Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:21228 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 28-07-2026 (NL25.3537 en NL25.3538)

Rechtbank Den Haag
Summary

Deze uitspraak gaat over het geweigerde verzoek om opheffing van het terugkeerbesluit en het wissen van de persoonsgegevens uit het SIS. De rechtbank beoordeelt of eiser voldoende procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep nu het terugkeerbesluit is vervallen doordat eiser heeft voldaan aan de vertrekplicht en nu de signalering is gewist uit het SIS. Ook beoordeelt de rechtbank of er aanleiding bestaat om de proceskosten te vergoeden. De rechtbank/voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL25.3537 (beroep) NL25.3538 (voorlopige voorziening) V-nummer: [v-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedag] 1998, van Bengalese nationaliteit, eiser, (gemachtigde: mr. L. Soedamah) en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. F. Witteman). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over het geweigerde verzoek om opheffing van het terugkeerbesluit en het wissen van de persoonsgegevens uit het SIS . De rechtbank beoordeelt of eiser voldoende procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep nu het terugkeerbesluit is vervallen doordat eiser heeft voldaan aan de vertrekplicht en nu de signalering is gewist uit het SIS. Ook beoordeelt de rechtbank of er aanleiding bestaat om de proceskosten te vergoeden. 1.2. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 1 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier in het kader van studie van eiser ingetrokken. Ook heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken en is eiser gesignaleerd in het SIS. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 2.1. Met het besluit van 14 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. 2.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. 2.3. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en eiser heeft hierop gereageerd. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van verweerder was hierbij aanwezig. Gemachtigde van eiser en eiser zijn met voorafgaande berichtgeving niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Over het griffierecht 3. Eiser heeft verzocht om vrijgesteld te worden van de verplichting tot het betalen van griffierecht vanwege betalingsonmacht. De rechtbank stelt op basis van de bij het verzoek overgelegde verklaring omtrent de afwezigheid van vermogen vast dat eiser aan de voorwaarden voor vrijstelling voldoet. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen. Waar gaat deze zaak over 4. Eiser is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor studie van 15 augustus 2022 tot 30 november 2026. Eiser is met ingang van 31 augustus 2023 door de [school] afgemeld wegens onvoldoende studievoortgang. Vervolgens heeft verweerder op 19 januari 2024 via een voornemen aan eiser laten weten dat hij voornemens is de verblijfsvergunning in te trekken. Met het primaire besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning ingetrokken en met het bestreden besluit is hij bij dit oordeel gebleven. 4.1. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en hij heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij de behandeling van het beroep op het Schengengrondgebied mag afwachten. Op 14 augustus 2024 heeft eiser aangegeven de gronden gericht tegen de intrekking van de aan hem verleende vergunning niet te handhaven. Wel handhaaft hij het beroep voor zover dit gericht is tegen het verzoek om opheffing van het terugkeerbesluit en de signalering in het SIS. Eiser is namelijk naar Portugal gegaan, nadat hij zich uit Nederland heeft uitgeschreven. 4.2. Verweerder heeft per brief van 1 september 2025 laten weten dat het terugkeerbesluit is komen te vervallen en dat de SIS-signalering is gewist, omdat op 21 juli 2025 de Franse autoriteiten hebben laten weten dat eiser het Schengengrondgebied heeft verlaten. Eiser heeft zodoende aan zijn vertrekplicht voldaan. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Hij meent dat er niet langer procesbelang bestaat bij de behandeling van het beroep. 4.3. Eiser heeft hierop gereageerd en aangegeven dat het procesbelang volgens hem nog steeds bestaat. Eiser brengt naar voren dat het terugkeerbesluit concrete rechtsgevolgen heeft gehad voor hem, waaronder het beëindigen van zijn verblijf en het feitelijk afdwingen van zijn vertrek uit het Schengengrondgebied. Er bestaat daarom volgens eiser een evident belang bij vaststelling van de (on)rechtmatigheid van het besluit, mede in het kader van een mogelijke schadevergoeding en een proceskostenveroordeling conform artikel 8:75 van de Awb . Procesbelang 5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser voldoende procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep nu het terugkeerbesluit is komen te vervallen en de SIS-signalering is opgeheven. 5.1. De bestuursrechter hoeft een bij hem ingediend beroep alleen inhoudelijk te beoordelen, als dit van betekenis is voor de beslechting van het geschil over het voorliggende besluit. Daarbij geldt dat het doel dat de indiener voor ogen heeft met het ingestelde rechtsmiddel moet kunnen worden bereikt en voor hem feitelijk van betekenis is. De indiener moet dus een actueel en reëel belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Als dat belang is vervallen, is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. 5.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep. Hij heeft namelijk bereikt wat hij met het beroep wilde bereiken, de opheffing van het terugkeerbesluit en de SIS-signalering. De vraag of verweerder moet worden veroordeeld tot het vergoeden van proceskosten, geeft onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Dat geldt ook voor de door eiser gestelde benadeling. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Proceskostenvergoeding 6. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. 6.1. De rechtbank overweegt dat ook bij een niet-ontvankelijk beroep aanleiding kan bestaan om het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank moet hiervoor beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen of dat het procesbelang anderszins door zijn toedoen is vervallen. Van tegemoetkomen is geen sprake als een in beroep bestreden besluit is gewijzigd wegens veranderde omstandigheden. 6.2. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een tegemoetkoming van verweerder, omdat het terugkeerbesluit en de SIS-signalering niet zijn opgeheven vanwege de gronden die door eiser zijn aangevoerd. Het terugkeerbesluit en de SIS-signalering zijn opgeheven vanwege een nieuwe omstandigheid, namelijk het bericht van de Franse autoriteiten dat eiser het Schengengrondgebied heeft verlaten. De SIS-signalering is dus niet opgeheven door een onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit. Daarom bestaat er geen aanleiding om verweerder tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen. Conclusie en gevolgen 7. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. 8. Nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder het nummer NL25.3537, - verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder NL25.3538, - wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Schengen Informatie Systeem. Algemene wet bestuursrecht. Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2927. Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1423 en van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2140 en meer recent van 1 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1565. Uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855. Uitspraak van de Afdeling van 8 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1084.

Similar Content