Skip to content
Case Law · Rechtbank Rotterdam ·ECLI:NL:RBROT:2026:7660 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Rotterdam, 03-07-2026 (12068366 VZ VERZ 26-245)

Rechtbank Rotterdam
Summary

ontslag op staande voet wegens onbevoegd overnemen en vervolgens gebruiken van telefoonnummers van collega's en/of het hen vervolgens ongevraagd toesturen van seksueel materiaal niet rechtsgeldig; billijke vergoeding; studiekosten

How it connects

Full text

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 12068366 VZ VERZ 26-245 datum uitspraak: 3 juli 2026 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van [werknemer] , hierna: ‘ [werknemer] ’, woonplaats: [woonplaats] , verzoeker, verweerder in het tegenverzoek, gemachtigde: mr. ing. J.M. Eerkes, tegen RET BUS B.V. , hierna: ‘de RET’, vestigingsplaats: Rotterdam, verweerster, verzoekster in het tegenverzoek, gemachtigde: mr. B.L. ‘t Hart. 1 De (verdere) procedure Het (verdere) procesverloop blijkt uit: de tussenbeschikking van 30 april 2026; de akte van de RET, met producties; de akte van [werknemer] . 2 De feiten 2.1. [werknemer] is op 1 september 2025 voor de bepaalde duur van een jaar in dienst getreden van de RET in de functie van ‘Buschauffeur (opleiding)’, tegen een bruto salaris van € 2.873,96 per maand, exclusief 8% vakantietoeslag, op basis van een 40-urige werkweek. Op de arbeidsverhouding is de ‘CAO Openbaar Vervoer’ van toepassing. 2.2. Op 10 november 2025 heeft [werknemer] zich ziekgemeld. Omdat hij vervolgens (nog) niet in staat was in zijn eigen werk te re-integreren, heeft de RET hem per 25 november 2025 ten behoeve van zijn re-integratie geplaatst op haar afdeling administratie, waar [werknemer] administratieve werkzaamheden diende te verrichten. 2.3. Op 27 november 2025 heeft de RET [werknemer] telefonisch medegedeeld dat hij op staande voet was ontslagen. De volgende dag heeft zij hem dit ontslag schriftelijk bevestigd: “(…) Op 27 november 2025 is RET-medewerker de heer [persoon A] afzonderlijk benaderd door twee RET-medewerkers, die beiden hebben gemeld dat zij door u zijn geconfronteerd met grensoverschrijdend en seksueel ongewenst gedrag. Daarnaast hebben zij aangegeven dat u op onrechtmatige wijze persoonsgegevens van hen heeft gebruikt. Naar aanleiding van deze meldingen is een intern onderzoek gestart. Sinds 10 november 2025 was u arbeidsongeschikt. Op advies van de bedrijfsarts vond geen re-integratie plaats in uw eigen functie, maar verrichtte u vervangende werkzaamheden. Vanaf 25 november 2025 heeft u lichte administratieve werkzaamheden uitgevoerd, waarbij u in opdracht van een leidinggevende geneeskundige verklaringen van collega’s in opleiding heeft uitgedeeld in de klas. Tijdens deze werkzaamheden heeft u gebruikgemaakt van de informatie op een aftekenlijst waarop persoonsgegevens van deze collega’s vermeld stonden. Uit het onderzoek is gebleken dat u de persoonsgegevens van ten minste twee collega’s hebt overgenomen van deze aftekenlijst, zonder dat u hiervoor de bevoegdheid en/of toestemming had en/of hiervoor noodzaak bestond. Deze informatie hebt u vervolgens gebruikt om telefonisch contact met hen op te nemen. Tevens is komen vast te staan dat u beide collega’s zonder hun toestemming via WhatsApp hebt benaderd en hen later via Snapchat heeft toegevoegd. Tijdens de gesprekken die via deze platforms zijn gevoerd, heeft u ongevraagd aan hen beiden seksueel materiaal verzonden. Dit bestond onder meer uit een geluidsfragment waarin een vrouw hoorbaar seksuele geluiden maakt en foto’s van uzelf waarop u schaars gekleed, onder meer in een string, in een seksueel suggestieve houding bent afgebeeld. Op 27 november 2025 hebben beide collega’s hierover een gesprek gevoerd met ondergetekende (…) en de heer [persoon B] , operationeel leidinggevende. Tijdens dit gesprek hebben zij aangegeven dat zij zich onveilig, geïntimideerd en zeer ontdaan voelen als gevolg van uw gedrag. Naar aanleiding hiervan heeft de heer [persoon A] u diezelfde dag telefonisch verzocht naar de RET-vestiging Sluisjesdijk te komen voor een gesprek over deze kwestie. U heeft aangegeven niet te willen verschijnen. Vervolgens heb ik telefonisch met u gesproken en u geïnformeerd over de bevindingen van het onderzoek. In dit gesprek heeft u de hiervoor genoemde handelingen van uw kant niet ontkend. Tijdens dit gesprek heb ik u medegedeeld dat de aard en ernst van uw gedragingen een dringende reden vormen die een ontslag op staande voet rechtvaardigen. Uw dienstverband is daarom per direct beëindigd op 27 november 2025. De vastgestelde feiten en omstandigheden vormen een ernstige schending van de RET Bedrijfscode, waaronder de normen voor professioneel handelen, omgangsvormen, integriteit en de verplichting tot zorgvuldige omgang met privacygevoelige informatie. Daarnaast zijn uw gedragingen in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), aangezien u persoonsgegevens hebt verkregen zonder geldige grondslag en deze bovendien hebt gebruikt voor niet-werkgerelateerde en schadelijke doeleinden. Uw gedrag vormt tevens een duidelijke schending van uw arbeidsrechtelijke verplichtingen, waaronder goed werknemerschap en de plicht zich te onthouden van seksueel grensoverschrijdend gedrag. De hiervoor omschreven gedragingen, feiten en omstandigheden vormen ieder op zich als ook tezamen bezien, een dringende reden voor ontslag op staande voet in de zin van artikel 7:677 BW in combinatie met artikel 7:678 BW. Van de RET kan redelijkerwijs niet gevergd worden de arbeidsovereenkomst met u te laten voortduren. (…)”. 2.4. In de ‘Bedrijfscode RET’ is onder meer opgenomen dat de werknemers van de RET betrouwbaar, respectvol en integer dienen te handelen en dat de RET, mocht er toch sprake zijn van ongewenst gedrag, zoals bijvoorbeeld seksuele intimidatie, afhankelijk van de aard en omvang van de problematiek die aan de orde is, passende maatregelen zal nemen. 3 Het geschil 3.1. Het verzoek strekt ertoe de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen en de RET te veroordelen in de proceskosten. 3.2. Daaraan legt [werknemer] ten grondslag dat hij ten onrechte op staande voet ontslagen is omdat een dringende reden voor het ontslag ontbreekt. Op 26 november 2025 heeft hij tijdens een bijeenkomst van een grotere groep collega’s de door de RET bedoelde collega’s [persoon C] en [persoon D] ontmoet en gesproken. Het moet hen daarbij direct duidelijk geweest zijn dat [werknemer] niet op vrouwen valt. Dit gesprek verliep uitermate amicaal en in een vriendelijke sfeer. Later die dag kwam [werknemer] bij het uitvoeren van zijn administratieve werkzaamheden toevallig de namen van deze collega’s en hun telefoonnummers tegen. Hij heeft daarop via WhatsApp contact met hen gezocht en daarna zo met hun instemming met hen gecommuniceerd. Vervolgens zijn ook de Snapchataccounts onderling uitgewisseld, waarmee [werknemer] hen toegang heeft gegeven tot zijn Snapchat Stories. Daar konden zij een aantal foto’s bekijken waarop de (homo)seksuele geaardheid van [werknemer] naar voren komt. Het is dus niet zo dat hij die foto’s aan hen heeft gestuurd. Wel heeft hij aan collega [persoon C] een audiobestand gezonden, met daarop een vijf seconden durende opname van een hijgende vrouw. Hij betwist dat zijn collega’s zich onveilig, geïntimideerd of zeer ontdaan hebben gevoeld door deze communicatie. Uit de inhoud en toonzetting van de berichten blijkt juist dat zij actief en zonder terughoudendheid aan de communicatie en het ‘spel’ hebben deelgenomen. Verder heeft de RET geen deugdelijk onderzoek gedaan naar het gedrag dat zij [werknemer] verwijt en heeft zij geen hoor en wederhoor toegepast. 3.3. De RET verweert zich tegen het verzoek en stelt dat het ontslag rechtsgeldig is. Als het al zo is dat [werknemer] bij het uitvoeren van zijn administratieve werkzaamheden de telefoonnummers van zijn beide collega’s toevallig op een aftekenlijst heeft gezien, is het hem dan uiteraard niet toegestaan die telefoonnummers te gebruiken om hen privé te benaderen. Juist is dat het daarop tot stand gekomen WhatsAppcontact tussen de drie in eerste instantie geen problemen gaf, waarbij de RET opmerkt dat de eerste berichten van [werknemer] vrijwel meteen seksueel getint waren. Dat zijn beide collega’s het contact met [werknemer] niet direct hebben afgewezen en daarin zijn meegegaan, betekent echter niet dat zij daarmee goedkeuring hebben gegeven voor wat volgde. Het betreft enerzijds foto’s die voor hen te zien waren doordat hij hen toegang had gegeven tot zijn Snapchat Stories en hen had geleid naar daar door hem geplaatste foto’s. Anderzijds gaat het om een geluidsopname die hij via WhatsApp heeft gestuurd aan zijn collega [persoon C] , waarop een hijgende vrouw – volgens [werknemer] zijn moeder – te horen is. Dit handelen van [werknemer] was zeer ongewenst en seksueel grensoverschrijdend en zorgde ervoor dat zijn beide collega’s zich onveilig, ontdaan en geïntimideerd voelden. Zij hebben van dit alles melding gemaakt bij de RET. Die is vervolgens overgegaan tot het ontslag van [werknemer] nadat hij haar telefonische uitnodiging voor een gesprek had geweigerd. 3.4. Het tegenverzoek van de RET strekt ertoe [werknemer] te veroordelen haar een bedrag aan opleidingskosten en een vergoeding voor de door hem overgenomen telefoon te betalen. 3.5. Op wat verder is aangevoerd, voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, wordt hierna teruggekomen. 4 De beoordeling het verzoek 4.1. [werknemer] berust in het ontslag. Daarmee staat vast dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 27 november 2025 is geëindigd. Beoordeeld moet nu worden of het door de RET aan [werknemer] gegeven ontslag rechtsgeldig is verleend en zo nee, of de RET dan de door hem verlangde vergoedingen moet betalen. dringende reden 4.2. Een ontslag op staande voet is op grond van de wet alleen geldig als daarvoor een dringende reden bestaat. Met een dringende reden wordt bedoeld een of meer eigenschappen en/of gedragingen van de werknemer die het voor de werkgever onmogelijk maken om door te gaan met het dienstverband (artikel 7:678 lid 1 BW). Of er een dringende reden is, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval en daarbij worden (uitsluitend) de ontslagredenen betrokken die in de ontslagbrief worden genoemd. 4.3. Het gaan dan dus om (zie 2.3) het onbevoegd overnemen en vervolgens gebruiken van de telefoonnummers van zijn beide collega’s en/of het hen vervolgens ongevraagd toesturen van seksueel materiaal (de hiervoor genoemde foto’s en geluidsopname). 4.4. [werknemer] heeft aangevoerd dat hij de namen en telefoonnummers van die collega’s toevallig zag staan op een op de afdeling administratie aanwezige aftekenlijst, nadat hij hen daarvoor al had ontmoet. Dit laatste vindt steun in de door hem als productie 11 in het geding gebrachte WhatsAppberichten, voor wat betreft collega [persoon C] . Vast staat echter ook dat die collega’s bij die ontmoeting hun telefoonnummers niet met [werknemer] hebben uitgewisseld. Hij heeft die naar eigen zeggen (namelijk) overgenomen van een aftekenlijst waar hij in het kader van zijn werkzaamheden toegang toe had en die vervolgens gebruikt om zijn collega’s via WhatsApp te benaderen. Daarmee staat vast dat [werknemer] zonder toestemming en voor privédoeleinden gebruik gemaakt heeft van privégegevens van zijn collega’s waarover hij door zijn arbeidsrelatie met de RET kon beschikken. Dergelijk oneigenlijk gebruik van zulke gegevens is laakbaar en valt [werknemer] dan ook aan te rekenen. Daaraan doet in beginsel niet af dat zijn collega’s daarna zijn ingegaan op de uitnodiging van [werknemer] om via WhatsApp met hem privéberichten uit te wisselen. 4.5. Vast staat verder dat [werknemer] en zijn beide collega’s elkaar daarna vrijwillig toegang hebben verschaft tot hun Snapchataccounts dat [werknemer] hen daarbij toegang heeft verschaft tot zijn Snapchat Stories, waar hij bepaalde foto’s had geplaatst. Hij heeft hiervan gesteld dat hij die foto’s niet aan zijn beide collega’s heeft gestuurd maar dat zij die zelf, op eigen initiatief, hebben bekeken. Daarmee gaat hij er echter aan voorbij dat het verschaffen van toegang tot die foto’s via Snapchat Stories in redelijkheid moeilijk anders kan worden opgevat dan – en klaarblijkelijk ook is opgevat – als een uitnodiging aan zijn beide collega’s om die foto’s te bekijken. Het gaat dan om kennelijk als seksueel prikkelend bedoelde foto’s waarop onder meer de op een string na ontblote bilpartij van [werknemer] in meerdere poses zichtbaar is (productie 6 van [werknemer] en productie 1 van de RET). 4.6. Volgens [werknemer] hebben de foto’s feitelijk weinig om het lijf en tonen die in essentie niet meer dan zijn (homo)seksuele geaardheid en persoonlijke expressie. Ook dan had het hem als goed werknemer echter gepast om zijn beide collega’s bij zijn uitnodiging voor zijn Snapchat Stories erop te wijzen dat hij daar foto’s had geplaatst die zij mogelijk aanstootgevend zouden vinden. Dat geldt te meer nu het hier gaat om werknemers die kort daarvoor in dienst waren getreden bij de RET en elkaar net via het werk kenden. De door [werknemer] aangedragen omstandigheid dat het zijn beide collega’s daarvoor al duidelijk geweest moet zijn dat hij niet op vrouwen valt, maakt het voorgaande niet anders. Niet gebleken is dat hij zijn beide collega’s van tevoren op de aard van bedoelde foto’s heeft gewezen. Dat valt [werknemer] dan ook aan te rekenen. 4.7. Over de geluidsopname van een hijgende vrouw die hij via WhatsApp aan zijn collega [persoon C] heeft gestuurd, heeft [werknemer] gesteld dat dit moet worden bezien tegen de achtergrond van de speelse setting waarin zij met wederzijdse instemming communiceerden. Hij heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat bij die setting paste dat hij zijn collega, die hij net kende en die nog maar kort in dienst van de RET was, ongevraagd een geluidsopname van een hijgende vrouw toestuurt, waarmee zij werd geconfronteerd bij het openen daarvan. De kantonrechter merkt die actie van [werknemer] aan als seksueel grensoverschrijdend. 4.8. [werknemer] heeft gesteld dat uit de WhatsAppberichten niet blijkt dat zijn collega’s zich door een en ander, zoals in de ontslagbrief staat, onveilig, geïntimideerd of zeer ontdaan hebben gevoeld. Vast staat echter wel dat beide collega’s (al) op 27 november 2025 hun ervaringen met [werknemer] aan hun leidinggevende hebben gemeld, wat uiteindelijk heeft geleid tot zijn ontslag later die dag. Dat vormt een sterke aanwijzing dat deze collega’s zich bepaald niet senang voelden bij het gedrag van [werknemer] . De omstandigheid dat zij dit niet eerder (ook) rechtstreeks aan hem kenbaar hadden gemaakt, doet daaraan niet af. Overigens is van de zijde van de RET gesteld dat deze collega’s [werknemer] kenbaar hebben gemaakt dat hij over hun grenzen ging maar dat is niet komen vast te staan omdat hij dat heeft betwist en de RET de betreffende berichten uiteindelijk niet in het geding heeft gebracht. 4.9. Begrijpelijk is dat het vertrouwen dat de RET in haar werknemer [werknemer] moet kunnen stellen door zijn hiervoor besproken gedragingen is beschadigd en zij zich hierdoor genoodzaakt voelde arbeidsrechtelijke maatregelen te nemen. Daarbij is van belang dat het hier ging om twee collega’s die net in dienst van de RET waren en die de RET ook een veilige werkomgeving moet verschaffen. Die verplichting brengt met zich dat zij optreedt als zij, zoals hier, signalen krijgt over een onveilige situatie tussen collega’s, ook als dat niet direct werkgerelateerd is. Dat staat ook in haar bedrijfscode (zie 2.4). 4.10. Hoewel [werknemer] zich naar het oordeel van de kantonrechter bepaald niet gedragen heeft als goed werknemer, haalt zijn hiervoor besproken gedrag de hoge lat van de dringende reden niet. Daarbij moet immers worden bedacht dat een ontslag op staande voet een laatste redmiddel is. De RET had hier naar het oordeel van de kantonrechter met een minder zwaar middel, zoals een officiële waarschuwing of een ontbindingsprocedure, kunnen volstaan in plaats van [werknemer] , die nog arbeidsongeschikt was, op staande voet te ontslaan, waardoor hij per direct zijn inkomen van de RET zou verliezen en ook geen recht zou hebben op een WW-uitkering. De conclusie is dan ook dat [werknemer] ten onrechte op staande voet is ontslagen omdat niet is voldaan aan de eis van een dringende reden daarvoor. transitievergoeding 4.11. Nu, gezien het hiervoor overwogene, het eindigen van de arbeidsovereenkomst naar het oordeel van de kantonrechter niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] , heeft hij recht op een transitievergoeding. De RET heeft dat voor deze uitkomst ook niet bestreden. [werknemer] heeft de hoogte van de transitievergoeding onbetwist berekend op € 248,97 bruto. Dat bedrag wordt hierna dan ook toegewezen. 4.12. De daarover verzochte rente wordt toegewezen vanaf 28 december 2025, te weten een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW). vergoeding wegens onregelmatige opzegging 4.13. [werknemer] heeft recht op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging omdat de RET de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt (artikel 7:672 lid 11 BW). Deze gefixeerde schadevergoeding is gelijk aan het loon over de hier geldende opzegtermijn van een maand, waarbij opzegging geschiedt tegen het einde van de maand. [werknemer] heeft de hem toekomende vergoeding onbetwist berekend op € 3.515,37 bruto. Dat bedrag wordt hierna dan ook toegewezen. 4.14. De daarover verzochte rente wordt ook toegewezen, en wel vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, te weten 27 november 2025 (artikel 7:686a lid 1 BW). billijke vergoeding 4.15. [werknemer] heeft verzocht om toekenning van een billijke vergoeding gelijk aan het loon dat hij zou hebben ontvangen als de arbeidsovereenkomst niet door het ontslag zou zijn geëindigd maar regulier, dus tot en met 31 augustus 2026, zou hebben voortgeduurd. De kantonrechter overweegt ter zake dat door het onterecht gegeven ontslag op staande voet de grondslag voor het toekennen van een billijke vergoeding in beginsel is gegeven. 4.16. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. Ten slotte moet gelet worden op ‘inkomsten’ die de werknemer verworven heeft en niet ontvangen zou hebben als de arbeidsovereenkomst gewoon zou hebben voortgeduurd. Daarbij moet onder andere gedacht worden aan de transitievergoeding, de gefixeerde schadevergoeding, een uitkering en elders verdiend loon. 4.17. [werknemer] heeft in dit verband verklaard dat hij iedere dag aan het solliciteren is maar nog geen andere baan heeft en dat hij aangewezen is op een bijstandsuitkering omdat hij door het ontslag geen recht heeft op een WW-uitkering. Hoewel dat laatste mogelijk anders wordt door deze beschikking, is hiermee wel duidelijk dat het ontslag financiële gevolgen voor [werknemer] heeft gehad. De kantonrechter volgt hem echter niet in zijn standpunt dat de arbeidsovereenkomst zonder het ontslag tot 1 september 2026 zou hebben voortgeduurd. Weliswaar heeft de RET, die terecht heeft gemeend arbeidsrechtelijk te moeten ingrijpen, met het ontslag te stevig ingegrepen maar omdat [werknemer] tot in deze procedure het onwenselijke van zijn gedrag jegens zijn beide collega’s niet heeft getoond in te zien, kan aangenomen worden dat de arbeidsovereenkomst voortijdig zou zijn geëindigd. In geval van een ontbindingsprocedure zou de arbeidsovereenkomst naar verwachting nog ten minste enkele maanden hebben voortgeduurd. 4.18. Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding moet echter, naast het inkomensverlies, ook rekening worden gehouden met de andere omstandigheden van het geval. De mate waarin de RET een verwijt kan worden gemaakt van het onterecht gegeven ontslag op staande voet, is in dit geval beperkt. Tevens weegt de kantonrechter mee dat [werknemer] nog maar relatief kort bij de RET in dienst was. 4.19. Dat alles en ook de overige toegekende vergoedingen in aanmerking genomen vindt de kantonrechter hier toekenning van een billijke vergoeding van € 2.500,- bruto passend. 4.20. De daarover verzochte rente wordt ook toegewezen, en wel vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking. proceskosten 4.21. De proceskosten komen voor rekening van de RET, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die zij aan [werknemer] moet betalen op € 93,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor zijn gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.102,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend. uitvoerbaar bij voorraad 4.22. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [werknemer] dat heeft gevraagd en de RET daartegen geen bezwaar heeft gemaakt (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als een van partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. het tegenverzoek opleidingskosten 4.23. De RET wil dat [werknemer] haar € 6.366,25 aan opleidingskosten voor de opleiding Autobuschauffeur terugbetaalt, overeenkomstig de in artikel 15 van de arbeidsovereenkomst opgenomen terugbetalingsregeling. [werknemer] heeft zich daartegen verzet. 4.24. De kantonrechter wijst dit verzoek af. Als bijlage 24 bij de toepasselijke cao is een regeling studiekosten opgenomen. Artikel 6 onder d van die regeling sluit terugbetaling uit van de door de werkgever betaalde opleidingskosten uit categorie I, waaronder te verstaan: ‘opleiding in opdracht van de werkgever, noodzakelijk geacht voor het uitoefenen van de huidige of een toekomstige functie’ (artikel 1 van die regeling). 4.25. Naar het oordeel van de kantonrechter moet de door de RET aan [werknemer] , die bij zijn indiensttreding bij de RET nog niet beschikte over rijbewijs D, aangeboden opleiding Autobuschauffeur worden aangemerkt als een opleiding uit die categorie, namelijk om hem in staat te stellen de functie van Autobuschauffeur uit te voeren. Volgens de toepasselijke cao kan van een terugbetalingsverplichting dan geen sprake zijn. mobiele telefoon 4.26. Verder wil de RET dat [werknemer] haar het aanschafbedrag van € 368,24 vergoedt voor de aan hem verstrekte en door hem behouden mobiele telefoon. 4.27. Nu [werknemer] zich ter zitting bereid heeft verklaard dit bedrag te betalen voor de overname van de telefoon, wordt het door de RET verzochte bedrag hierna toegewezen. 4.28. De daarover verzochte rente wordt ook toegewezen. proceskosten 4.29. Gezien de uitkomst van de procedure in het tegenverzoek ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren zodat beide partijen de eigen kosten dragen. uitvoerbaar bij voorraad 4.30. Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat de RET dat heeft gevraagd en [werknemer] daartegen geen bezwaar heeft gemaakt (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als een van partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 5 De beslissing De kantonrechter: ten aanzien van het verzoek 5.1. veroordeelt de RET om aan [werknemer] te betalen: € 248,97 bruto aan transitievergoeding, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 28 december 2025 tot de dag dat volledig is betaald, € 3.515,37 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 27 november 2025 tot de dag dat volledig is betaald, en € 2.500,- aan billijke vergoeding, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf de veertiende dag na vandaag tot de dag dat volledig is betaald; 5.2. veroordeelt de RET in de proceskosten, die aan de kant van [werknemer] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.102,-; ten aanzien van het tegenverzoek 5.3. veroordeelt [werknemer] om aan de RET te betalen € 368,24, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 1 december 2025 tot de dag dat volledig is betaald; 5.4. compenseert de proceskosten zodat beide partijen de eigen kosten dragen; en verder ten aanzien van het verzoek en het tegenverzoek 5.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 5.6. wijst al het andere af. Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken. 654

Similar Content