Rechtbank Amsterdam, 16-07-2026 (13-122806-26 (EAB I))
Executie-EAB uit België. Artikel 12 OLW: situatie als bedoeld in artikel 12, onder c, OLW. Artikel 11 OLW: detentiegarantie voldoende. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-122806-26 (EAB I) Datum uitspraak: 16 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 11 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 april 2026 door het Parquet du Procureur du Roi près le tribunal de première instance de Liège, division Liège (Public prosecutor’s office at the court of first instance in Liège), België, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedag] 2003, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.L. Crutzen, advocaat in Heerlen, en door een tolk in de Franse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van het Tribunal correctionnel de Liège , afdeling Luik, van 18 februari 2025, met referentie LI43.LA.047638/24 (veroordeelde nr 2025/831 - vonnis nr 2025/635). De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg van het Tribunal correctionnel de Liège , afdeling Luik, van 18 februari 2025. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Uit het EAB blijkt dat deze beslissing op 28 februari 2025 in persoon aan de opgeëiste persoon is betekend toen hij gedetineerd was in de gevangenis van Lantin en dat hij daarbij uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep aangetekend. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder c, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. 4 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Het feit levert naar Nederlands recht op: poging tot zware mishandeling. 5 Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden Inleiding Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. Bij brief van 23 juni 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is de volgende garantie gegeven: “ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden? [opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Marche-en-Famenne. 2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling? België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering: - De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten. - De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair. o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau. - De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen. - Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten. 3 Sanitaire en hygiëne omstandigheden Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren .” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft aangevoerd dat de detentiegarantie van 23 juni 2026 mogelijk niet zal worden nageleefd en de detentieomstandigheden mogelijk anders zijn dan in de garantie staat. Bovendien is het niet duidelijk of de opgeëiste persoon na verloop van tijd zal worden overgeplaatst naar een andere detentie-instelling dan Marche-en-Famenne wegens ruimtegebrek, en of de detentieomstandigheden in die andere instelling voldoende zijn. Het is van belang dat de opgeëiste persoon zijn straf in België op een veilige plek kan uitzitten en dat hij niet wordt overgeplaatst naar de detentie-instelling van Lantin. De opgeëiste persoon heeft eerder vastgezeten in de detentie-instelling van Lantin en heeft daarover gezegd dat het daar voor hem niet veilig is vanwege andere personen die daar gedetineerd zitten. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Er is geen recente informatie beschikbaar waaruit blijkt dat sprake is van een zodanige verslechtering van de omstandigheden in Marche-en-Famenne dat getwijfeld moet worden of de garantie kan worden nageleefd. Oordeel van de rechtbank De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 23 juni 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. Uit de individuele detentiegarantie blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden gedetineerd in Marche-en-Famenne, zodat de rechtbank alleen de detentieomstandigheden in die detentie-instelling dient te onderzoeken. De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon geen reëel gevaar bestaat dat hij aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt onderworpen, omdat het gevaar daarvan met deze garantie voor hem is weggenomen. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de informatie en de garanties die door de Belgische autoriteiten zijn gegeven. De raadsman heeft niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd dat in het specifieke geval van de opgeëiste persoon de gegeven detentiegarantie niet meer zal kunnen worden nageleefd of dat hij op korte termijn zal worden overgeplaatst naar een andere detentie-instelling. Bovendien is door de Belgische autoriteiten in de zaken waarin navraag is gedaan of de detentiegarantie gelet op voornoemde omstandigheden nog wel kon worden nageleefd, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de detentie-instelling in Mechelen, nogmaals gegarandeerd dat verstrekte detentiegaranties ondanks de overbevolking worden nageleefd. Artikel 11 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 45 en 302 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Parquet du Procureur du Roi près le tribunal de première instance de Liège, division Liège (Public prosecutor's office at the court of first instance in Liège) (België) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Westerman, voorzitter, mrs. L. Sanders en E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie ECLI:NL:RBAMS:2022:7536. Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML , ECLI:EU:C:2018:589. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 12 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2533.