Skip to content
Case Law · Rechtbank Noord-Nederland ·ECLI:NL:RBNNE:2026:2640 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Noord-Nederland, 06-07-2026 (25-021502)

Rechtbank Noord-Nederland
Summary

Verzetschrift tegen dwangbevel (artikel 6:4:5, derde lid, Sv). De rechtbank verklaart het verzetschrift gegrond omdat de benadeelde partij schadeloos is gesteld als gevolg van een vaststellingsovereenkomst met een derde partij.

How it connects

Full text

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Assen raadkamernummer : 25-021502 datum : 6 juli 2026 beslissing van de meervoudige raadkamer op het verzet op grond van artikel 6:4:5 Wetboek van Strafvordering van: [bezwaarde] , geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , hierna te noemen: bezwaarde. Advocaat: mr. M.M. Kuyp, advocaat te Laren. De Minister van Veiligheid en Justitie is vertegenwoordigd door het Centraal Justitieel Incassobureau (hierna: CJIB). Namens het CJIB is de procedure gevoerd door procesvertegenwoordigers mw. [procesvertegenwoordiger 1] en dhr. [procesvertegenwoordiger 2] . Procesverloop Bezwaarde is in 2023 onherroepelijk veroordeeld wegens het medeplegen van verduistering in de hoedanigheid van bewindvoerder. [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) heeft zich in die strafprocedure gevoegd als benadeelde partij en bezwaarde is hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 4.000.000,00, vermeerderd met wettelijke rente, waarbij voor hetzelfde bedrag de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. Op 24 februari 2025 is namens het CJIB aan bezwaarde een dwangbevel betekend, strekkende tot onmiddellijke betaling van het bedrag waarvoor de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. Indien niet aan het bevel wordt voldaan, kan er beslag worden gelegd op roerende en onroerende zaken en op andere vermogensbestanddelen. Het verzetschrift tegen voornoemd dwangbevel is op 10 maart 2025 ter griffie van de rechtbank Overijssel ontvangen. In het verzetschrift wordt gesteld dat [benadeelde] als gevolg van een vaststellingsovereenkomst tussen [bank 1] en [benadeelde] reeds schadeloos is gesteld ten aanzien van het bedrag waarvoor aan bezwaarde de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, en bezwaarde daarom is bevrijd van de betalingsverplichting. Bij beslissing van 23 juli 2025 heeft de rechtbank Overijssel de zaak verwezen naar de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de rechtbank). Op 11 november 2025 heeft de rechtbank het verzetschrift in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft bezwaarde, zijn advocaat en, namens het CJIB, mw. [procesvertegenwoordiger 1] en dhr. [procesvertegenwoordiger 2] gehoord. De rechtbank heeft de behandeling van het verzetschrift op 11 november 2025 voor onbepaalde tijd aangehouden en bepaald dat partijen inbreng mogen leveren op de formulering van de bewijsopdracht die de rechtbank aan het CJIB zal geven. De advocaat heeft op 17 november 2025 en 25 november 2025 inbreng geleverd op de bewijsopdracht. Namens het CJIB is op 24 november 2025 inbreng geleverd op de bewijsopdracht. Op 19 december 2025 heeft de rechtbank het proces-verbaal van de behandeling op 11 november 2025 vastgesteld. In het proces-verbaal heeft de rechtbank overwogen dat bezwaarde in ieder geval tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat de vaststellingsovereenkomst tussen [bank 1] en [benadeelde] (mede) betrekking heeft gehad op het totaalbedrag van 4.000.000,00 waarvoor aan bezwaarde ten bate van [benadeelde] de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd. De rechtbank heeft vervolgens het CJIB opgedragen om bewijs bij te brengen voor de stelling dat dit bedrag buiten de vaststellingsovereenkomst is gebleven en aldus nog niet aan de benadeelde [benadeelde] is vergoed. Op 12 maart 2026 heeft het CJIB gereageerd op de bewijsopdracht. Het CJIB heeft onder meer de vaststellingsovereenkomst tussen [bank 1] en [benadeelde] overgelegd. Op 22 juni 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzetschrift in openbare raadkamer hervat. De rechtbank heeft bezwaarde, zijn advocaat en, namens het CJIB, mw. [procesvertegenwoordiger 1] en dhr. [procesvertegenwoordiger 2] gehoord. Standpunt namens bezwaarde Het verzetschrift strekt tot schorsing van de executie van de schadevergoedingsmaatregel voor onbepaalde tijd. Namens bezwaarde is daartoe het volgende aangevoerd. Uit de overgelegde vaststellingsovereenkomst tussen [bank 1] en [benadeelde] blijkt afdoende dat het bedrag van 4.000.000,00 waarvoor aan bezwaarde de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, onderdeel uitmaakt van die overeenkomst. De schade die [benadeelde] heeft geleden als gevolg van de overboekingen van in totaal 4.000.000,00 is daarmee reeds vergoed. Voortzetting van de executie van de schadevergoedingsmaatregel ten laste van bezwaarde zou er daarom toe leiden dat [benadeelde] meer schade vergoed krijgt dan hij heeft geleden. Standpunt namens de minister Namens de minister heeft het CJIB zich op het standpunt gesteld dat het verzetschrift ongegrond dient te worden verklaard. Daartoe is het volgende aangevoerd. Uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat [bank 1] en [benadeelde] tot een minnelijke regeling zijn gekomen met als uitgangspunt dat aan de bank finale kwijting wordt verleend. Ook is overeengekomen dat de nog lopende procedures bij de rechtbank Overijssel en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden na kwijting worden geroyeerd. Hiermee is een streep gezet door het eerdere civielrechtelijke veroordelend vonnis van de rechtbank Overijssel tussen [bank 1] en [benadeelde] d.d. 13 april 2016. De als gevolg van de vaststellingovereenkomst ontstane nieuwe verbintenis tussen [bank 1] en [benadeelde] heeft geen invloed op de betalingsverplichting die op bezwaarde rust. Bezwaarde is daarom gehouden tot het voldoen aan de schadevergoedingsmaatregel en het CJIB heeft zich daarom te houden aan zijn executieplicht en dient de inning voort te zetten. Beoordeling De rechtbank stelt het volgende vast. Bezwaarde is onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld wegens het medeplegen van verduistering in de hoedanigheid van bewindvoerder van in totaal 4.000.000,00, bestaande uit een zestal overboekingen in 2007 en 2008. Dit totaalbedrag maakte deel uit van het erfdeel van [benadeelde] . Aan bezwaarde is ter zake van dit totaalbedrag, vermeerderd met wettelijke rente, de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Door en namens [benadeelde] is [bank 2] , later opgevolgd door [bank 1] , aangesproken in verband met het verzuimen van de zorgplicht aangaande de zes genoemde overboekingen. Bij civiel vonnis van de rechtbank Overijssel van 13 april 2016 is [bank 2] veroordeeld tot betaling van de door [benadeelde] geleden schade van 4.000.000,00. Tegen dit vonnis is door rechtsopvolger [bank 1] beroep aangetekend. Bij tussenarrest van 5 september 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een comparitie van partijen gelast. Naderhand is in 2021 tussen [bank 1] en [benadeelde] een vertrouwelijke vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen, die ter voldoening aan de bewijsopdracht van de rechtbank door het CJIB is overgelegd. De rechtbank merkt in dit verband op dat zowel een gedeeltelijk onleesbaar gemaakte versie van de overeenkomst is verstrekt als een volledig leesbare. Het CJIB heeft de rechtbank verzocht om als enige van die laatste versie kennis te nemen, met het oog op de vertrouwelijkheid van de overeenkomst. Nu de weggelakte gedeeltes enkel zien op persoonsgegevens en passages die voor de beoordeling van de inhoud niet relevant zijn, heeft de rechtbank van de volledig leesbare versie geen kennis genomen. Een andere insteek zou ook te veel raken aan het recht van hoor en wederhoor. Uit het leesbare deel van de vaststellingsovereenkomst blijkt dat zij betrekking heeft op een drietal procedures, waaronder de procedure ter zake van een vermeende zorgplichtschending door [bank 2] , die heeft geresulteerd in het voornoemde vonnis van de rechtbank Overijssel van 13 april 2016. Het bedrag waarvoor is geschikt overstijgt een bedrag van 4.000.000,00. Naar het oordeel van de rechtbank is de enig mogelijke redelijke uitleg van de hiervoor genoemde vaststellingovereenkomst dat aangenomen moet worden dat de zes overboekingen van in totaal 4.000.000,00, ter zake waarvan aan bezwaarde de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, onderdeel uitmaken van die overeenkomst. Ten aanzien van deze schade was [bank 2] bij vonnis van de rechtbank Overijssel van 13 april 2016 immers al jegens [benadeelde] aansprakelijk verklaard. De conclusie kan dan ook niet anders zijn dan dat [benadeelde] daarmee schadeloos is gesteld voor het bedrag waarvoor nu ten aanzien van bezwaarde strafrechtelijke executie plaatsvindt. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzetschrift gegrond verklaren. Wettelijk gezien kan de rechtbank geen andere beslissingen nemen dan een (on)gegrondverklaring. De rechtbank gaat er echter vanuit dat haar oordeel in deze procedure tot gevolg heeft dat executie van de aan bezwaarde opgelegde schadevergoedingsmaatregel en het daarmee samenhangende dwangbevel voor onbepaalde tijd wordt opgeschort. Beslissing De rechtbank verklaart het verzetschrift gegrond. Deze beslissing is gegeven door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. A. van den Oever, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. de Boer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juli 2026. Mr. J. van Bruggen en mr. A. van den Oever zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen. Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de Minister van Veiligheid en Justitie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van deze beslissing.

Similar Content