Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2026:7195 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 15-07-2026 (13-279805-25)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Vervolgings- EAB uit Duitsland. Na tussenuitspraak om de uitvaardigende justitiële autoriteit (aanvullende) vragen te stellen t.a.v. de effecitieve rechtsbescherming opnieuw een tussenuitspraak. Opnieuw tussenuitspraak: Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank kennisgenomen van de beschikking van het Europese Hof van Justitie van 2 juli 2026 in zaak C-446/26 PPU [Blerens]. Hoewel de beschikking is gegeven in een Griekse zaak, acht de rechtbank het niet ondenkbaar dat deze ook gevolgen kan hebben voor onderhavige zaak. De rechtbank zal het onderzoek heropenen en schorsen om de raadslieden en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de beschikking te betrekken bij hun standpunt in de onderhavige zaak.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-279805-25 Datum uitspraak: 15 juli 2026 TUSSEN- UITSPRAAK op de vordering van 31 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 20 oktober 2025 door de gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie – Centrum München, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 31 december 2025 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers, advocaat in Leeuwarden. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de raadsvrouw van de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken aan het openbaar ministerie over een doorzoeking en/of verhoren die in 2024 hebben plaatsgevonden, zodat het openbaar ministerie de rechtbank op de volgende zitting meer duidelijkheid kan verschaffen over de vraag of al dan niet sprake is van een dubbele vervolging in het kader van artikel 9, eerste lid onder a OLW (ne bis in idem). Ook heeft de rechtbank de raadsvrouw medegedeeld dat, indien zij wil dat de rechtbank acht slaat op de niet vertaalde brief van EPPO van 17 december 2025, zij zorg moet dragen voor een officiële vertaling. Zitting van 7 januari 2026 De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling van de rechtbank, voortgezet op de zitting van 7 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers, zijn door middel van een videoverbinding aanwezig. De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. Tussenuitspraak van 14 januari 2026 Bij tussenuitspraak van 14 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen met betrekking tot de effectieve rechtsbescherming van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Voorts heeft de rechtbank het onderzoek (ook) heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of het Duitse strafrechtelijk onderzoek waarvan sprake is in het EAB ook ziet op de in de door de officier van justitie overgelegde e-mail van 17 oktober 2025 omschreven verdenkingen in Nederland. De rechtbank heeft in dit verband haar beslissing over de weigeringsgrond van artikel 13 OLW aangehouden tot er duidelijkheid bestaat over mogelijke overlap tussen het in Nederland lopende strafrechtelijk onderzoek tegen de opgeëiste persoon en de feiten als genoemd in het EAB. Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW de beslistermijn met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 4 maart 2026 De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling van de rechtbank, voortgezet op de zitting van 4 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers. Tussenuitspraak van 18 maart 2026 Bij tussenuitspraak van 18 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen met betrekking tot de effectieve rechtsbescherming van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW de beslistermijn met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 30 april 2026 De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling van de rechtbank, voortgezet op de zitting van 30 april 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadslieden, mrs. W.R. Jonk en S.M. Hof, beide advocaat in Amsterdam. Tussenuitspraak van 13 mei 2026 Bij tussenuitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen met betrekking tot de effectieve rechtsbescherming van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. Vervolgens heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW de beslistermijn met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. Zitting van 1 juli 2026 De behandeling van het EAB is, met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling van de rechtbank, voortgezet op de zitting van 1 juli 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadslieden, mrs. W.R. Jonk en S.M. Hof. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraken van 14 januari 2026, 18 maart 2026 en 13 mei 2026 De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de genoegzaamheid (onder 3.2), de strafbaarheid (onder 4), de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW (onder 5) en artikel 11 OLW voor wat betreft de Duitse detentieomstandigheden (onder 8). De rechtbank stelt verder vast dat in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 18 maart 2026 al is geoordeeld over de facultatieve weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, onder a, OLW (onder 5) en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW (onder 6). Hetgeen de rechtbank hierover in de tussenuitspraken heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Rechterlijke autoriteit en effectieve rechtsbescherming 4.1 Inleiding De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 3.1 van de tussenuitspraak van 14 januari 2026, onder 4 van de tussenuitspraak van 18 maart 2026 en onder 4 van de tussenuitspraak van 13 mei 2026. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd. Op 22 mei 2026 heeft de officier van justitie de door de rechtbank geformuleerde vragen in de tussenuitspraak van 13 mei 2026 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voorgelegd, te weten: “ 1) Kunt u aangeven hoe de rechter die het nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd er op het moment van uitvaardiging daarvan van op de hoogte was dat de opgeëiste persoon op dat moment niet in Duitsland verbleef? 2) Kunt u aangeven waaruit blijkt dat de rechter die het nationaal aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd wist of ervan uit moest gaan dat daaropvolgend het EAB zou worden uitgevaardigd? Kunt u in dit verband aangeven waaruit blijkt dat die rechter de daaropvolgende uitvaardiging van het EAB heeft meegewogen in de beslissing om het nationaal aanhoudingsbevel uit te vaardigen? 3) Kunt u aangeven wanneer het rechtsmiddel (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) tegen de beslissing van de rechter om een nationaal aanhoudingsbevel uit te vaardigen is aangewend? 4) Kunt u aangeven of door de verdediging van de opgeëiste persoon in de procedure (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep) tegen de beslissing van de rechter om een nationaal aanhoudingsbevel uit te vaardigen, de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB aan de orde is gesteld, en of de eventuele gronden hieromtrent zijn meegenomen en beoordeeld in de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg? Kunt u in dit verband de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg en de gronden van het hoger beroep toesturen?” In aanvulling op deze vragen heeft de officier van justitie op 22 mei 2026 ook de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: “1) You have indicated that the requested person has the option to challenge the issuance of the EAW before a court. This is done by applying Article 98(2) of the Code of Criminal Procedure by analogy. From the attached judgment of April 16, 2009 (and specifically point 6), the possibility of challenging the issuance of the EAW on that basis appears to refer to challenging the SIS alert and not specifically the issuance of the EAW. Could you clarify whether the possibility under Article 98(2) of the Code of Criminal Procedure also applies (or could apply) to the issuance of the EAW? 2)The attached judgment is from 2009. Have there been any developments in case law on this point since then? Or was 2009 the last time a judge ruled on this possibility?” De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 26 mei 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt in reactie op de door de rechtbank geformuleerde vragen: “1. The court that issued the national arrest warrant had the full investigation file at its disposal, enabling it to assess the facts of the case in full. It was apparent from this investigation file that the accused, [de opgeëiste persoon] , was not in Germany. 2. The investigation file made available to the judge also revealed that an Action Day, involving the execution of arrest warrants and search warrants, had been planned for 22 October 2025. It was not necessary to inform the court of the date on which the arrest warrant was issued. For tactical reasons relating to the investigation (to ensure that the accused would not be arrested before the Action Day, which would have thwarted the measures as a whole), the European Arrest Warrant was only issued shortly before the Action Day and activated in the SIS. 3. By letter dated 1 February 2026, the defense lawyer for the accused [de opgeëiste persoon] lodged an appeal against the arrest warrant issued by Munich Local Court on 25 September 2026, 1011 Gs 2510/25 jug (first instance). The grounds for the appeal were set out in a letter dated 16 February 2026. In the grounds for the appeal, the defense counsel states that the European arrest warrant had been ‘executed’ in the Netherlands. In a letter dated 23 February 2026, the defense counsel provided supplementary grounds for the appeal to the Regional Court. In Germany the defense is not required to lodge the appeal again with the court of second instance. The public prosecutor’s office is obliged, ex officio, to refer the case to the Regional Court if the court of first instance has not granted the appeal. The public prosecutor’s office submitted the case file to the Regional Court on 27 February 2026. By order of 13 April 2026, the Regional Court dismissed the appeal as unfounded. 4. The defense lawyer did not raise the issue of the proportionality of the European arrest warrant. She dealt solely with the issue of the proportionality of the national arrest warrant. At the time of the decisions of the courts of first and second instance, the courts were aware in each case that a European arrest warrant had been issued against the accused, [de opgeëiste persoon] , and that extradition proceedings were ongoing in the Netherlands.” Als bijlage bij deze aanvullende informatie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende drie documenten gestuurd: de op 16 februari 2026 ingediende gronden van hoger beroep tegen de voorlopige hechtenis, de beschikking van het Amtsgericht München van 18 februari 2026 en de beschikking van het Landgericht München I van 13 april 2026. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 9 juni 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt in reactie op de door de officier van justitie geformuleerde aanvullende vragen: “As explained before, the suspect can challenge the national arrest warrant. If the arrest warrant is lifted, this removes the basis for the EAW, including the latter’s issuance. On the question whether the suspect can challenge the issuance as such of the EAW, it is has been accepted commonly in the meantime that Section 131(1) of the German Code of Criminal Procedure is not only the legal base to initiate search measures, but also for the issuance of an EAW: The German courts cited have accepted the regular complaint procedure in accordance with Section 304 of the German Code of Criminal Procedure and Section 310(1), point 1 of the German Code of Criminal Procedure as the appropriate legal base for court redress.  BVerfG (Constitutional Court), 28.9.2020 – 2 BvR 1435/20, paragraphs 4-5: categorising EAW as equivalent to search/SIS alert, with reference to Article 9(3), second sentence of Framework Decision 2002/584/JHA;  OLG (Higher Regional Court) Hamm, 1.8.2019 – 2 Ws 96/19, paragraph 20, OLG (Higher Regional Court) Zweibrücken, 11.7.2019 – 1 Ws 203/19, paragraph 2; OLG Frankfurt a. M. 12.9.2019 – 2 Ws 60/19, NStZ-RR 2019, 356, OLG Schleswig 6.2.2020 – 2 Ws 13/20, paragraph 6-7: EAW is EU-wide search tool, coupled with request to surrender.  The judgments of OLG Schleswig 6.2.2020 – 2 Ws 13/20, paragraphs 8, 10, 13, OLG Frankfurt a. M. 12.9.2019 – 2 Ws 60/19, and OLG Hamm, 1.8.2019 – 2 Ws 96/19, paragraph 31, specifically deal with challenges of the concerned suspect as to the proportionality of the issuance of the EAW. This should resolve the ambiguity caused by OLG (Higher Regional Court) Celle, 16.4. 2009, 2 Vas 3/09, which focused on the entering of the SIS alert, had recourse to the residual doctrine of court redress in analogy to Section 92(2) of the German Code of Criminal Procedure (which governs court review of the seizure of objects, but its rationale to enable review of prosecutorial action with legal effects on third parties has been extended to scenarios where the German Code of Criminal Procedure does not expressly provide for court redress), and left ambiguous whether the EAW had immediate legal effects that can be challenged. Therefore, it is clear from the more recent case law that redress against the issuance of an EAW can be sought directly with Section 304 of the German Code of Criminal Procedure, and further be pursued under Section 310(1), point 1 of the German Code of Criminal Procedure.” In hetzelfde bericht van 9 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit daarnaast nog de volgende aanvullende informatie verstrekt in reactie op de door de rechtbank geformuleerde vragen: “According to Section 114(2), point 3 of the German Code of Criminal Procedure, the arrest warrant must state the grounds for arrest. The arrest warrant is ordered, according to Section 114(1) of the German Code of Criminal Procedure, by the judge, not the prosecutor/EDP. (…) Section 112(3) of the German Code of Criminal Procedure recognises three possible grounds for arrest: 1. It is known that the accused/suspect is at large or in hiding, 2. Whereabouts known but risk that the accused/suspect will evade the criminal proceedings (risk of flight), 3. Risk of evidence-tampering or influencing witnesses, etc. (…) In any event, when the judge adopted the arrest warrant, he/she must examine the file and equally state details on the grounds for arrest. Therefore, the judge must have been aware, when authorizing the arrest warrant, that the requested person may not be present in Germany at that time. Within the procedure to issue an arrest warrant, in particular Sections 112 and 114 of the German Code of Criminal Procedure, it is the responsibility and prerogative of the investigating judge to examine all conditions, including proportionality. The latter is, therefore, “the subject, in the Member State, of court proceedings which meet in full the requirements inherent in effective judicial protection”, as required by the CJEU, judgment of 27 May 2019, OG and PI (Public Prosecutor’s Offices, Lübeck and Zwickau), C-508/18 and C- 82/19 PPU, paragraph 75, and in the judgment of 10 March 2021, C-648/20, Shishtov Regional Prosecutor’s Office, paragraphs 47 to 53. The German legal situation is indeed different from that in Bulgaria, where no judge is involved similarly as in Germany – German law offers already ex ante and ex officio judicial review of the judicial decision on the EAW is based. German EDPs can be compared to prosecutors that issue EAWs based on a judicial decision on pre-trial detention (see CJEU, judgement of 12 December 2019, Parquet général du Grand- Duché de Luxembourg and Openbaar Ministerie (Public Prosecutors of Lyon and Tours),C-566/19 PPU and C-626/19 PPU, and Openbaar Ministerie (Swedish Prosecution Authority), C-625/19 PPU). It does not make a difference that German EDPs, unlike German prosecutors after the CJEU judgment in C-508/18 and C-82/19 PPU, can be the issuing judicial authority for EAWs: Even German EDPs can only issue an EAW after a German judge has authorized the underlying national arrest warrant. The EAW is actually not an arrest warrant in its own right, but rather the request to recognize a national decision (see Article 8(1)(c) of Council Framework Decision 2002/584/JHA) which orders the arrest. In addition and in particular, the following must be noted: Section 131 of the German Code of Criminal Procedure allows public prosecutors to initiate search measures, including ones with a view to arrest suspects against whom an arrest warrant has been issued. Further rules are laid down in points 39 to 43 of the “Richtlinien für das Strafverfahren und das Bußgeldverfahren” (RiStBV), i.e. the uniform “Guidelines on Criminal Procedure and Administrative Fines Procedure”. The RiStBV are issued by the (federal and regional) ministries of justice of Germany and describe the standard procedures that courts and prosecutors follow. Without prejudice to EPPO independence (Article 6 of the EPPO Regulation), the German EDPs apply the RiStBV (Point 20 of the Internal Rules of Procedure of the German EDPs, version of 12 September 2025). Point 41 of the RiStBV stipulates in its paragraph 1 that the prosecutor, hence the EDP, will have a search notice entered in the relevant databases. According to paragraph 2 of that provision, it is the rule for extraditable offences that the prosecutor not only launches a national search notice, but simultaneously in all EU Member States, based on a EAW, unless it is unproportional. Against this background, the judge must have know in light of the concerned offences that an EAW and an EU-wide search notice would follow in the regular course of events. Both paragraphs 1 and 2 of point 41 of the RiStBV contain proportionality clauses which make it abundantly clear that prosecutors and, without prejudice to their independence, judges will consider proportionality and will cause the prosecutor to limit the search notice to the extent necessary. In the absence of documented exceptions, it is thus the codified presumption for extraditable offences that the EAW and the corresponding search notice will extend to all EU Member States. In conclusion, the judge must have been aware, when authorizing the arrest warrant, that the requested person may not be in Germany at that time and an EAW based on the arrest warrant will be issued. The judge also had the opportunity to consider the proportionality of the arrest warrant and that of a subsequent EAW. According to the German Code of Criminal Procedure, the suspect has several remedies against an arrest warrant: Once in detention, he/she can apply for a review of detention under Section 117 of the German Code of Criminal Procedure. Aside from that, he/she can lodge a complaint against the arrest warrant in accordance with Section 304 of the German Code of Criminal Procedure, and the remedy of a “further complaint” in accordance with Section 310(1), point 1 of the German Code of Criminal Procedure.” 4.2 Standpunt van de raadslieden De raadslieden hebben zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering wegens het ontbreken van een effectieve rechterlijke bescherming en de eisen die daaraan worden gesteld bij het uitvaardigen van een EAB. Subsidiair hebben zij de rechtbank verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) over de effectieve rechterlijke rechtsbescherming in deze specifieke zaak. Ten aanzien van het antwoord van de Duitse autoriteit op vraag 1 (van de rechtbank) stelt de verdediging dat de antwoorden afleiden van waar deze overleveringszaak in de kern om draait; namelijk of er op een niveau een rechterlijke toets heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden die de noodzakelijke voorwaarden en met name de evenredigheid voor de uitvaardiging van een EAB beoordeelt. Het gaat daarbij niet om een impliciete veronderstelling dat met dergelijke gevolgen “wel rekening zal zijn gehouden”, maar om een kenbare en expliciete wettelijke afweging, juist gelet op de verstrekkende gevolgen die een EAB kan hebben, waaronder een mogelijke maandenlange overleveringsdetentie. Het Hof van Justitie verlangt niet slechts dat ergens in het strafproces een rechter betrokken is geweest. Het Hof van Justitie verlangt dat de beslissing tot uitvaardiging van het EAB kan worden onderworpen aan een effectieve rechterlijke toetsing, waarbij ook de voorwaarden voor uitvaardiging (waaronder de proportionaliteit) kunnen worden onderzocht. Een bevoegdheid om te signaleren is niet hetzelfde als een concreet rechtsmiddel tegen het EAB, een rechterlijke toetsing van de EAB-beslissing of een beoordeling van de proportionaliteit van het EAB. Op basis van eerder ontvangen informatie staat wat betreft de verdediging vast dat in ieder geval geen specifieke regelgeving bestaat die een rechterlijke proportionaliteitstoets voorschrijft voor EAB’s die door een gedelegeerd Europees aanklager (hierna: GEA) zijn uitgevaardigd. Wel is door de Duitse autoriteit aangegeven dat EAB’s naar analogie vatbaar zouden kunnen zijn voor rechterlijke toetsing op grond van artikel 98 lid 2 juncto artikel 131 van het Duitse Wetboek van Strafvordering (hierna: StPO). Artikel 131 StPO ziet daarbij op opsporingsmaatregelen, zoals het signaleren van een persoon met het oog op aanhouding (bijvoorbeeld in het Schengeninformatiesysteem). Artikel 98 StPO biedt een rechtsgang voor rechterlijke toetsing van bepaalde dwangmiddelen, zoals beslag. Door de Duitse autoriteit werd eerder verwezen naar een uitspraak van het Hof van Celle uit 2009 die wat betreft de verdediging het onderscheid dat er moet worden gemaakt (namelijk uitvoeringshandelingen versus opsporingsmaatregelen) alleen maar bevestigt. “Het uitleveringsverzoek in het Europees aanhoudingsbevel en het verzoek tot arrestatie zijn niet vatbaar voor rechtsmiddelen.” De raadslieden hebben in dit kader verwezen naar hetgeen de verdediging hier eerder over naar voren heeft gebracht. Door de Duitse autoriteit is gesteld dat de Duitse rechtbank op de hoogte was van het feit dat de opgeëiste persoon niet in Duitsland verbleef. De rechtbank had immers het dossier; dus was op de hoogte, dan wel de rechtbank zou de hoogte zou moeten. De verschillende vragen ondergebracht als ‘vraag 2’ (van de rechtbank) worden wat betreft de raadslieden onvoldoende beantwoord. Zo wordt er geen informatie verstrekt waaruit zou moeten blijken dat de rechter de daaropvolgende uitvaardiging van het EAB heeft meegewogen in de beslissing om het nationaal aanhoudingsbevel uit te vaardigen. Er worden enkele aannames gemaakt zonder dit in deze specifieke zaak concreet te maken. Bovendien blijkt uit de e-mail van 26 mei 2026 dat de rechtbank ook niet op de hoogte was gebracht van het feit dat er een EAB uitgevaardigd zou gaan worden. Ten aanzien van het gegeven antwoord op de derde door de rechtbank gestelde vraag blijkt uit de overgelegde beslissingen in eerste aanleg en hoger beroep uitsluitend dat de Duitse rechters zich hebben uitgelaten over het NAB en de voorlopige hechtenis. Uit geen van deze beslissingen blijkt dat de rechter de uitvaardiging van het EAB als zodanig heeft beoordeeld of getoetst. Evenmin blijkt dat op een eerder moment een zelfstandige proportionaliteits- of belangenafweging ten aanzien van het EAB is verricht. Niet bij uitvaardiging van het EAB, niet naderhand via deze beroepsmogelijkheid. De aard van de procedures waar deze beslissingen uit voortkomen maakt dit ook verklaarbaar: het ging om procedures over het NAB en het bevel tot voorlopige hechtenis. De toetsing was daarmee beperkt tot de voorwaarden voor vrijheidsbeneming en het bestaan van vluchtgevaar, en niet tot de rechtmatigheid, noodzaak of proportionaliteit van het EAB als instrument. Voor zover in deze context geen expliciete verweren zijn gevoerd over de proportionaliteit van het EAB, volgt dit volgens de raadslieden logisch uit het feit dat die toets binnen deze procedurele kaders niet centraal staat en ook niet als zelfstandige beoordelingsvraag wordt behandeld. Duidelijk is dat er geen expliciete wettelijke mogelijkheid bestaat om een EAB te toetsen. Impliciet is deze mogelijkheid er volgens de Duitse advocaat ook niet, maar volgens de Duitse autoriteit wel. In de laatste aanvullende informatie werden er nog een aantal uitspraken van 7 respectievelijk 6 jaar geleden genoemd met een verwijzing naar een Duitse databank. Het is de raadslieden niet gelukt om deze databank te benaderen. De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat – mocht de rechtbank deze uitspraken bij haar overwegingen willen betrekken – dat deze uitspraken vertaald dienen te worden verstrekt. Overigens gaan deze uitspraken, blijkens de aanvullende email van de Duitse autoriteit over gevallen waarin de rechter een EAB had uitgevaardigd en daarmee per definitie niet over een soortgelijke situatie als in de zaak van de opgeëiste persoon. Sinds de arresten OG en PI, PF en met name MM (C-414/20 PPU) verlangt het Hof van Justitie niet uitsluitend dat de uitvaardiging van een EAB berust op een wettelijke bevoegdheid, maar tevens dat de beslissing tot uitvaardiging van dat Europees aanhoudingsbevel kan worden onderworpen aan daadwerkelijke rechterlijke bescherming. Pas met het arrest van het Hof van Justitie in MM van 13 januari 2021 verschoof de focus naar een andere, onderscheiden rechtsvraag, namelijk of de opgeëiste persoon beschikt over een effectief rechterlijk rechtsmiddel tegen de beslissing tot uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel. Die laatste vraag komt in de door de GEA aangehaalde uitspraken niet aan de orde en gaat het ook enkel om door een rechter uitgevaardigde EAB’s. Geen enkele van de genoemde zaken bevat de verwijzing van de artikelen 98 en 131 StPO waar de Duitse autoriteit naar verwijst. De raadslieden hebben zich ten aanzien van het antwoord op de vierde (door de rechtbank) gestelde vraag op het standpunt gesteld dat, hoewel het er niet expliciet staat, blijkt dat de evenredigheid van het EAB niet aan de orde is gesteld. De conclusie is dat er niet getoetst is door een rechter voorafgaand aan uitvaardiging van het EAB door de Duitse autoriteit. Er is ook geen mogelijkheid voor de opgeëiste persoon om voor feitelijke overlevering die toetsing nog te laten plaatsvinden. Waarbij het moet gaan om een inhoudelijke effectieve toets van de proportionaliteit en evenredigheid van het EAB. 4.3 Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. De officier van justitie heeft in het kader van de effectieve rechtsbescherming verwezen naar de verwijzingsuitspraak van de rechtbank waarbij zij uitleg geeft over het arrest Svishtov Regional Prosecutor’s Office . De officier van justitie noemt twee routes (haar primaire en subsidiaire standpunt) waarmee volgens haar is voldaan aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming. De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat is voldaan aan de vereisten voor de effectieve rechterlijke bescherming omdat de opgeëiste persoon de mogelijkheid heeft het uitvaardigen van het EAB door een rechter te laten toetsen voorafgaand aan de feitelijke overlevering. Op basis van de informatie die reeds beschikbaar was bij de vorige behandeling en de verstrekte aanvullende informatie kan worden geconcludeerd dat er een mogelijkheid is om een opsporingsbevel – waaronder het EAB – voor te leggen aan een rechter o.g.v. artikel 98, tweede lid jo artikel 131 StPO. Dat deze mogelijkheid er ook is voorafgaand aan de feitelijke overlevering maakt de officier van justitie op uit de informatie uit de mail van 9 maart 2026 en de mail van 11 maart 2026 van 13:53 uur waarin staat “ Incidentally, a request for a court ruling may be submitted by the defense at any time (without being bound by a deadline) .” Hiermee wordt voldaan aan hetgeen gesteld in punt 57 van het arrest PI, te weten: “Indien pas na de overlevering van de gezochte persoon de mogelijkheid bestaat om de beslissing van een openbaar aanklager tot uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel rechterlijk te laten toetsen, wordt dus niet voldaan aan de verplichting die op de uitvaardigende lidstaat rust om procedureregels toe te passen die een bevoegde rechterlijke instantie in staat stellen om voorafgaand aan die overlevering de rechtmatigheid te toetsen van het nationaal aanhoudingsbevel of van de gelijkwaardige rechterlijke beslissing, die eveneens door een openbaar aanklager wordt vastgesteld, dan wel van dat Europees aanhoudingsbevel.” Dat de opgeëiste persoon geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om het uitvaardigen van het EAB rechterlijk te laten toetsten voorafgaand aan de overlevering doet er niet aan af dat deze mogelijkheid er wel was. In dit geval is er dus effectieve rechterlijke bescherming op het niveau van het EAB. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat aan het vereiste van effectieve rechterlijke bescherming is voldaan op het niveau van het nationale aanhoudingsbevel. Bij het uitvaardigen van het NAB had de rechter beschikking tot het volledige dossier. Het was evident in dat dossier dat de opgeëiste persoon niet in Duitsland verbleef. In punt 41 van de “ Guidelines on Criminal Procedure and Administrative Fines Procedure ” staat dat de officier van justitie, en dus ook de gedelegeerde Europese aanklager “ will have a search notice entered in the relevant databases. According to paragraph 2 of that provision, it is the rule for extraditable offences that the prosecutor not only launches a national search notice, but simultaneously in all EU Member States, based on a EAW, unless it is unproportional .” De uitvaardigende justitiële autoriteit stelt dat het voor de rechter die het NAB uitvaardigde daarom duidelijk was dat een Europees aanhoudingsbevel zou volgen op het NAB. Daar komt bij dat de opgeëiste persoon de mogelijkheid heeft gehad – en hiervan gebruikt heeft gemaakt – om beroep in te stellen tegen het uitvaardigen van het nationale aanhoudingsbevel. In het appelschriftuur wordt verwezen naar het EAB. Daarin staat het volgende: “Het verzoek is ontvankelijk omdat het bevel tot voorlopige hechtenis de grondslag vormt voor een Europees aanhoudingsbevel van het Europees Openbaar Ministerie, op grond waarvan [de opgeëiste persoon] in Nederland werd aangehouden. Het Europees aanhoudingsbevel is thans buiten tenuitvoerlegging gesteld.” In de beslissing van Landgericht München van 13 april 2026 wordt nadrukkelijk ingegaan op het vluchtgevaar en dat minder ingrijpende middelen dan voorlopige hechtenis niet aan de orde zijn. Hierbij wijst het Landgericht München ook nog nadrukkelijk op het EAB: “Daaraan staat evenmin in de weg dat verdachte zich tot dusver niet aan de procedure heeft onttrokken en in de overleveringsprocedure aan zijn meldplicht voldoet. Een eventuele vlucht werd hem tot dusver ook vanwege het bestaande Europees aanhoudingsbevel en de daarmee verbonden opsporingsmaatregelen in doorslaggevende mate bemoeilijkt.” De officier van justitie heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een expliciete toetsing van de voorwaarden van het uitvaardigen van het EAB door de rechter bij de uitvaardiging of beoordeling van het NAB. Het is een impliciete toets geweest, waarbij het zowel bij het uitvaardigen van het NAB, als bij de twee beroepsprocedures die daarop zijn gevolgd evident was dat er een EAB was uitgevaardigd door de gedelegeerde Europese aanklager op basis van dat NAB. Het Landsgericht München oordeelt dat het bestaan van het EAB ervoor heeft gezorgd dat vluchten werd bemoeilijkt voor de opgeëiste persoon en gebruikt het EAB daarmee als argument om vluchtgevaar te onderbouwen ten behoeve van het NAB. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ondanks deze impliciete toets voldaan is aan de effectieve rechterlijke bescherming op het niveau van het NAB. Vooral omdat de opgeëiste persoon, zoals voorgeschreven in punt 57 van het arrest PI, de mogelijkheid heeft gehad om voorafgaand aan de feitelijke overlevering appel in te stellen tegen het uitvaardigen van het NAB, waarbij het evident was dat er een EAB was uitgevaardigd en dat opgeëiste persoon daar ook al voor was aangehouden in Nederland. 4.5 Oordeel van de rechtbank Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank kennisgenomen van de beschikking van het Hof van Justitie van 2 juli 2026 in zaak C-446/26 PPU [Blerens]. In deze beschikking laat het Hof van Justitie zich uit, naar aanleiding van het prejudiciële verzoek van deze rechtbank , over de effectieve rechterlijke bescherming als bedoeld in artikel 47 van het Handvest en in het bijzonder over de beroepsmogelijkheden voor een opgeëiste persoon in een lidstaat tegen het uitvaardigen van een EAB. Hoewel de beschikking is gegeven in een Griekse zaak, acht de rechtbank het niet ondenkbaar dat deze ook gevolgen kan hebben voor onderhavige zaak. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het onderzoek te heropenen en te schorsen om de raadslieden en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de beschikking te betrekken bij hun standpunt in de onderhavige zaak. 5 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de raadslieden en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen na kennisneming van de beschikking van het Europese Hof van Justitie van 2 juli 2026 in zaak C-446/26 PPU [Blerens] op een volgende zitting hun standpunt kenbaar te maken. VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW met 60 dagen (tot 16 september 2026) onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid OLW. BEPAALT dat de zaak zo snel mogelijk weer op zitting wordt gepland (en uiterlijk op 2 september 2026, zijnde 14 dagen voor het einde van de verlengde beslistermijn). BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadslieden. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ÁG413126265561gÈ G413126265561 ECLI:NL:RBAMS:2026:153. ECLI:NL:RBAMS:2026:2798. ECLI:NL:RBAMS:2026:4717. Verwijzing naar de reactie van de Duitse autoriteit van 2 maart 2026. Rb Amsterdam 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10377. HvJ EU 2 juli 2026, C-446/26 PPU, ECLI:EU:C:2026:551 ( Blerens ). Zie voor de verwijzingsuitspraak: Rb. Amsterdam 6 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:6385.

Similar Content