Rechtbank Den Haag, 18-06-2026 (SGR 26/1226 en 26/1270)
Voorlopige voorziening; schorsing lasten onder dwangsom. Niet uitgesloten dat bezwaargronden m.b.t. rechtsmacht en evenredigheid van de bevoegdheidstoepassing kunnen slagen. Zwaarwegende belangen verzoekers; belangenafweging valt vooralsnog in hun voordeel uit.
How it connects
Related across sources
Full text
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 26/1226 en 26/1270 uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak tussen [verzoeksters sub 1], Inc., gevestigd te [vestigingsplaats 1], [land] alsmede [verzoeksters sub 2] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats 2], verzoekers, hierna gezamenlijk aangeduid als “[verzoeksters]” (gemachtigden: mr. Q.R. Kroes, mr. R. van Saane en mr. T.R.B. de Greve) en Autoriteit Persoonsgegevens, verweerder (gemachtigden: mr. T. Sanders, mr. D. van Tilborg en mr. N. Niederer). Samenvatting 1. In deze zaken doet de voorzieningenrechter uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening tegen de besluiten van 26 januari 2026, waarbij aan elk van verzoekers een last onder dwangsom is opgelegd. 1.1. Op 4 juni 2026 zijn de verzoeken gezamenlijk op zitting behandeld. Daarbij waren de gemachtigden van verzoekers en verweerder aanwezig. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaan de zaken over? 2. [verzoeksters sub 1] is een sociaal-mediakanaal, dat bestaat uit een platform waarop gebruikers informatie over bepaalde onderwerpen online kunnen delen. Het platform en de informatie daarop zijn in beginsel openbaar en vrij toegankelijk. [verzoeksters sub 1] heeft miljoenen gebruikers wereldwijd. 2.1. [verzoeksters] exploiteert het platform. 3. Op 5 maart 2025 heeft verweerder een onderzoek aangekondigd naar grensoverschrijdende verwerkingen door [verzoeksters] van persoonsgegevens van betrokkenen in de Europese Economische Ruimte (EER). De aankondiging vindt zijn kennelijke aanleiding in signalen dat gebruikersgegevens gedeeld zouden worden met ontwikkelaars van Large Language Models. Verweerder treedt in het onderzoek op als leidende autoriteit in de zin van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). 4. Verweerder heeft op 13 mei 2025 medegedeeld onderzoek te willen doen op het kantoor van [verzoeksters sub 2] B.V. in [vestigingsplaats 2]. 5. Op 21 en 22 mei 2025 hebben toezichthouders van verweerder het kantoor van [verzoeksters sub 2] B.V. in [vestigingsplaats 2] betreden om onderzoek te doen. Daarbij is een schriftelijke omschrijving van het onderzoeksdoel overhandigd. Daarin is aangegeven dat het onderzoek zich uitstrekt uit tot het licentiëren van openbare gebruikersinformatie op het [verzoeksters]-platform aan LLM-ontwikkelaars en de vraag of hiermee in strijd wordt gehandeld met de artikelen 6, 13 en 21 van de AVG. Tijdens het onderzoek zijn vertegenwoordigers van [verzoeksters sub 2] B.V. verhoord. 6. Op 30 september 2025 heeft verweerder een nader onderzoek aangekondigd. 7. Het nader onderzoek is op 7 oktober 2025 aangevangen. Op het kantoor van [verzoeksters sub 2] B.V. in [vestigingsplaats 2] waren twee toezichthouders van verweerder, enkele [verzoeksters]-medewerkers en advocaten van [verzoeksters] aanwezig. In een overhandigde nadere omschrijving is een verruiming van het onderzoeksdoel gegeven, zodat de licentiëring ook tegen het licht wordt gehouden van enkele beginselen van behoorlijke gegevensverwerking. Verder is het temporele bereik verruimd tot de periode vanaf 1 januari 2023. 8. In opdracht van de toezichthouders hebben de [verzoeksters]-medewerkers naar informatie gezocht in het systeem ‘Jira’ . De gevonden zoekresultaten zijn zichtbaar gemaakt via een gedeeld scherm waarop de toezichthouders live konden meekijken. Vervolgens hebben de advocaten van [verzoeksters] opgemerkt dat de verschenen zoekresultaten een geprivilegieerd karakter hebben, omdat ze vallen binnen de vertrouwensrelatie tussen [verzoeksters] en door haar geraadpleegde interne, dan wel externe advocaten. Verweerder heeft daarop aangegeven dat de vertrouwelijkheid van geprivilegieerde informatie wordt geborgd, doordat dergelijke gegevens worden opgeslagen op een aparte schijf, om later door een functionaris die niet deelneemt aan het onderzoek te worden beoordeeld. Na een moment van beraad tussen de advocaten van [verzoeksters], zijn de aangetroffen gegevens uit het Jira-systeem aan de toezichthouders verstrekt. 9. Na voortzetting van het onderzoek hebben de toezichthouders op 9 oktober 2025 inzage gevorderd in ‘SWAT Tables’ en daartoe enkele specifieke zoekinstructies gegeven. De advocaten hebben bezwaren geuit tegen deze inzage, omdat [verzoeksters] daardoor inbreuk zou moeten maken op [land] privacyregels. Ook is bezwaar geuit tegen inzage in werksysteem ‘Google Vault’, omdat ook daarin gegevens zouden zijn opgenomen die onder het verschoningsrecht van een advocaat vallen. Verweerder heeft daarop aangegeven dat het ontzeggen van de gevorderde inzage neerkomt op een schending van de medewerkingsplicht uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de avond van 9 oktober 2025 heeft [verzoeksters] haar medewerking aan het onderzoek gestaakt. 10. Bij brief van 16 oktober 2025 heeft verweerder gevorderd dat uiterlijk op 6 november 2025 toegang wordt verleend tot de SWAT Tables, alsook de werksystemen Jira, Google Vault en Ironclad. Voor het geval [verzoeksters] daaraan niet zou voldoen, heeft verweerder de oplegging van een dwangsom in het vooruitzicht gesteld wegens schending van de medewerkingsplicht van artikel 5:20, eerste lid, van de Awb en artikel 31 van de AVG. 11. Bij brief van 23 oktober 2025 heeft de advocaat van [verzoeksters] aan verweerder bericht dat specifieke informatie kan worden opgevraagd, voor zover niet vallend onder het verschoningsrecht. Tot het bieden van volledige live-inzage verklaarde [verzoeksters] zich niet verplicht, anders dan eventueel onder toezicht van een op gezamenlijk verzoek benoemde rechter-commissaris. 12. Op 30 oktober 2025 heeft telefonisch overleg tussen partijen plaatsgevonden, waarin de omgang met geprivilegieerde gegevens is besproken. In het gesprek heeft verweerder verwezen naar waarborgen in een niet-openbaar gemaakte, interne werkinstructie. [verzoeksters] is bij haar bezwaren tegen de gevorderde live-inzage gebleven. 13. Verweerder heeft op 27 november 2025 een protocol met [verzoeksters] gedeeld, getiteld “AP werkwijze geheimhoudingsprivilege advocaat 2025” (‘de Werkwijze’). Hierin is weergegeven hoe verweerder handelt als ten aanzien van bepaalde informatie een beroep op het verschoningsrecht van een advocaat wordt gedaan. 14. Op 8 december 2025 heeft [verzoeksters] te kennen gegeven haar beroep op het verschoningsrecht te zullen voorleggen aan de civiele kortgedingrechter. 15. Verweerder heeft op 11 december 2025 het voornemen kenbaar gemaakt tot oplegging van een last onder dwangsom. Daarop heeft [verzoeksters] op 5 januari 2026 haar zienswijze naar voren gebracht. Op 14 januari 2026 is de zienswijze van [verzoeksters] in een hoorzitting behandeld. 16. [verzoeksters] heeft verweerder op 15 januari 2026 gedagvaard in een civiel kort geding. In het kort geding heeft zij onder meer een gebod tot eerbieding van het verschoningsrecht nagestreefd. Daarnaast heeft zij geprobeerd te achterhalen, of verweerder in zijn onderzoek gebruik heeft gemaakt van informatie waarop een geheimhoudingsprivilege rust. Verweerder heeft op 21 januari 2026 schriftelijk verklaard dat hij niet over dergelijke informatie beschikt. 17. Op 26 januari 2026 heeft verweerder lasten onder dwangsom opgelegd aan [verzoeksters] wegens overtreding van de artikelen 5:16 en 5:17, eerste lid en 5:20, eerste lid, van de Awb, alsook de artikelen 31 en 58, eerste lid, van de AVG. Om de overtreding op te heffen is [verzoeksters] gelast ervoor te zorgen dat verweerder toegang krijgt tot Jira, Google Vault en de SWAT Tables. De toegang moet worden verleend door een medewerker die bekend is met deze systemen, over een volledige autorisatie beschikt en op instructie van de toezichthouders kan zoeken naar relevante informatie. De lasten zijn opgelegd op straffe van een ineens te verbeuren dwangsom van € 100.000,-, wat tevens het maximumbedrag is. 17. Het civiel kort geding is op 28 januari 2026 mondeling behandeld. Op 4 maart 2026 heeft de kortgedingrechter de vorderingen afgewezen. De kortgedingrechter heeft onvoldoende aanknopingspunten gevonden dat verweerder over geprivilegieerde informatie zou beschikken. Verder heeft de kortgedingrechter overwogen, dat het aan de bestuursrechter is voorbehouden om te toetsen of verweerder voldoende waarborgen treft ter bescherming van het verschoningsrecht. 19. Op 6 februari 2026 heeft [verzoeksters] bezwaar gemaakt tegen de lasten onder dwangsom en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Wat brengt [verzoeksters] in deze procedure naar voren? 20. In de eerste plaats stelt [verzoeksters] dat verweerder niet territoriaal bevoegd is om de live-doorzoekingen te vorderen. Hiermee wil verweerder namelijk toegang afdwingen tot systemen die in [land] worden beheerd door [verzoeksters sub 1], Inc.; de daarvoor aangewezen route is een rechtshulpverzoek aan de [land] autoriteiten. 21. Voor zover verweerder bevoegd is tot live-doorzoeking in [land] systemen, komt dat wegens onevenredigheid in strijd met artikel 5:13 van de Awb. 21.1. Als [verzoeksters] volledige inzage zou bieden in de SWAT Tables en Google Vault, handelt zij in strijd met [land] privacyregels. Daarbij kan een doorzoeking niet worden beperkt tot personen binnen de EER, omdat het praktisch onuitvoerbaar is om persoonsgegevens per territorium uit te filteren. 21.2. Door te eisen dat [verzoeksters] live-inzage geeft in Jira en Google Vault, handelt verweerder in strijd met zijn verplichting om inbreuken op het verschoningsrecht zoveel mogelijk te voorkomen. Effectieve bescherming van het verschoningsrecht kan niet worden geboden, ook omdat alle informatie in Google Vault ongefilterd kan worden ingezien. 21.3. [verzoeksters] kan er in redelijkheid niet op vertrouwen dat geprivilegieerde informatie bij verweerder in veilige handen is. De manier waarop verweerder zich heeft opgesteld botst met de kerngedachte van het verschoningsrecht; verweerder miskent dat het aan de verschoningsgerechtigde is om te bepalen welke gegevens daaronder vallen. Bovendien is de manier waarop verweerder inzage wil krijgen niet goed te verenigen met de Werkwijze. De Werkwijze is ook niet in lijn met de waarborgen die volgens vaste rechtspraak in acht moeten worden genomen om het verschoningsrecht te eerbiedigen. 21.4. [verzoeksters] heeft redelijke alternatieven voorgesteld om aan de informatiebehoefte van verweerder te voldoen, maar verweerder verkiest de zwaarst mogelijke middelen. De gevorderde inzage komt neer op een fishing expedition. Verweerder handelt daarbij in strijd met artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Wat is de reactie van verweerder? 22. Volgens verweerder frustreert [verzoeksters] het toezicht. Het is aan [verzoeksters] om haar systemen zo in te richten dat toezicht op naleving van de AVG steeds volledig mogelijk is. Het kan niet worden aanvaard dat [verzoeksters] zich aan het toezicht onttrekt, doordat zij zelf geen deugdelijke voorzieningen treft om verwerkingen buiten de [land] rechtssfeer te houden. Daarnaast is er geen wezenlijk verschil met een inlichtingenvordering, waarvan in de rechtspraak is uitgemaakt dat dit zonder rechtshulpverzoek kan worden gedaan. Bovendien staat vast dat niet alle informatie in de betrokken systemen geprivilegieerd is; een volledig staken van medewerking is dan ook onaanvaardbaar. Verder is het beroep op het verschoningsrecht onvoldoende onderbouwd, is niet gebleken dat er gegevens van advocaten zijn die zich naar Nederlands recht op het verschoningsrecht zouden kunnen beroepen en, voor zover dat wel zo zou zijn, verschaft de Werkwijze daarvoor voldoende waarborgen. De gevorderde inzage is proportioneel en er zijn geen geschikte alternatieven voor aanwezig; de door [verzoeksters] voorgestelde alternatieve benadering kent geen adequate controlemogelijkheid. Hebben verzoekers spoedeisend belang? 23. Volgens [verzoeksters] kan de toegang tot systemen leiden tot het zichtbaar worden van geprivilegieerde informatie. Zij zou daarnaast ongunstig in het vizier kunnen komen van de [land] autoriteiten. Deze gestelde nadelen zijn naar hun aard aanzienlijk en onomkeerbaar. Hiermee heeft [verzoeksters] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij spoedeisend belang heeft bij een oordeel van de voorzieningenrechter. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 24. Bij de beoordeling van het verzoek beantwoordt de voorzieningenrechter eerst de vraag in hoeverre het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Vervolgens bekijkt de voorzieningenrechter, in het licht van een afweging van de wederzijdse belangen, of er voldoende aanleiding bestaat tot het treffen van een voorlopige voorziening. 25. De voorzieningenrechter stelt voorop, dat de bezwaargronden van [verzoeksters] inhoudelijk zijn verweven met een aantal juridische vraagstukken met een principiële betekenis en een complexe inhoud, die nog ter discussie staan in de bestuurlijke voorprocedure. Met die stand van zaken is niet op voorhand de overtuiging vereist, dat het bezwaar een goede kans van slagen heeft, maar is voldoende dat een gegrond bezwaar niet in redelijkheid valt uit te sluiten. 26. In deze procedure is een veelheid van argumenten aangevoerd, die in hun kern raken aan twee vraagstukken: enerzijds de vraag naar de rechtsmacht van verweerder en anderzijds de vraag of verweerder zijn onderzoeksbevoegdheid, gelet op vermeende extraterritoriale effecten en mogelijke inbreuken op het verschoningsrecht, naar evenredigheid toepast. De voorzieningenrechter zal zich hierna richten op deze vraagstukken. Territorialiteit 27. Met de gevorderde live-inzage wil verweerder in beeld brengen, of [verzoeksters] in overeenstemming handelt met de AVG bij verwerkingen van persoonsgegevens van personen in de EER, die verband houden met de licentiëring van persoonsgegevens aan LLM-ontwikkelaars. Het gaat om verwerkingen die kennelijk plaatsvinden of hebben plaatsgevonden in verband met de activiteiten van [verzoeksters sub 2] B.V. en [verzoeksters sub 1], Inc., als verwerkingsverantwoordelijke dan wel als verwerker. Met verweerder is de voorzieningenrechter dus van oordeel, dat de betreffende verwerkingen binnen het territoriale toepassingsbereik van de AVG vallen. 28. Vervolgens is het de vraag, of verweerder in zijn optreden als toezichthouder binnen de grenzen van zijn rechtsmacht blijft, gezien de aard van de uitgeoefende bevoegdheid en de manier waarop het onderzoek plaatsvindt. De voorzieningenrechter acht het niet uitgesloten dat het betoog van [verzoeksters] op dit punt slaagt. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 28.1. Verweerder vordert van [verzoeksters] inzage in werksystemen. Die inzage zou weliswaar niet gepaard gaan met toegang tot ruimten in [land], zoals verweerder terecht aanvoert, maar zou wel neerkomen op een actieve aansturing van personeel van [verzoeksters] in [land]. Resultaten van zoekopdrachten die door dat [land] personeel worden uitgevoerd, zouden onmiddellijk inzichtelijk worden gemaakt aan de toezichthouder, zonder dat daarvoor de tussenkomst van een medewerker van [verzoeksters] in Nederland nodig is. Verweerder voert op dit punt aan dat er geen wezenlijk verschil bestaat tussen deze onderzoeksmethode en een inlichtingenvordering. De voorzieningenrechter acht het evenwel denkbaar, dat verweerder hiermee te snel voorbijgaat aan de bijzonderheden van de onderzoeksmethode. Het live-inzien van een [land] systeem, met gelijktijdige aansturing van [land] medewerkers, komt meer in de buurt van monitoring en beweegt dichter naar het vaarwater van de [land] overheid, dan normaal gesproken bij een inlichtingenvordering het geval is. Dat verweerder voldoende afstand houdt tot de machtssfeer van de [land] autoriteiten, is niet zodanig buiten twijfel gesteld dat het standpunt van [verzoeksters] geen kans van slagen kan hebben. Evenredigheid 29. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel, dat het door [verzoeksters] voorgestelde alternatief, waarbij verweerder [verzoeksters] om specifieke informatie kan verzoeken, niet voorziet in de controlemogelijkheden die verweerder in het onderzoeksbelang redelijkerwijs mag verlangen. 30. Bij de door verweerder voorgestane onderzoeksopzet moet er evenwel rekening mee worden gehouden, dat die door de [land] autoriteiten zou worden aangemerkt als een ongeoorloofde inmenging in de [land] rechtssfeer. Bovendien heeft [verzoeksters] met voldoende geloofwaardigheid onderbouwd, dat haar medewerking aan de vorderingen van verweerder een inbreuk kan opleveren op de [land] Stored Communications Act, omdat die regelgeving verbiedt dat een derde partij als verweerder toegang krijgt tot de elektronische communicatie van de gebruikers van [land] communicatiediensten. Ook is niet uit te sluiten dat [verzoeksters] in het schootsveld terechtkomt van de Federal Trade Commission, de [land] organisatie voor consumentenbescherming, die streng optreedt tegen partijen die vertrouwelijke gegevens van [land] burgers aan het buitenland verspreiden. Of deze mogelijke gevolgen volledig voor risico van [verzoeksters] komen, omdat zij ervoor heeft gekozen haar verwerkingsprocessen onder te brengen in [land] en deze zodanig in te richten dat de gegevens niet kunnen worden gefilterd, vormt onderdeel van de discussie tussen partijen die in bezwaar verder zijn beslag moet krijgen. Vooralsnog acht de voorzieningenrechter dit aspect voldoende vatbaar voor debat. Dat de bezwaargronden van [verzoeksters] met betrekking tot artikel 5:13 van de Awb doel kunnen treffen, is dus niet uitgesloten. 31. In hoeverre het verschoningsrecht van advocaten in het gedrang zou kunnen komen, kan de voorzieningenrechter moeilijk beoordelen. Duidelijk is wel, dat verweerder pas ruim na de start van het onderzoek verduidelijking heeft gegeven over zijn manier van handelen bij beroepen op het verschoningsrecht, terwijl [verzoeksters] al veel eerder haar bedenkingen op dat punt naar voren had gebracht. Het lag dus het voor de hand, dat al kort na het begin van het nadere onderzoek een optimale transparantie zou worden gegeven over de omgang met geprivilegieerde informatie. Nadere verduidelijking is pas gegeven nadat hierover een patstelling was ontstaan en volledige helderheid is er tot op heden nog steeds niet. Hoewel de Werkwijze op het eerste oog voldoende waarborgen lijkt te hebben is dit wel afhankelijk van de praktische uitvoering en invulling daarvan. Het is dan ook verklaarbaar dat [verzoeksters] nog twijfels houdt bij de geboden waarborgen. Tegen die achtergrond acht de voorzieningenrechter het van belang dat [verzoeksters] de gelegenheid heeft, om over de praktische invulling en uitwerking van de gevolgde gedragslijn op dit punt, met verweerder nader het debat aan te gaan in de bezwaarprocedure. Belangen 32. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken, dat verweerders belang bij onmiddellijke uitvoering van de lasten onder dwangsom zodanig zwaar weegt, dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. In het licht van de voorgaande overwegingen, hecht de voorzieningenrechter dus meer gewicht aan het belang van [verzoeksters], zoals uiteengezet onder r.o. 23, bij schorsing van de lasten. Conclusie en gevolgen 33. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de besluiten van 26 januari 2026 zijn geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissingen op bezwaar. 34. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Daarom krijgt [verzoeksters] ook een vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De voorzieningenrechter: - schorst de besluiten van 26 januari 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 794,- aan verzoekers moet vergoeden; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1868,- aan proceskosten aan verzoekers. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026. de griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Systemen met een algoritme voor de grootschalige analyse van teksten. Artikel 56 van de AVG. In plaats het eerder vastgestelde tijdvak vanaf 1 januari 2024. Een applicatie voor intern projectbeheer waarmee onder meer juridisch advies kan worden ingewonnen. Grote hoeveelheden tabellen met gebruikersgegevens van uiteenlopende aard, die zijn bestemd voor de moderatie van het platform. Per 25 november 2025 is de Werkwijze in de plaats gekomen voor de oudere werkinstructie. Evenals de oudere werkinstructie, is de Werkwijze niet gepubliceerd. Waar het betreft de periode tot februari 2024 is [verzoeksters sub 1], Inc. als verwerkingsverantwoordelijke aangemerkt; voor de periode daarna geldt [verzoeksters sub 2] B.V. als verwerkingsverantwoordelijke en [verzoeksters sub 1], Inc. als verwerker. Artikel 3, eerste lid van de AVG.