Rechtbank Den Haag, 03-03-2026 (NL25.53093)
asiel, Somalië, afwijzing asielaanvraag kan niet in stand blijven, onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Afgooye, regio Lower Shabelle, geen reëel risico loopt op ernstige schade, eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afgooye een reëel risico op ernstige schade loopt wanneer hij over land van Mogadishu naar Afgooye reist, toename van Al Shabaab activiteiten sluit aan bij ambtsbericht Somalië april 2025, onvoldoende toegelicht door minister welke gevolgen de toegenomen aanwezigheid van Al Shabaab op en rond verbindingsroutes sinds november 2025 in algemene zin als ook concreet voor eiser heeft, hoeveel en waar checkpoints zijn niet concreet en inzichtelijk gemaakt, standpunt minister dat Al Shabaab de gebieden waarin Mogadishu en Afgooye zijn gelegen niet effectief zou controleren daarom niet deugdelijk gemotiveerd, evenmin dat wanneer eiser over de weg tussen Mogadishu en Afgooye reist er geen sprake zal zijn van een reëel risico op ernstige schade, gegrond.
Full text
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.53093 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Somalische nationaliteit, V-nummer: [nummer] , (gemachtigde: mr. B. de Haan), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. A.E. Geçer). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar zijn woonplaats Afgooye, in de regio Lower Shabelle, in Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend op 12 februari 2024. De minister heeft met het bestreden besluit van 22 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 2.3. De rechtbank heeft het beroep, tezamen met zaaknummer NL25.53094, op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser, bijgestaan door een tolk, deelgenomen, tezamen met zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser verklaart te zijn geboren op 1 januari 1985 te Afgooye, Somalië, dat hij de Somalische nationaliteit bezit en dat hij behoort tot de Digil en Mirfle bevolkingsgroep. Eiser hoorde op 2 maart 2022 schoten en zag mensen naar een winkel rennen. Eiser zag de winkelier zwaar gewond op de grond liggen waarna eiser besloot om hem naar het ziekenhuis te brengen. Eiser is later gebeld door Al Shabaab die hem vertelden dat hij een doelwit van hun had geholpen en daardoor zelf doelwit was geworden. Op 5 maart 2022 kwamen er drie mannen op eiser af die met hem mee wilden rijden. Eiser hoorde een klik en zag dat zij een pistool hadden die weigerde af te gaan. Op het moment dat ze het pistool aan het herladen waren, is eiser gevlucht. Een vriend van eiser heeft hem naar een andere vriend in Mogadishu gebracht waarna eiser 10 dagen later vanuit daar naar Kenia, Nairobi is gevlogen. Eiser vreest bij terugkeer voor Al Shabaab. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: - identiteit, nationaliteit, herkomst; - problemen met Al Shabaab. 4.1. De minister acht eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Eiser heeft zijn verklaringen over zijn identiteit niet onderbouwd met objectieve documenten en heeft daarvoor geen goede verklaring gegeven. Op basis van het herkomstonderzoek en de taalindicatie heeft de minister vastgesteld dat eiser afkomstig is uit Somalië en zijn herkomst en zijn nationaliteit geloofwaardig gevonden. 4.2. De problemen met Al Shabaab vindt de minister ongeloofwaardig. Eisers verklaringen daarover vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel; eiser voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vw. 4.3. De minister ziet in de geloofwaardig geachte nationaliteit en herkomst van eiser geen gegronde vrees voor vervolging. Dat eiser uit Somalië komt, is op zichzelf niet genoeg om als vluchteling te worden aangemerkt. 4.4. Verder loopt eiser volgens de minister bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade. De minister stelt zich op het standpunt dat Afgooye en Mogadishu onder controle staan van de federale overheid en dat eiser, wanneer hij over land van Mogadishu naar Afgooye reist, niet hoeft te reizen door rood gebied ofwel door gebied waarin Al Shabaab de macht of controle over heeft. De minister wijst daarbij op het Ambtsbericht Somalië van april 2025, het daarop gebaseerde beleid en het EUAA-rapport Country Guidance Somalia van oktober 2025, waaruit kan worden opgemaakt dat Mogadishu en Afgooye onder controle staan van de federale autoriteiten en dat sprake is van een situatie van ‘mixed control’ op het traject tussen beide steden. De minister erkent dat er checkpoints van Al-Shabaab zijn op de weg van Mogadishu naar Afgooye, maar ziet hierin onvoldoende aanleiding om effectieve controle door Al-Shabaab aan te nemen. Ten aanzien van deze regio’s gaat de minister bovendien uit van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De minister vindt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt door willekeurig geweld, mede gezien eiseres ongeloofwaardig gevonden verklaringen als gevolg waarvan moet worden aangenomen dat eiser persoonlijk geen extra risico loopt om slachtoffer te worden. 4.5. De minister wijst de asielaanvraag af als ongegrond. De beroepsgrond over de ongeloofwaardig gevonden identiteit 5. Eisers beroepsgrond dat de minister zijn identiteit ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden, slaagt niet. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser zijn identiteit onvoldoende met documenten heeft onderbouwd en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Eiser stelt dat hij zijn paspoort in de trein is verloren en dat hij niet wist hoe hij dit verlies en een mogelijke teruggave van zijn paspoort moest regelen. De minister heeft dit niet als een goede verklaring hoeven aanmerken. Van eiser mag worden verwacht dat hij pogingen onderneemt om het paspoort terug te krijgen door bijvoorbeeld navraag te doen bij het spoorwegpersoneel. Anders dan eiser op dit punt enkel heeft gesteld, is niet uit stukken gebleken dat eiser dergelijke inspanningen daadwerkelijk heeft verricht. De in beroep overgelegde kopieën van het paspoort en visum leiden niet tot een ander oordeel. Het betreft immers enkel kopieën waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld. Bovendien zijn de overgelegde stukken van zodanig slechte kwaliteit dat de daarin opgenomen persoonsgegevens niet of nauwelijks leesbaar en vast te stellen zijn. Deze kopieën betreffen derhalve ook geen objectieve onderbouwing van eisers identiteit. Evenmin valt uit deze kopieën af te leiden dat eiser concrete en verifieerbare pogingen heeft ondernomen om de originele documenten te achterhalen. De beroepsgrond over de ongeloofwaardig gevonden problemen met Al Shabaab 6. De rechtbank overweegt dat eiser enkel stelt dat dit asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig is gevonden. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij naar beste weten heeft verklaard en dat hij zich verder refereert aan het oordeel van de rechtbank hierover. Naar het oordeel van de rechtbank heeft hiermee onvoldoende concreet gemaakt op welke onderdelen de motivering van de minister ontoereikend of onjuist zou zijn. Ook in wat eiser zelf heeft aangegeven op zitting, waarin eiser alleen kort heeft herhaald wat hij in het nader gehoor naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister dit onderdeel van het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat asielmotief 2 ongeloofwaardig is. De beroepsgrond over geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer 7. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij terugkeer naar Afgooye geen reëel risico loopt op ernstige schade. 7.1. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. 7.2. De rechtbank overweegt eerst dat de minister in het bestreden besluit en in het verweerschrift met juistheid heeft gewezen op paragraaf C7/30.4.1.1. van de Vc. Hierin is bepaald dat in gebieden in Somalië waar Al Shabaab aan de macht is dan wel het gebied controleert, voor iedere terugkeerder een reëel risico bestaat op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Datzelfde risico wordt ook aangenomen voor een terugkeerder die afkomstig is uit een gebied waar Al-Shabaab niet aan de macht is of het gebied controleert, maar over land moet reizen waar Al-Shabaab wel de macht heeft of aldaar controleert. 7.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, die moet terugkeren naar Afgooye, voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstig schade wanneer hij over land van Mogadishu naar Afgooye reist. 7.4. Eiser heeft in dit verband terecht gewezen op recente informatie van 12 november 2025: Somalia’s Security Setback: How Al-Shabaab Regained Territory Under President Hassan Sheikh Mohamud . Hieruit volgt dat de veiligheidssituatie in Lower Shabelle is verslechterd en dat het traject tussen Mogadishu en Afgooye, ondanks overheidsinspanningen, grotendeels onveilig blijft, omdat er regelmatig wordt gepatrouilleerd en delen van het traject worden geblokkeerd door Al-Shabaab. Ook blijkt uit deze informatie dat in het gebied rond Mogadishu en langs de weg Mogadishu-Afgooye in recente maanden herhaaldelijk gevechten en aanvallen hebben plaatsgevonden: “ Lower Shabelle remains one of the most contested regions in southern Somalia. The corridor between Awdheegle and Airport No. 50 has been the scene of continuous clashes. Both sides have repeatedly gained and lost ground. Despite government efforts, the crucial Afgooye–Mogadishu highway remains largely insecure, and many roads are patrolled or blockaded by Al-Shabaab fighters .” 7.5. Ter zitting is door de minister desgevraagd bevestigd dat de informatie in de stukken waarop de minister zijn standpunt baseert, zoals in deze uitspraak weergegeven onder overweging 4.4, dateert van voor 12 november 2025. De minister heeft daarbij aangegeven dat voorafgaand aan de zitting navraag is gedaan bij de landenspecialist van TOELT en dat deze heeft bevestigd dat het EUAA-rapport van oktober 2025 voor het standpunt van de minister de meest recente informatie vormt. Verder heeft de minister erkend dat er sprake is van een toename van activiteiten van Al-Shabaab in de regio Lower Shabelle, waarin Afgooye is gelegen. 7.6. De rechbank overweegt verder dat de toename van activiteiten door Al Shabaab aansluit bij wat in het Algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025 hierover al is aangegeven. Daarin staat beschreven dat Al Shabaab in de laatste maanden van de verslagperiodes de controle in gebieden in Lower Shabelle, waarin Afgooye ligt, heeft veroverd en zijn positie (en controle) daar heeft bestendigd. De rechtbank wijst op de volgende passages in het algemeen ambtsbericht Somalië april 2025: “ Eind februari 202, aan het eind van de verslagperiode, zette Al Shabaab een offensief in de regio’s Middle en Lower Shabelle. Al-Shabaab was rond half maart 2025 Mogadishu tot op afstanden van tien tot enkele tientallen kilometers genaderd. Volgens de internetkrant Somali Guardian waren er berichten dat Al-Shabaab in dit gebied op de uitvalswegen van Mogadishu controleposten had ingesteld” . En “De autoriteiten bleken niet of onvoldoende in staat geweest om herwonnen gebieden duurzaam onder controle te krijgen en te stabiliseren. Ook in door de federale regering gecontroleerde gebieden had Al-Shabaab nog een vorm van controle. Daarmee had Al-Shabaab meer controle dan op het eerste gezicht het geval leek. (…) Volgens verschillende bronnen koos Al-Shabaab ervoor stedelijke gebieden en de bases van ATMIS die zich daar bevonden niet over te nemen. De groep gaf er de voorkeur aan af en toe aanvallen te doen om aan wapens en materieel te komen, om zich vervolgens weer terug te trekken in de rurale gebieden. De stedelijke gebieden die in handen van de overheid waren, waren over het algemeen belegerd door Al-Shabaab in de omringende gebieden .” 7.7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het verweerschrift noch op zitting concreet kunnen toelichten welke gevolgen de toegenomen aanwezigheid van Al-Shabaab op en rond de verbindingsroutes sinds november 2025 in algemene zin als ook concreet voor eiser heeft. De minister heeft daarbij niet concreet en inzichtelijk gemaakt hoeveel checkpoints er zijn, waar deze zijn gesitueerd en in hoeverre of op welke wijze deze door eiser zijn te vermijden. 7.8. Gelet op de bovengenoemde omstandigheden heeft de minister zijn standpunt dat Al Shabaab niet de gebieden waarin Mogadishu en Afgooye zijn gelegen niet effectief controleert, niet deugdelijk gemotiveerd. De minister heeft evenmin zijn standpunt dat wanneer eiser over de weg tussen Mogadishu en Afgooye reist, er geen sprake zal zijn van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, niet deugdelijk gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit, gelet op rechtsoverweging 7, niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en wijst de zaak terug naar de minister. 8.1. De minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister zal opnieuw moeten beoordelen of bij terugkeer sprake is van een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De minister dient daarbij, mede aan de hand van de door eiser overgelegde informatie, te onderzoeken of in de gebieden waarin Mogadishu en Afgooye gelegen zijn, Al Shabaab aan de macht is dan wel of deze de gebieden controleert. Wanneer hiervan geen sprake is, dient de minister te beoordelen of de omstandigheid dat eiser over delen van land (wegen) moet reizen waar Al-Shabaab de macht over heeft of deze middels checkpoints controleert, eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. 8.2. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak. 8.3. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 22 oktober 2025; - draagt de minister op binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aissa, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekend gemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 Bld 17 van het algemeen ambtsbericht Somalië april 2025. Pagina’s 22 en 23 van het algemeen ambtsbericht Somalië april 2025.