Rechtbank Noord-Holland, 21-07-2026 (C/15/376214)
Verzoeker heeft een inzageverzoek gedaan bij Wolters op grond van de AVG. Vervolgens is hij een procedure gestart. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van misbruik van recht door verzoeker. Verzoeker wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.
How it connects
References
Full text
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/376214 / HA RK 26-63 Beschikking van 21 juli 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , voorheen vertegenwoordigd door ROI Services B.V. (dhr E. Donkersloot), thans procederend in persoon, tegen WOLTERS WONEN B.V. T.H.O.D.N. FUNDESIGN.NL , te Nijverdal, verwerende partij, hierna te noemen: Wolters, advocaat: mr. J.A.A. van der Weijst. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding, met producties; - de conclusie van antwoord, met producties; - het vonnis van 25 maart 2026; - de akte overlegging aanvullende producties d.d. 7 mei 2026 van [verzoeker] ; - de akte vermindering van verzoek van [verzoeker] ; - de door Wolters op 20 juni 2026 ingediende producties 9 tot en met 15; - het aanvullend verweerschrift, met daarbij een zelfstandig tegenverzoek en een productie; - de mondelinge behandeling van 24 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij partijen het woord hebben doen voeren aan de hand van spreekaantekeningen, die zijn overgelegd en die tot de gedingstukken behoren; - de akte uitlating van [verzoeker] met daarin een reactie op het zelfstandig tegenverzoek. Tevens heeft de rechtbank er kennis van genomen dat de gemachtigde van [verzoeker] niet op de zitting aanwezig is/onttrokken. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. [verzoeker] heeft op 19 juli 2025 een e-mail gestuurd met daarin een inzageverzoek op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). De e-mail sluit af met de volgende passage: “Ik zie uw volledige en gemotiveerde reactie graag binnen de wettelijke termijn tegemoet.” De e-mail is door [verzoeker] verzonden naar het volgende e-mailadres: info@baby-dump.nl. 2.2. Op 21 augustus 2025 heeft [verzoeker] aan Wolters de volgende e-mail gestuurd: Eerder op 19 juli jl heb ik u een verzoek op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) toegezonden. Tot op heden heeft u daarop niet gereageerd. U wordt hierbij gesommeerd om binnen 14 dagen na heden alsnog volledig, inhoudelijk en conform de AVG aan mijn inzageverzoek te voldoen. Voor de volledigheid maak ik aanspraak op de buitengerechtelijke kosten in het geval U niet aan deze sommatie voldoet. Deze bedragen EUR 925,-- ex, BTW en zijn berekend conform BGK 2013” ’ 2.3. Wolters beantwoordt op 22 augustus 2025 voorgaande e-mail met een e-mailbericht waarin zij het volgende vermeldt: “Wij hebben deze vraag nog nooit eerder ontvangen. U hebt in 2020 wat bij ons besteld. De gegevens zitten in een magento website die beveiligd i s volgens de rechtlijnen en nooit betrokken is geweest bij een data lek. U hebt deze gegevens zelf ingevuld ivm bestelling. De gegevens worden niet gedeeld met commerciële partijen of doorverkocht. Meer kan ik u niet verstrekken.” 2.4. Op 25 september 2025 en 16 oktober 2025 heeft Wolters per e-mail nog een aanvullend antwoord aan [verzoeker] verzonden. 3 Het verzoek en het verweer 3.1. [verzoeker] verzoekt, na vermindering van verzoek, dat de rechtbank: - Wolters op straffe van een dwangsom beveelt om aan [verzoeker] inzage te verstrekken in alle persoonsgegevens die Wolters van [verzoeker] verwerkt, - Wolters veroordeelt tot betaling van de proceskosten, waaronder de kosten van de dagvaarding en het griffierecht. 3.2. De aanvankelijk ingediende verzoeken tot toekenning van een schadevergoeding, betaling van buitengerechtelijke kosten en veroordeling in de werkelijke proceskosten heeft [verzoeker] niet gehandhaafd. 3.3. Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Wolters heeft ondanks herhaald en uitdrukkelijk verzoek op grond van artikel 15 AVG nagelaten om binnen de wettelijke termijn volledige en inhoudelijke inzage te geven in de door haar verwerkte persoonsgegevens van Wolters. Ook de op 22 augustus en 25 september 2025 verzonden antwoorden zijn ontoereikend. Wolters handelt hiermee opzettelijk en verwijtbaar in strijd met de aan haar in de AVG opgelegde verplichtingen. 3.4. Wolters verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Wolters heeft het verzoek van 19 juli 2025 niet ontvangen, omdat [verzoeker] deze e-mail naar het e-mailadres van babydump heeft gestuurd. Na ontvangst van het bericht van 21 augustus 2025 heeft Wolters het verzoek van [verzoeker] volledig beantwoord. Nog afgezien daarvan maakt [verzoeker] zich schuldig aan misbruik van recht als bedoeld in artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek en is het verzoek van [verzoeker] buitensporig als bedoeld in artikel 12.5 AVG. Het verzoek van [verzoeker] is niet gericht op controle van de verwerking van persoonsgegevens maar op het verkrijgen van financieel voordeel. Onderhavig verzoek en procedure staat niet op zichzelf. [verzoeker] heeft bij vele anderen éénzelfde verzoek gedaan en zijn handelwijze is in alle gevallen gelijk. Deze handelwijze komt erop neer dat het versturen van informatieverzoeken direct wordt gevolgd door het indienen van schadeclaims en het opstarten van juridische procedures. Deze procedures worden ingezet als drukmiddel om te betalen. Het (dreigen met het) voeren van klachtprocedures tegen advocaten wordt ook als drukmiddel ingezet. 4 Het zelfstandig tegenverzoek 4.1. Wolters verzoekt dat de rechtbank: (i) verklaart voor recht dat [verzoeker] zich schuldig maakt aan misbruik van recht, misbruik van procesrecht en misbruik van advocatentuchtrecht; (ii) [verzoeker] veroordeelt tot het betalen van een schadevergoeding ex aequo et bono van € 2.500,00; (iii) [verzoeker] veroordeelt in de (werkelijke) proceskosten; (iv) bepaalt dat bepaalde stukken bij de beoordeling van het geschil buiten beschouwing blijven; (v) bepaalt dat [verzoeker] een schriftelijke volmacht van ROI Services moet overleggen. 4.2. [verzoeker] voert verweer 5 De beoordeling het verzoek 5.1. Het verweer van Wolters dat sprake is van misbruik van recht is het meest verstrekkende verweer van Wolters. Als dit verweer slaagt, moet [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank komt dan aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van [verzoeker] niet toe. Om die reden gaat de rechtbank eerst op dit verweer van Wolters in. 5.2. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het verweer dat [verzoeker] misbruik van recht het volgende voorop. Deze zaak van [verzoeker] tegen Wolters staat niet op zichzelf. Bij de kantonrechter van rechtbank Noord-Holland zijn namelijk vanaf medio 2025 tot en met april 2026 ongeveer twintig zaken door [verzoeker] aanhangig gemaakt. Al deze zaken betreffen AVG-verzoeken van [verzoeker] aan verschillende bedrijven. De kantonrechter heeft deze zaken allemaal verwezen naar de sector handel. In een vergelijkbare AVG-zaak van [verzoeker] tegen een ander bedrijf , die op 1 juni 2026 ter zitting is behandeld, heeft de rechtbank al uitspraak gedaan. In die zaak is de rechtbank uitgebreid ingegaan op het beoordelingskader, dat ook van toepassing is in deze zaak. Daarnaar wordt dan ook uitdrukkelijk verwezen, zodat de rechtbank hieronder volstaat met een verkorte weergave daarvan. De rechtbank heeft in die zaak geoordeeld dat er sprake is van misbruik van recht door [verzoeker] en hem in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard. In deze zaak komt de rechtbank tot hetzelfde oordeel. Beoordelingskader 5.3. Artikel 3:13 lid 1 BW stelt dat ‘degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze bevoegdheid niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt’. Bij het aannemen van misbruik van (proces)recht past terughoudendheid. 5.4. Artikel 12 lid 5 AVG geeft de verwerkingsverantwoordelijke – onder meer – de mogelijkheid om te weigeren gevolg te geven aan kennelijk ongegronde of buitensporige verzoeken, met name vanwege het repetitieve karakter van deze verzoeken. Dit betreft gevallen van misbruik van recht. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om de kennelijk ongegronde of buitensporige aard van het verzoek aan te tonen. In de EDPB Guidelines is opgenomen dat een verzoek buitensporig kan worden bevonden wanneer (bijvoorbeeld) een persoon een verzoek indient, maar tegelijkertijd aanbiedt dit verzoek in te trekken in ruil voor een of ander voordeel van de verwerkingsverantwoordelijke. 5.5. Bij de beoordeling van het beroep op misbruik van recht is – onder meer – van belang de uitspraak van het Hof van Justitie van 19 maart 2026 over de toepassing van artikel 12 lid 5 AVG. Voor het bewijs van misbruik is blijkens deze uitspraak enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist en anderzijds een subjectief element, namelijk ´ de bedoeling van de betrokkene om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. Voor een dergelijke kwalificatie moeten voorts alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen .´ Daarbij mag rekening worden gehouden met openbaar toegankelijke informatie waaruit blijkt dat de betrokkene stelselmatig verzoeken tot inzage van zijn persoonsgegevens en vorderingen tot schadevergoeding indient bij verschillende verwerkingsverantwoordelijkheden volgens een vergelijkbaar patroon. Toepassing van het beoordelingskader op deze zaak 5.6. Uit het toepasselijke beoordelingskader blijkt dat de lat voor het aannemen van misbruik van recht op grond van artikel 3:13 BW, bezien in samenhang met artikel 12 lid 5 AVG, hoog ligt en dat bij het aannemen van misbruik terughoudendheid moet worden betracht. De rechtbank is echter (ook) in deze zaak van oordeel dat voldoende is gebleken van zwaarwichtige gronden die de conclusie rechtvaardigen dat [verzoeker] met zijn verzoek misbruik van recht maakt. Uit de wijze waarop [verzoeker] in dit dossier, en in andere dossiers, de procedure is gestart en met Wolters heeft gecommuniceerd, blijkt dat [verzoeker] een financieel oogmerk heeft bij zijn verzoeken en dat het hem niet daadwerkelijk gaat om de inzage in zijn persoonsgegevens en om de juistheid van deze gegevens en de rechtmatigheid van de verwerking te controleren. Hoewel in beginsel per individuele zaak moet worden beoordeeld of sprake is van misbruik van recht, kan deze zaak niet los worden gezien van de andere vergelijkbare zaken die [verzoeker] bij de rechtbank aanhangig heeft gemaakt. Juist het patroon in de werkwijze en het procedeergedrag dat zichtbaar wordt uit deze en andere zaken draagt in belangrijke mate bij aan het oordeel dat [verzoeker] misbruik van recht maakt. 5.7. Voor de motivering van haar oordeel dat sprake is van misbruik van recht verwijst de rechtbank allereerst uitdrukkelijk naar haar gemotiveerde oordeel in de onder 5.2. genoemde beschikking, waaraan – kort gezegd – het procedeergedrag en de werkwijze van [verzoeker] , en de betrokkenheid van (vermeende) gemachtigden en de rol van Webshop Juristen ten grondslag ligt. Dergelijke omstandigheden zijn ook aanwezig en gesteld in de onderhavige zaak. Zo heeft [verzoeker] ook in deze zaak al in een vroegtijdig stadium buitengerechtelijke kosten aangezegd en aangedrongen op betaling van een (schade)vergoeding, onder dreiging van een gerechtelijke procedure. Ook in deze zaak heeft [verzoeker] in de dagvaarding, zonder schriftelijke onderbouwing, een immateriële schadevergoeding, een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en een vergoeding van de werkelijke proceskosten gevorderd en vervolgens zijn verzoek – zonder deugdelijke of overtuigende toelichting – verminderd tot enkel inzage in zijn persoonsgegevens op straffe van een dwangsom. Verder heeft [verzoeker] ook in deze zaak om vergoeding van de proceskosten verzocht, waarbij het aanvankelijk ging om de werkelijke proceskosten, terwijl ook Wolters – onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2024 – haar terechte twijfels heeft geuit over het daadwerkelijk bestaan van gemachtigde Donkersloot. In de onder 5.2. genoemde beschikking heeft de rechtbank daarover geoordeeld dat [verzoeker] het bestaan van gemachtigde Donkersloot niet aannemelijk heeft weten te maken. 5.8. Zoals ook in de onder 5.2. genoemde beschikking is overwogen heeft [verzoeker] de omschreven handelwijze niet alleen gehanteerd met betrekking tot zijn inzageverzoek aan Wolters, maar ook in andere zaken. Dit betreft de andere AVG-verzoeken van [verzoeker] tegen verschillende andere bedrijven die op 1 en 9 juni 2026 tijdens een zitting zijn behandeld, alsook de ongeveer twintig andere zaken die bij de rechtbank aanhangig zijn. [verzoeker] heeft in deze zaken een vergelijkbare communicatie en insteek van de procedure gehad als in deze zaak en – met gebruikmaking van nagenoeg identieke dagvaardingen en stukken – een hoge schadevergoeding en/of een hoge kostenvergoeding gevorderd. Vrijwel alle zaken die aanhangig zijn bij deze en andere rechtbanken vinden hun oorsprong in een online bestelling van [verzoeker] , enige tijd later gevolgd door een AVG-verzoek. Ook in die zaken heeft [verzoeker] al in een vroeg stadium en herhaaldelijk aangedrongen op de betaling van een vergoeding door de betrokken bedrijven en ook in die zaken, althans in de zaken die op 1 en 9 juni 2026 op zitting zijn behandeld, heeft [verzoeker] kort voor de zitting zonder nadere toelichting zijn verzoek aangepast en verminderd. Daarbij is van belang dat in de meeste van deze zaken eveneens een beroep op misbruik van recht is gedaan. 5.9. De rechtbank is er daarnaast ambtshalve mee bekend dat in ieder geval bij de rechtbanken Rotterdam en Midden-Nederland vergelijkbare zaken aanhangig zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling in de onder 5.2. bedoelde zaak heeft [verzoeker] desgevraagd meegedeeld dat hij in de afgelopen anderhalf jaar zo’n 90 inzageverzoeken op grond van de AVG heeft gedaan. De bedrijven die weigerden aan dat verzoek te voldoen of geen dan wel onvoldoende inzage hebben gegeven, zijn de bedrijven waartegen hij uiteindelijk een procedure is gestart. 5.10. Tot slot neemt de rechtbank ook in deze zaak in aanmerking dat de werkwijze en proceshouding van [verzoeker] ook door andere rechters is gesignaleerd. Dit heeft geleid tot afwijzing van de vordering en in sommige gevallen zelfs tot een veroordeling in de werkelijke proceskosten, zoals ook is vastgesteld in de onder 5.2. genoemde beslissing. 5.11. Uit het vorenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [verzoeker] met gebruikmaking van de mogelijkheden van de AVG welbewust een situatie heeft geconstrueerd die het hem mogelijk maakt van de betrokken bedrijven een schadevergoeding te verkrijgen. Er is dus sprake van een patroon. Daarbij kan de rechtbank zich ook in deze zaak niet aan de indruk onttrekken dat [verzoeker] misbruik maakt van de onbekendheid van deze bedrijven met de inhoud en de werking van de AVG en van de vrees van die bedrijven om tot hoge vergoedingen veroordeeld te worden. Conclusie 5.12. Omdat [verzoeker] misbruik maakt van recht, zal de rechtbank [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek wordt dan ook niet toegekomen. 5.13. [verzoeker] is in het ongelijk gesteld en zal om die reden, zoals door Wolters verzocht, in de proceskosten worden veroordeeld. Wolters maakt aanspraak op vergoeding van werkelijke proceskosten. Wolters heeft de werkelijke proceskosten niet begroot. De rechtbank zal daarom de proceskosten begroten aan de hand van het reguliere liquidatietarief. De rechtbank begroot de proceskosten op: - vast recht € 735,00 - salaris gemachtigde/advocaat € 1.306,00 (653,00 x 2) - nakosten € 189,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.230,00 De verzochte veroordeling tot betaling van wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar als na te melden. het tegenverzoek 5.14. Zoals uit het voorgaande blijkt, is [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek wegens misbruik van recht c.q. procesrecht als bedoeld in artikel 3:13 BW. Desondanks zal de rechtbank de verzochte verklaringen voor recht niet afgeven. Dit omdat Wolters de verzochte verklaringen voor recht te vaag en te weinig concreet heeft geformuleerd. Daarnaast heeft Wolters niet duidelijk gemaakt welk belang zij onder de gegeven omstandigheden heeft bij de verzochte verklaring voor recht. 5.15. De op het gebruik van het advocatentuchtrecht ziende verklaring voor recht zal de rechtbank evenmin afgeven. Wolters heeft haar belang bij dit verzoek onvoldoende onderbouwd, omdat zij niet voldoende heeft uitgelegd welk nadeel zij hiervan zelf heeft ondervonden. Het nadeel dat de gemachtigde van Wolters heeft ondervonden is niet per se gelijk te stellen met het nadeel van Wolters. 5.16. De rechtbank wijst de verzochte schadevergoeding af, omdat Wolters de door haar geleden schade onvoldoende heeft onderbouwd. Wolters heeft haar schade niet cijfermatig begroot. De rechtbank ziet geen aanleiding om desverzocht een bedrag naar billijkheid (ex aequo et bono) toe te kennen. Het lag namelijk op de weg van Wolters om de schade deugdelijk te onderbouwen en te begroten. 5.17. De rechtbank hoeft niet meer afzonderlijk te beslissen op de door Wolters verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Deze kosten zijn al meegenomen in de hiervoor opgenomen begroting van de proceskosten. 5.18. De rechtbank wijst de verzoeken in r.o. 4.1. onder (iv) en (v) ook af wegens gebrek aan belang. 5.19. Wolters is in het ongelijk gesteld en zal in de proceskosten van [verzoeker] worden veroordeeld. De rechtbank begroot deze proceskosten op nihil. In dat verband wijst de rechtbank erop dat [verzoeker] in de zaak van de tegenvordering in persoon heeft geprocedeerd en niet met een gemachtigde. 6 De beslissing De rechtbank 6.1. verklaart [verzoeker] niet- ontvankelijk in zijn verzoek; 6.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 2.230,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van betaling; 6.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; het tegenverzoek 6.4. wijst de verzoeken af; 6.5. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten, te begroten op nihil. Deze beschikking is gegeven door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026. Raad van State 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403. ECLI:NL:RBNH:2026:8285 De EDPB Guidelines zijn richtsnoeren die de European Data Protection Board (EDPB) heeft gepubliceerd en waarin verschillende onderwerpen uit de AVG worden verduidelijkt. Aantekening 190 van EDPB Guidelines. Vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403, r.o. 5.4. Rechtbank Amsterdam 2 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2774. R.o. 4.24. Rechtbank Amsterdam 2 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2774, rechtbank Rotterdam 21 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13631, rechtbank Noord-Holland 24 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15801, rechtbank Noord-Holland 19 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:299, rechtbank Noord-Holland 16 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:7793 en rechtbank Noord-Holland 17 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6889.