / HA RK 25-223 Beschikking van 3 juli 2026 in de zaak van [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. A. Kara, tegen de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid COÖPERATIEVE RABOBANK U.A. , gevestigd te Amsterdam, kantoorhoudend te Utrecht, verweerster, hierna te noemen: Rabobank, advocaten: mr. W.T.N. Vlasveld en mr. E.M.C.D. Engelen. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verwijzingsvonnis van 10 december 2025; - het verzoekschrift van [verzoeker] , ontvangen op 15 januari 2026; - het verweerschrift, ontvangen op 4 mei 2026; - de persoonlijke toelichting van S. [verzoeker] , ontvangen op 11 mei 2026; - de mondelinge behandeling van 12 mei 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. 1.2 Op de mondelinge behandeling heeft Rabobank bezwaar gemaakt tegen de schriftelijke persoonlijke toelichting van [verzoeker] , omdat die niet uiterlijk vijf kalenderdagen voor de dag van de mondelinge behandeling was ingediend. De rechtbank heeft daarom dit schriftelijke stuk buiten beschouwing gelaten. Verder kan niet op deze manier een nieuw verzoek (zoals opgenomen in het dictum) worden geformuleerd. Op de mondelinge behandeling heeft mr. Kara alsnog in grote lijnen de tekst van de eerste acht pagina’s van de toelichting voorgedragen. 1.3 De uitspraak van de beschikking is uitgesteld tot vandaag. 2 De kern van de zaak 2.1 [verzoeker] is door Rabobank in 2024 met een negatieve registratie opgenomen in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van Stichting Bureau Krediet Registratie (BKR). [verzoeker] verzoekt de rechtbank om Rabobank te bevelen deze registratie in het CKI te verwijderen. De vraag is of [verzoeker] vanwege de gevolgen van de Toeslagenaffaire onterecht geregistreerd is of dat [verzoeker] te verwijten valt dat hij zijn (financiële) verplichtingen aan Rabobank niet is nagekomen. De rechtbank geeft Rabobank gelijk. Rabobank hoeft daarom de BKR-melding van [verzoeker] in het CKI niet te verwijderen. 3 De beoordeling De procedurele vereisten De rechtbank is bevoegd om het verzoek te behandelen 3.1 De rechtbank van de woonplaats van de verzoeker of van één van de belanghebbenden is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen. De bevoegdheid van de rechtbank kan in deze zaak niet worden gegrond op de woonplaats van [verzoeker] ( [woonplaats] ) of de juridische vestigingsplaats van Rabobank (Amsterdam). [verzoeker] heeft echter zijn keuze voor deze rechtbank gebaseerd op de locatie van het kantoor van Rabobank in Utrecht, omdat dit specifieke kantoor de BKR-registraties zou beheren en afhandelen. Rabobank heeft desgevraagd de rechtbank bericht geen beroep te doen op onbevoegdheid van de rechtbank, maar een inhoudelijk oordeel te verlangen. [verzoeker] heeft een zelfde standpunt ingenomen. Gelet op deze wens van partijen (een impliciete forumkeuze) acht de rechtbank zich bevoegd om kennis te nemen van het verzoek. De rechtbank zal geen niet-ontvankelijkheid uitspreken 3.2 Een verzoekschrift dat ziet op artikelen 15 tot en met 22 van de AVG moet binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verwerkingsverantwoordelijke worden ingediend bij de rechtbank. Rabobank heeft op 12 maart 2025 het verwijderingsverzoek van [verzoeker] afgewezen. [verzoeker] heeft – abusievelijk bij dagvaarding – pas 28 weken later op 24 september 2025 de rechtbank gevraagd te beslissen over de verwijdering van de BKR-melding. Op verzoek van Rabobank heeft de rechtbank ervan afgezien om [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, zodat een inhoudelijk oordeel kan worden gegeven. De achtergrond van het geschil 3.3 In 2007 en 2010 heeft Rabobank met [verzoeker] (en zijn echtgenote) overeenkomsten van hypothecaire lening afgesloten. In 2011 heeft Rabobank de aan [verzoeker] verstrekte financieringen opgezegd en heeft zij [verzoeker] verzocht haar totale vordering terug te betalen. [verzoeker] heeft aan dit verzoek niet voldaan. Dit heeft geleid tot een juridische procedure waarbij [verzoeker] is veroordeeld om € 466.132,32 te betalen aan Rabobank. 3.4 Bij beschikking van 17 juni 2022 heeft de Belastingdienst de schuld van [verzoeker] kwijtgescholden omdat hij één van de ouders is die gedupeerd is door de problemen met de kinderopvangtoeslag (de Toeslagenaffaire). 3.5 Op 10 januari 2024 zijn alle schuldeisers van [verzoeker] akkoord gegaan met een voorstel tot schuldsanering, waarbij de restschuld werd kwijtgescholden. Rabobank heeft aldus een vordering op [verzoeker] van inmiddels € 540.000,- afgeschreven. Op grond van een overeenkomst tussen het BKR en kredietverstrekkers neemt Rabobank deel aan een stelsel van kredietregistratie in het CKI. Rabobank heeft de kwijtschelding van haar vordering op [verzoeker] gemeld aan het BKR. Dit heeft op 10 januari 2024 geleid tot een ‘code 3’ registratie in CKI, een code die onder meer inhoudt dat bij een zakelijke klant een bedrag van € 250,- of meer is afgeboekt. 3.6 [verzoeker] heeft Rabobank (als verwerkingsverantwoordelijke) op 16 december 2024 verzocht om tot verwijdering van de negatieve BKR-codering over te gaan. Na een verzoek tot nadere onderbouwing heeft Rabobank het verzoek van [verzoeker] op 15 januari 2025 afgewezen. Op 10 maart 2025 heeft [verzoeker] een herhaald verzoek tot verwijdering gedaan aan Rabobank. Rabobank heeft dit verzoek op 12 maart 2025 afgewezen. Toetsingskader 3.7 Een betrokkene heeft onder meer recht op het wissen van zijn persoonsgegevens indien die gegevens onrechtmatig zijn verwerkt. De verwerking van persoonsgegevens is rechtmatig indien en voor zover deze noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke, of van een derde. Een uitzondering wordt gemaakt voor de situatie wanneer de belangen of de grondrechten en fundamentele vrijheden van de betrokkene tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen. Daarbij geldt dat moet voldaan zijn aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen 3.8 De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] afwijzen, omdat de belangen bij instandhouding van de BKR-registratie zwaarder wegen dan de belangen van [verzoeker] bij verwijdering daarvan. De rechtbank zal dat oordeel hieronder toelichten. [verzoeker] is terecht op 10 januari 2024 geregistreerd in het CKI 3.9 Gelet op de feiten en omstandigheden acht de rechtbank de registratie van [verzoeker] in het CKI terecht. [verzoeker] heeft zijn hypotheekschuld niet afgelost. Op 10 januari 2024 heeft Rabobank haar openstaande vordering op [verzoeker] kwijtgescholden. Die datum is als werkelijke einddatum genoteerd in het CKI. Dat er een jarenlang executoriaal traject voorafging aan de afschrijving, betekent nog niet dat de werkelijke einddatum op een eerdere datum moet worden gezet. Rabobank heeft immers tot 10 januari 2024 vermogensschade geleden, omdat zij geen rente heeft ontvangen over het haar toekomende bedrag. 3.10 De rechtbank is van oordeel dat de BKR-registratie van [verzoeker] niet veroorzaakt is omdat hij financiële problemen had. Preciezer geformuleerd: de Toeslagenaffaire en de handelswijze van de Belastingdienst waren niet de oorzaak van de registratie. Rabobank had vragen over de juistheid van de bij de aanvraag van financieringen door [verzoeker] aangeleverde informatie, meer specifiek de onderbouwing van het inkomen van [verzoeker] zoals gepresenteerd bij het aangaan van de geldleningen. Omdat [verzoeker] niet voldeed aan de verzoeken van Rabobank om inzicht te verstrekken in zijn financiële positie, had Rabobank geen enkel vertrouwen meer in de voortzetting van de financiële relatie. Deze vertrouwensbreuk – en niet de gevolgen van de Toeslagenaffaire – leidde tot opzegging van de verstrekte financieringen (en uiteindelijk tot de BKR-registratie). 3.11 Het doel van de kredietregistratie is enerzijds om aanbieders van krediet te beschermen tegen kredietnemers van wie is gebleken dat zij hun lening niet (kunnen) aflossen en anderzijds om consumenten te beschermen tegen overkreditering. De omstandigheden beschreven in rechtsoverweging 3.10. en het grote bedrag dat Rabobank heeft afgeschreven, onderschrijven het belang van de BKR-registratie van [verzoeker] . De financiële problemen in het verleden zijn dusdanig ernstig en langdurig geweest dat potentiële kredietverstrekkers er belang bij hebben om kennis te kunnen nemen van de betaalhistorie. De wens van [verzoeker] om een eigen woning te kopen is weliswaar voorstelbaar, maar er zijn geen uitzonderlijke of bijzondere omstandigheden gesteld waardoor het woonbelang van [verzoeker] zou moeten prevaleren boven het belang van handhaving van de kredietregistratie. 3.12 De gevolgen voor [verzoeker] van het handhaven van zijn BKR-registratie zijn daarmee niet onevenredig in verhouding tot het doel van de verwerking (proportionaliteitsbeginsel). Verder had dit doel niet op een andere, minder nadelige wijze kunnen worden verwezenlijkt (subsidiariteitsbeginsel). 3.13 Indien ABN Amro wél een door haar geplaatste negatieve BKR-registratie op naam van [verzoeker] heeft verwijderd, heeft dat geen gevolgen voor het onderhavige verzoek. In die situatie kunnen namelijk andere omstandigheden en feiten een rol spelen. Proceskostenveroordeling 3.14 [verzoeker] wordt in het ongelijk gesteld. Daarom moet hij de proceskosten betalen. De proceskosten aan de kant van Rabobank worden begroot op: - griffierecht € 735,-, - salaris € 1.306,-, (2 punten x tarief II € 653,-) Totaal € 2.041,-. 4 De beslissing De rechtbank: 4.1 wijst het verzoek af; 4.2 veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, aan de kant van Rabobank begroot op € 2.041,-. 4.3 verklaart deze beschikking voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026. 4054 Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter, artikel 3.3.5. Artikel 262 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Artikel 1:10 jo. 1:14 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 35 lid 2 UAVG. Rechtbank Oost-Brabant 23 augustus 2017, 306248 HA ZA 16-235 / 309652 HA ZA 16-431. Artikel 13 lid 1 Algemeen Reglement CKI. Artikel 17 lid 1 onder d AVG. Artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG. Zie hiervoor ook het vonnis van Rechtbank Oost-Brabant 23 augustus 2017, 306248 HA ZA 16-235 / 309652 HA ZA 16-431, r.o. 4.12. Productie 3 bij verweerschrift, brief van 27 december 2011.