Skip to content
Case Law · Rechtbank Noord-Holland ·ECLI:NL:RBNHO:2026:9166 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Noord-Holland, 21-07-2026 (C/15/377089)

Rechtbank Noord-Holland
Summary

Verzoeker heeft een inzageverzoek gedaan bij At Home op grond van de AVG. Vervolgens is hij een procedure gestart. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van misbruik van recht door verzoeker. Verzoeker wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

Full text

RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer / rekestnummer: C/15/377089 / HA RK 26-87 Beschikking van 21 juli 2026 in de zaak van [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoekende partij, hierna te noemen: [verzoeker] , voorheen vertegenwoordigd door: E. Donkersloot, thans procederend in persoon, tegen AT HOME VASTGOED BEHEER B.V., handelend onder de naam ATHOMEVASTGOED.NL , te Rotterdam, verwerende partij, hierna te noemen: At Home, advocaat: mr. H. den Besten. De zaak in het kort [verzoeker] heeft een inzageverzoek gedaan bij At Home op grond van de AVG. Vervolgens is hij een procedure gestart. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van misbruik van recht door [verzoeker] . [verzoeker] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 1 oktober 2025, met producties; - de conclusie van eis in het incident van [verzoeker] ; - de conclusie van antwoord in het incident van At Home, waarbij At Home in het incident een tegenvordering heeft ingesteld; - de door [verzoeker] op 20 februari 2026 ingediende productie 7; - het vonnis van de kantonrechter van 15 april 2026; - de beschikking in het incident van de rechtbank van 19 mei 2026; - de akte wijziging verzoek van [verzoeker] van 23 mei 2026 - de mondelinge behandeling van 9 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de mededeling van At Home dat zij in de hoofdzaak zaak uitsluitend mondeling verweer wenst te voeren. Om die reden zijn de voorafgaande aan 15 april 2026 door At Home in de hoofdzaak schriftelijk ingediende (proces)stukken niet in voorgaande opsomming opgenomen. Deze stukken maken geen deel uit van het procesdossier en de rechtbank heeft hiervan geen kennis genomen. Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het namens [verzoeker] ingekomen bericht waaruit blijkt dat zijn gemachtigde E. Donkersloot zich aan de zaak heeft onttrokken. 1.2. De beschikking is bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. Op 30 juli 2025 heeft At Home aan [verzoeker] een marketingmail verzonden. 2.2. Na ontvangst van deze marketingmail heeft [verzoeker] op dezelfde dag een e-mail gestuurd aan At Home met daarin een inzageverzoek op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). 2.3. Op 1 september 2025 heeft [verzoeker] per e-mail een herinnering aan voormeld verzoek verzonden en aan At Home nog een termijn van 14 dagen gegeven om te antwoorden. [verzoeker] maakt daarbij aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 925,00 voor het geval At Home niet aan die sommatie voldoet. 2.4. Op 3 september 2025 heeft At Home per e-mail een inhoudelijke reactie gegeven op het verzoek van [verzoeker] van 30 juli 2025. 3 Het verzoek en het verweer in de hoofdzaak 3.1. [verzoeker] verzoekt, na zijn verzoek te hebben verminderd, dat de rechtbank bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad: (i) At Home op straffe van een dwangsom veroordeelt tot het verstrekken van volledige inzage in de persoonsgegevens van [verzoeker] en (ii) At Home veroordeelt in de proceskosten, waaronder begrepen de kosten van de dagvaarding en het griffierecht. De aanvankelijk ingediende verzoeken tot toekenning van een schadevergoeding, betaling van buitengerechtelijke kosten en veroordeling in de werkelijke proceskosten heeft [verzoeker] niet gehandhaafd. 3.2. Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] heeft naar aanleiding van een 30 juli 2025 van At Home ontvangen marketingmail op dezelfde datum aan At Home een schriftelijk verzoek tot inzage in zijn persoonsgegevens gedaan. Niet eerder dan op 3 september 2025 heeft At Home hierop inhoudelijk gereageerd. Deze reactie is onvolledig, onjuist en misleidend. At Home dient alsnog aan zijn uit de AVG voortvloeiende informatieverplichting te voldoen. 3.3. At Home verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. De rechtbank is niet bevoegd om van de zaak kennis te nemen en de zaak dient te worden verwezen naar de rechtbank Rotterdam. Inhoudelijk voert At Home het volgende verweer. [verzoeker] maakt zich schuldig aan misbruik van (proces)recht. Uit deze en andere bij de rechtbank aanhangige zaken blijkt dat [verzoeker] veelvuldig AVG-informatieverzoeken doet bij bedrijven, gevolgd door het uitbrengen van dagvaardingen waarin daarnaast betaling van schadevergoeding en dwangsommen wordt gevorderd. Andere wederpartijen voelen zich veelal gedwongen deze procedures af te kopen door aan [verzoeker] een bedrag te betalen. Daarbij komt dat [verzoeker] tuchtklachten indient tegen de advocaten die de respectieve wederpartijen van [verzoeker] bijstaan. De gemachtigde van At Home heeft daar ook mee te maken. Onder de gegeven omstandigheden is het door [verzoeker] in deze zaak gedane verzoek daarnaast buitensporig in de zin van artikel 12 lid 5 AVG. Nog afgezien daarvan kan At Home de verzochte inzage in de persoonsgegevens niet meer verstrekken aan [verzoeker] , omdat At Home niet meer over de gegevens beschikt. Uit het verzoek van [verzoeker] van 22 juli 2025 en de overige door hem verzonden correspondentie heeft At Home opgemaakt dat [verzoeker] niet wenste dat At Home van de persoonsgegevens van [verzoeker] gebruik maakte en dat hij wilde dat At Home deze gegevens zou vernietigen. Dit heeft At Home dan ook gedaan. in het incident 3.4. At Home verzoekt dat de rechtbank, kort gezegd, [verzoeker] veroordeelt tot het verstrekken van informatie over ROI Services B.V. en E. Donkersloot. 3.5. [verzoeker] voert verweer. 4 De beoordeling in de hoofdzaak 4.1. At Home stelt dat de rechtbank niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, omdat At Home gevestigd is in Rotterdam. At Home verzoekt hierom dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard en de zaak verwijst naar de rechtbank Rotterdam. 4.2. De rechtbank overweegt als volgt. Na verwijzing door de kantonrechter wordt deze zaak gevoerd volgens de regels van de verzoekschriftprocedure. Dit brengt mee dat de rechtbank haar bevoegdheid moet ontlenen aan de artikel 262 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Artikel 262 Rv luidt, voor zover van belang, als volgt: “Tenzij de wet anders bepaalt, is bevoegd: a . de rechter van de woonplaats van hetzij de verzoeker (…) hetzij één van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbenden dan wel, als zodanige woonplaats in Nederland niet bekend is, de rechter van het werkelijk verblijf van één van hen;” 4.3. [verzoeker] heeft gesteld woonachtig te zijn in [woonplaats] . Op de mondelinge behandeling heeft At Home niet weersproken dat [verzoeker] (thans weer) woonachtig is in [woonplaats] . Gelet daarop acht de rechtbank zich bevoegd om van de zaak kennis te nemen. 4.4. Het verweer van At Home dat sprake is van misbruik van recht is het meest verstrekkende verweer van At Home. Als dit verweer slaagt, dient [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard. De rechtbank komt dan aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van [verzoeker] niet toe. Om die reden gaat de rechtbank eerst op dit verweer van At Home in. 4.5. De rechtbank stelt bij de beoordeling van het verweer dat [verzoeker] misbruik van zijn recht maakt het volgende voorop. Deze zaak van [verzoeker] tegen At Home staat niet op zichzelf. Bij de kantonrechter van rechtbank Noord-Holland zijn namelijk vanaf medio 2025 tot en met april 2026 ongeveer twintig zaken door [verzoeker] aanhangig gemaakt. Al deze zaken betreffen AVG-verzoeken van [verzoeker] aan verschillende bedrijven. De kantonrechter heeft deze zaken allemaal verwezen naar de sector handel. In een vergelijkbare AVG-zaak van [verzoeker] tegen een ander bedrijf , die op 1 juni 2026 ter zitting is behandeld, heeft de rechtbank al uitspraak gedaan. In die zaak is de rechtbank uitgebreid ingegaan op het beoordelingskader, dat ook van toepassing is in deze zaak. Daarnaar wordt dan ook uitdrukkelijk verwezen, zodat de rechtbank hieronder volstaat met een verkorte weergave daarvan. De rechtbank heeft in die zaak geoordeeld dat er sprake is van misbruik van recht door [verzoeker] en hem in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard. In deze zaak komt de rechtbank tot hetzelfde oordeel. Beoordelingskader 4.6. Artikel 3:13 lid 1 BW stelt dat ‘degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze bevoegdheid niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt’. Bij het aannemen van misbruik van (proces)recht past terughoudendheid. 4.7. Artikel 12 lid 5 AVG geeft de verwerkingsverantwoordelijke – onder meer – de mogelijkheid om te weigeren gevolg te geven aan kennelijk ongegronde of buitensporige verzoeken, met name vanwege het repetitieve karakter van deze verzoeken. Dit betreft gevallen van misbruik van recht. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om de kennelijk ongegronde of buitensporige aard van het verzoek aan te tonen. In de EDPB Guidelines is opgenomen dat een verzoek buitensporig kan worden bevonden wanneer (bijvoorbeeld) een persoon een verzoek indient, maar tegelijkertijd aanbiedt dit verzoek in te trekken in ruil voor een of ander voordeel van de verwerkingsverantwoordelijke. 4.8. Bij de beoordeling van het beroep op misbruik van recht is – onder meer – van belang de uitspraak van het Hof van Justitie van 19 maart 2026 over de toepassing van artikel 12 lid 5 AVG. Voor het bewijs van misbruik is blijkens deze uitspraak enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist en anderzijds een subjectief element, namelijk ´ de bedoeling van de betrokkene om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat. Voor een dergelijke kwalificatie moeten voorts alle feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen .´ Daarbij mag rekening worden gehouden met openbaar toegankelijke informatie waaruit blijkt dat de betrokkene stelselmatig verzoeken tot inzage van zijn persoonsgegevens en vorderingen tot schadevergoeding indient bij verschillende verwerkingsverantwoordelijkheden volgens een vergelijkbaar patroon. Toepassing van het beoordelingskader op deze zaak 4.9. Uit het toepasselijke beoordelingskader blijkt dat de lat voor het aannemen van misbruik van recht op grond van artikel 3:13 BW, bezien in samenhang met artikel 12 lid 5 AVG, hoog ligt en dat bij het aannemen van misbruik terughoudendheid moet worden betracht. De rechtbank is echter (ook) in deze zaak van oordeel dat voldoende is gebleken van zwaarwichtige gronden die de conclusie rechtvaardigen dat [verzoeker] met zijn verzoek misbruik van recht maakt. Uit de wijze waarop [verzoeker] in dit dossier, en in andere dossiers, de procedure is gestart en met At Home heeft gecommuniceerd, blijkt dat [verzoeker] een financieel oogmerk heeft bij zijn verzoeken en dat het hem niet daadwerkelijk gaat om de inzage in zijn persoonsgegevens en om de juistheid van deze gegevens en om de rechtmatigheid van de verwerking te controleren. Hoewel in beginsel per individuele zaak moet worden beoordeeld of sprake is van misbruik van recht, kan deze zaak niet los worden gezien van de andere vergelijkbare zaken die [verzoeker] bij de rechtbank aanhangig heeft gemaakt. Juist het patroon in de werkwijze en het procedeergedrag dat zichtbaar wordt uit deze en andere zaken draagt in belangrijke mate bij aan het oordeel dat [verzoeker] misbruik van recht maakt. 4.10. Voor de motivering van haar oordeel dat sprake is van misbruik van recht verwijst de rechtbank allereerst uitdrukkelijk naar haar gemotiveerde oordeel in de onder 4.5. genoemde beschikking, waaraan – kort gezegd – het procedeergedrag en de werkwijze van [verzoeker] , en de betrokkenheid van (vermeende) gemachtigden en de rol van Webshop Juristen ten grondslag ligt. Dergelijke omstandigheden zijn ook aanwezig en gesteld in de onderhavige zaak. Zo heeft [verzoeker] ook in deze zaak al in een vroegtijdig stadium buitengerechtelijke kosten aangezegd en aangedrongen op betaling van een (schade)vergoeding, onder dreiging van een gerechtelijke procedure. Ook in deze zaak heeft [verzoeker] in de dagvaarding, zonder schriftelijke onderbouwing, een immateriële schadevergoeding, een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en een vergoeding van de werkelijke proceskosten gevorderd en vervolgens zijn verzoek – zonder deugdelijke of overtuigende toelichting – verminderd tot enkel inzage in zijn persoonsgegevens op straffe van een dwangsom. Verder heeft [verzoeker] ook in deze zaak om vergoeding van de proceskosten verzocht, waarbij het aanvankelijk ging om de werkelijke proceskosten, terwijl ook At Home– onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 mei 2024 – haar terechte twijfels heeft geuit over het daadwerkelijk bestaan van gemachtigde Donkersloot. In de onder 4.5. genoemde beschikking heeft de rechtbank daarover geoordeeld dat [verzoeker] het bestaan van gemachtigde Donkersloot niet aannemelijk heeft weten te maken. Dat is ook hier het geval, waarbij van belang is dat ook in deze zaak Donkersloot zonder goede of aannemelijke reden niet ter zitting is verschenen. 4.11. Zoals ook in de onder 4.5. genoemde beschikking is overwogen heeft [verzoeker] de omschreven handelwijze niet alleen gehanteerd met betrekking tot zijn inzageverzoek aan At Home, maar ook in andere zaken. Dit betreft de andere AVG-verzoeken van [verzoeker] tegen verschillende andere bedrijven die op 1 en 9 juni 2026 tijdens een zitting zijn behandeld, alsook de ongeveer twintig andere zaken die bij de rechtbank aanhangig zijn. [verzoeker] heeft in deze zaken een vergelijkbare communicatie en insteek van de procedure gehad als in deze zaak en – met gebruikmaking van nagenoeg identieke dagvaardingen en stukken – een hoge schadevergoeding en/of een hoge kostenvergoeding gevorderd. Vrijwel alle zaken die aanhangig zijn bij deze en andere rechtbanken vinden hun oorsprong in een online bestelling van [verzoeker] , enige tijd later gevolgd door een AVG-verzoek. Ook in die zaken heeft [verzoeker] al in een vroeg stadium en herhaaldelijk aangedrongen op de betaling van een vergoeding door de betrokken bedrijven en ook in die zaken, althans in de zaken die op 1 en 9 juni 2026 op zitting zijn behandeld, heeft [verzoeker] kort voor de zitting zonder nadere toelichting zijn verzoek aangepast en verminderd. Daarbij is van belang dat in de meeste van deze zaken eveneens een beroep op misbruik van recht is gedaan. 4.12. De rechtbank is er daarnaast ambtshalve mee bekend dat in ieder geval bij de rechtbanken Rotterdam en Midden-Nederland vergelijkbare zaken aanhangig zijn gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling in de onder 4.5. bedoelde zaak heeft [verzoeker] desgevraagd meegedeeld dat hij in de afgelopen anderhalf jaar zo’n 90 inzageverzoeken op grond van de AVG heeft gedaan. De bedrijven die weigerden aan dat verzoek te voldoen of geen dan wel onvoldoende inzage hebben gegeven, zijn de bedrijven waartegen hij uiteindelijk een procedure is gestart. 4.13. Tot slot neemt de rechtbank ook in deze zaak in aanmerking dat de werkwijze en proceshouding van [verzoeker] ook door andere rechters is gesignaleerd. Dit heeft geleid tot afwijzing van de vordering en in sommige gevallen zelfs tot een veroordeling in de werkelijke proceskosten, zoals ook is vastgesteld in de onder 4.5. genoemde beslissing. 4.14. Uit het vorenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [verzoeker] met gebruikmaking van de mogelijkheden van de AVG welbewust een situatie heeft geconstrueerd die het hem mogelijk maakt van de betrokken bedrijven een schadevergoeding te verkrijgen. Er is dus sprake van een patroon. Daarbij kan de rechtbank zich ook in deze zaak niet aan de indruk onttrekken dat [verzoeker] misbruik maakt van de onbekendheid van deze bedrijven met de inhoud en de werking van de AVG en van de vrees van die bedrijven om tot hoge vergoedingen veroordeeld te worden. Conclusie 4.15. Omdat [verzoeker] misbruik maakt van recht, zal de rechtbank [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek wordt dan ook niet toegekomen. Maar al zou de rechtbank daaraan wel zijn toegekomen, dan zou het verzoek van [verzoeker] (ook) zijn afgewezen. Immers, [verzoeker] heeft niet weersproken dat At Home niet meer over de persoonsgegevens beschikt van [verzoeker] , omdat At Home die heeft verwijderd. Daarvan uitgaande is het niet meer mogelijk voor At Home om aan het verzoek te voldoen en heeft [verzoeker] geen belang meer bij de toewijzing van zijn verzoek. De vraag of de verwijdering van gegevens door At Home in strijd is met de op haar uit de AVG voortvloeiende verplichtingen kan in het midden blijven, omdat die vraag buiten het bestek valt van deze procedure. 4.16. [verzoeker] is in het ongelijk gesteld en zal om die reden, zoals door At Home verzocht, in de proceskosten worden veroordeeld. At Home maakt aanspraak op vergoeding van werkelijke proceskosten. Gelet op het voorgaande bestaat daarvoor voldoende aanleiding. At Home is in haar begroting van de wettelijke proceskosten uitgegaan van een uurtarief voor de gemachtigde van € 295,00 en een urenaantal van 10 uur. [verzoeker] heeft hiertegen niets ingebracht. Het tarief en urenaantal komt de kantonrechter niet onredelijk voor. De rechtbank begroot deze proceskosten dan ook op - vast recht € 735,00 - salaris gemachtigde € 2.950,00 - nakosten € 189,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.874,00 De rechtbank ziet aanleiding om deze proceskostenveroordeling ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. in het incident 4.17. Bij deze stand van zaken heeft At Home geen belang (meer) bij de toewijzing van haar verzoek. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af. 5 De beslissing De rechtbank in de hoofdzaak 5.1. verklaart [verzoeker] niet- ontvankelijk in zijn verzoek; 5.2. veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 3.874,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend; 5.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; in het incident 5.4. wijst af het verzoek. Deze beschikking is gegeven door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026. Raad van State 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403 ECLI:NL:RBNO:2026:8285 De EDPB Guidelines zijn richtsnoeren die de European Data Protection Board (EDPB) heeft gepubliceerd en waarin verschillende onderwerpen uit de AVG worden verduidelijkt. Aantekening 190 van EDPB Guidelines. Vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2403, r.o. 5.4. Rechtbank Amsterdam 2 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2774. R.o. 4.24. Rechtbank Amsterdam 2 mei 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2774, rechtbank Rotterdam 21 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13631, rechtbank Noord-Holland 24 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:15801, rechtbank Noord-Holland 19 januari 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:299, rechtbank Noord-Holland 16 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:7793 en rechtbank Noord-Holland 17 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6889.

Similar Content