Skip to content
Case Law · Raad van State ·ECLI:NL:RVS:2026:4440 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Raad van State, 29-07-2026 (202500299/1/A3)

Raad van State
Summary

Bij besluit van 15 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht een verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. Bij besluit van 8 juni 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Full text

202500299/1/A3. Datum uitspraak: 29 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant] alias [naam] (hierna: [appellant]), wonend in Maastricht, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 13 december 2024 in zaak nr. 21/1869 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Maastricht. Procesverloop Bij besluit van 15 oktober 2020 heeft het college een verzoek van [appellant] om wijziging van zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. Bij besluit van 8 juni 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 juli 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. D. Gürses, advocaat in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door J.L.M. van den Broek, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. appellant] heeft het college verzocht zijn in de brp geregistreerde voornaam en geslachtsnaam te wijzigen van [appellant] naar [naam], omdat de in de brp geregistreerde identiteit vals is en hij niet meer kan leven met deze leugen. Zijn in de brp geregistreerde namen [appellant] heeft hij in 1995 verstrekt in het kader van een asielprocedure en zijn in de brp geregistreerd na een hiertoe strekkende verklaring onder ede. Ook heeft [appellant] op basis van deze gegevens de Nederlandse nationaliteit verkregen. 1.1. Aan zijn verzoek heeft [appellant] documenten ten grondslag gelegd. Het gaat om meerdere exemplaren van geboorteaktes van [geboortedatum 1] 2016 en [geboortedatum 2] 2016 en één van [geboortedatum 3] 2018, een Algerijns paspoort, afgegeven op [geboortedatum 4] 1981, een Algerijnse identiteitskaart, afgegeven op [geboortedatum 5] 197?(onleesbaar), een Algerijnse identiteitskaart die is afgegeven op [geboortedatum 3] 2004 en een uittreksel van een Algerijnse huwelijksakte van 14 mei 2012. De identiteitskaart uit 2004 bleek een fotokopie te zijn. De overige stukken zijn door Bureau Documenten van de IND echt bevonden, maar over de opmaak en afgifte kon wegens het ontbreken van voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal geen waardeoordeel worden gegeven. 2. Het college heeft het verzoek afgewezen. Uit de overgelegde documenten volgt niet buiten redelijke twijfel dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn, omdat gelet op de conclusies van Bureau Documenten en omdat er geen andersluidend deskundigenrapport is ingebracht niet is komen vast te staan dat ze correct zijn opgemaakt en zijn afgegeven door een daartoe bevoegde persoon of instantie. Daarnaast is niet komen vast te staan dat de door [appellant] overgelegde documenten van [naam] op hem ([appellant]) betrekking hebben. Het overgelegde gezichtsvergelijkende onderzoeksrapport van Securitech kan ondersteunend aanvullend bewijs zijn, nu daarin wordt geconcludeerd dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gesteld kan worden dat op de pasfoto’s in de Algerijnse identiteitskaart uit 197? en het paspoort uit 1981 van [naam] dezelfde persoon staat als op de pasfoto van de Nederlandse identiteitskaart van [appellant] uit 2015. Het college hecht in dit geval echter meer waarde aan de verklaring van het gezichtsvergelijkende onderzoek van Bureau Documenten van de IND, waarin slechts redelijke steun is uitgesproken voor de hypothese dat de afgebeelde persoon op de Algerijnse documenten van [naam] dezelfde persoon is als op de pasfoto van [appellant] uit 2003 en die van zijn Nederlandse identiteitskaart uit 2015. Omdat in die verklaring niet is geconcludeerd dat er zeer veel steun is voor de hypothese dat de afgebeelde personen dezelfde persoon betreft, is er onvoldoende duidelijkheid dat de documenten van [naam] betrekking hebben op [appellant]. Daarbij komt dat [naam] vier broers heeft, wat er net als in de uitspraken van de Afdeling van 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487, en van 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:960, temeer op duidt dat áls de identiteit van [appellant] al onjuist is, geen uitsluitsel kan worden gegeven of juist de op de overgelegde documenten vermelde identiteit aan [appellant] toebehoort. Rechtbankuitspraak 3. De rechtbank heeft, na een uiteenzetting van het toetsingskader uit de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1198, als volgt geoordeeld. Het is de vraag of het college de authenticiteit van de brondocumenten voldoende gemotiveerd heeft betwist door uitsluitend te verwijzen naar de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten. Dat Bureau Documenten simpelweg géén onderzoek heeft gedaan naar de afgifte en opmaak, betekent niet automatisch dat de afgifte en opmaak niet in orde zijn. Het college heeft echter wel voldoende gemotiveerd dat niet is komen vast te staan dat de op de brondocumenten vermelde gegevens betrekking hebben op [appellant]. De conclusie van Bureau Documenten ten aanzien van het gezichtsvergelijkende onderzoek betreft de eennalaagste kwalificatie en geeft daarmee weinig zekerheid. Er is geen aanleiding om dit onderzoek als onzorgvuldig of onvoldoende concludent te beschouwen en het college heeft hieraan mogen vasthouden, ondanks de afwijkende conclusies in het rapport van Securitech. Bij het afwegen van de waarde van de twee onderzoeken heeft het college volgens de rechtbank mogen betrekken dat [appellant] al 24 jaar onder zijn huidige naam staat ingeschreven, hij onder ede heeft verklaard dat hij deze persoon is en ook bij zijn naturalisatie heeft moeten aangeven dat hij deze persoon is. Bovendien speelt net als in de uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2023 de omstandigheid dat [appellant] heeft verklaard dat hij vier broers heeft en ook [naam] iemand is met broers. De rechtbank volgt het college dan ook in haar conclusie dat het gezichtsvergelijkende onderzoek geen uitsluitsel geeft of de op de overgelegde documenten vermelde identiteit van [naam] aan [appellant] toebehoort. Er blijft gerede twijfel bestaan over de juistheid van de wijziging in de brp. Omdat niet is vast komen te staan dat de op de brondocumenten vermelde gegevens betrekking hebben op [appellant], volgt niet uit de overgelegde documenten dat de daarin vermelde persoonsgegevens juist zijn en aan [appellant] toebehoren. Daarom kunnen de gewenste gegevens niet in de brp verwerkt worden. Opmerkingen vooraf over de omvang van het geschil en ontvankelijkheid 4. Het college heeft naar voren gebracht dat [appellant] niet-ontvankelijk is en dat de Afdeling dus geen oordeel zou mogen geven over het hoger beroep, omdat gezien het tijdsverloop tussen de registratie van de gegevens in de brp en het wijzigingsverzoek sprake is van rechtsverwerking en misbruik van recht. De Afdeling volgt dit niet. De wetgever heeft de mogelijkheid om te verzoeken om wijziging van in de brp geregistreerde gegevens niet beperkt in duur en evenmin een mogelijkheid geboden om een aanvraag in meer specifieke maar daaraan gerelateerde gevallen niet in behandeling te nemen omdat sprake is van misbruik van recht. Nu het college er verder voor heeft gekozen een inhoudelijk besluit te nemen en dit is getoetst door de rechtbank, en de redenering van het college over misbruik van recht verder niet is gebaseerd op het procedeergedrag van [appellant] in (hoger) beroep, is [appellant] ontvankelijk in zijn hoger beroep teneinde de juistheid van het oordeel van de rechtbank en daarmee van het onderliggende besluit van het college te laten toetsen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:4332, onder 4.1. 4.1. Verder zal de Afdeling zich, nu het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het besluit van 8 juni 2021 voorligt, beperken tot de door het college beoordeelde en aan het wijzigingsverzoek ten grondslag gelegde documenten. Uit een nader stuk, dat niet van een toelichting is voorzien maar dat wel op de zitting bij de Afdeling is toegelicht, blijkt dat [appellant] sinds de rechtbankuitspraak nog andere documenten heeft verkregen en aan het college heeft overgelegd. Over deze documenten bestaat op dit moment echter nog teveel onduidelijkheid ten aanzien van de wijze van verkrijging, de authenticiteit en de inhoud. Deze documenten kan [appellant] desgewenst aan een nieuw wijzigingsverzoek ten grondslag leggen. Ook zal de Afdeling zich niet uitlaten over het standpunt van het college dat de overgelegde documenten qua rangorde onvoldoende zijn om het rectificatieverzoek toe te wijzen, aangezien dat standpunt niet in de besluitvorming is neergelegd en aldus evenmin is getoetst door de rechtbank. Hoger beroep 5. In de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4980, heeft de Afdeling uiteengezet hoe gemeenten moeten omgaan met verzoeken tot wijziging van identiteitsgegevens in de brp. De Afdeling verwijst voor het toetsingskader naar die uitspraak en zal dit toepassen bij de beoordeling van het hoger beroep. 6. In hoger beroep betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gezichtsvergelijkende onderzoek geen uitsluitsel biedt of de op de overgelegde documenten vermelde identiteit aan hem toebehoort. De documenten zijn immers echt en Securitech, een ter zake kundig bureau dat zorgvuldig te werk is gegaan, heeft geconcludeerd dat de personen op de foto’s met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk dezelfde persoon zijn. Het paspoort heeft volgens [appellant] op zichzelf al voldoende bewijswaarde, omdat het echt is bevonden en het college heeft aangegeven niet langer te twijfelen over de gang van zaken bij afgifte daarvan. De rechtbank heeft miskend dat het door hem overgelegde fotovergelijkende onderzoek geen zelfstandige bewijskracht heeft, maar slechts aanvullend bewijs is ter ondersteuning van het al ingebrachte bewijs. Aangezien de gegevens in het paspoort overeenkomen met de gegevens in de overige documenten, moet worden aangenomen dat ook deze documenten op [appellant] betrekking hebben. 6.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9.1.4. tot en met 9.1.7. opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat de omstandigheid dat een fotovergelijkend onderzoek onder omstandigheden aanvullend bewijs is, niet maakt dat het door het college bij de besluitvorming betrokken gezichtsvergelijkende onderzoek van Bureau Documenten betekenisloos is. Zoals de Afdeling onder meer in de uitspraak van 22 oktober 2025, onder 9, heeft overwogen, heeft een aanvrager de bewijslast dat het brondocument dat hij ten grondslag legt aan zijn wijzigingsverzoek betrekking heeft op hem, waarbij de aanvrager in reactie op een gemotiveerd standpunt dat documenten mogelijk geen betrekking hebben op de aanvrager, zoals nu, aannemelijk moet maken dat hij wel degene is over wie het document gaat. Het paspoort en de identiteitskaart zijn lang geleden afgegeven en de conclusies in beide rapporten laten de mogelijkheid open dat de in de documenten genoemde persoon niet [appellant] is. Een redelijke bewijslastverdeling brengt dan ook mee dat [appellant] meer bewijs moet aanleveren om aannemelijk te maken dat de brondocumenten betrekking hebben op hem, bijvoorbeeld door recent afgegeven identiteitsdocumenten van [naam] te overleggen of door in reactie op het college en de rechtbank zijn gestelde broers in het gezichtsvergelijkend onderzoek te betrekken. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat naar de huidige stand van zaken niet is komen vast te staan dat de op de documenten vermelde gegevens betrekking hebben op [appellant]. Conclusie 7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier. w.g. De Groot voorzitter w.g. Van de Sluis griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026 802

Similar Content