Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:7011 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 09-07-2026 (1312385926)

Rechtbank Amsterdam
Summary

EAB België; aanvulling van EAB m.b.t. beslag; verweer t.a.v. het lijstfeit verworpen; overlevering toegestaan.

How it connects

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-123859-26 Datum uitspraak: 9 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 8 mei 2026, zoals aangevuld op 18 juni 2026, van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 26 april 2026, door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] (Sovjet-Unie), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.E. Tay, advocaat in Maastricht en door een tolk in de Russische taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Georgische nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB, gelezen in samenhang met het A-formulier, vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek in fine uitlevering van 26 april 2026 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, met referentie 26/031 - TG17.LA.4131/26. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. Op 1 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit nogmaals een EAB uitgevaardigd. Dit EAB wijkt alleen op onderdeel G af van het eerdere EAB: in het EAB van 1 juni 2026 is aangekruist dat het EAB tevens betrekking heeft op de inbeslagname en de overdracht van voorwerpen die als bewijsmiddel moeten dienen of die gezochte persoon uit het strafbare feit heeft verkregen. Daarnaast heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit per e-mails van 16 juni 2026 bevestigd dat het EAB van 26 april 2026 niet is ingetrokken, maar dat tevens een beslissing moet worden genomen over het beslag op een tweetal telefoons die bij de opgeëiste persoon zijn aangetroffen bij zijn aanhouding. Gelet hierop, beschouwt de rechtbank het EAB van 1 juni 2026 als een aanvulling op het EAB van 26 april 2026. Deze aanvulling op het EAB houdt een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon bij zijn aanhouding, te weten een blauwe telefoon van het merk Nokia met een zwart beschermhoesje en een zwarte telefoon van het merk Samsung met een zwart beschermhoesje. 4 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het gekozen lijstfeit ‘georganiseerde of gewapende diefstal’ vragen oproept. Uit de feitsomschrijving blijkt namelijk niet dat er een wapen is gebruikt of aanwezig was, of dat er sprake was van een gestructureerd of georganiseerd samenwerkingsverband. De raadsman heeft verzocht om aanvullende informatie te vragen aan de Belgische autoriteiten over de feitelijke grondslag van de kwalificatie van het lijstfeit. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit ‘georganiseerde of gewapende diefstal’ niet evident tegenstrijdig is met de feitsomschrijving in het EAB. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft daarom in redelijkheid het lijstfeit aangekruist. Oordeel van de rechtbank De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: georganiseerde of gewapende diefstal. Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder de hiervoor genoemde lijst valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden. Op basis van hetgeen de raadsman aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken of om meer informatie te vragen aan de uitvaardigende autoriteit. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman af. 5 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. Bij brief van 21 mei 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie gegeven: 1 In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Hasselt indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren. Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden hiermee voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden). 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. Hieruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen. 7 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 7, 49 en 50 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon (België) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. BEVEELT de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten: - een blauwe telefoon van het merk Nokia met een zwart beschermhoesje (goednummer PL2300-2026071146-1900666); - een zwarte telefoon van het merk Samsung met een zwart beschermhoesje (goednummer PL2300-2026071146-1900668). Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter, mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. C.W. van der Hoek en E.H. Wisgerhof, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 9 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 ( LU (Invordering van verkeersboeten) ), punt 42. Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.

Similar Content