Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17-07-2026 (BRE 25/27 en 25/29)
8:55 Verzet ongegrond.
Full text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummers: BRE 25/27 en 25/29 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 op het verzet van [belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. Deze uitspraak op het verzet van belanghebbende gaat over de uitspraak van de rechtbank van 26 januari 2026 waarin de rechtbank de beroepen van belanghebbende ongegrond heeft verklaard. De beroepen zien op de naheffingsaanslagen omzetbelasting met aanslagnummers [aanslagnummer 1] .F.03.9506 en [aanslagnummer 2] .F.03.1506 voor de tijdvakken 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019 en 1 januari 2020 tot en met 31 december 2021. 1.1. Belanghebbende heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 26 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat de beroepen ongegrond zijn. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. 2.1. Belanghebbende voert in verzet aan hij een tijd in hechtenis gehouden, omdat hij niet goed geregistreerd stond als inwoner op het adres [adres 1] in [plaats 1] en er een periode is geweest dat hij zijn post niet kon inzien. 2.2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 2.3. Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift met dagtekening 17 januari 2023 aangegeven dat hij de aanslagen op 16 januari 2023 heeft ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat de bezwaren buiten de bezwaartermijn zijn ingediend. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de bezwaren verschoonbaar te laat zijn ingediend. De termijnoverschrijding is verschoonbaar indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 2.4. De rechtbank is van oordeel dat in de uitspraak van 26 januari 2026 terecht is overwogen dat in dit geval de vermeende onjuiste adressering niet aan de inspecteur is te wijten. Belanghebbende stond in de periode van 9 maart 2022 tot 25 juni 2024 niet ingeschreven in de basisregistratie persoonsgegevens. De aanslagen zijn om die reden verzonden naar het bij de inspecteur laatst bekende adres van belanghebbende. 2.5. Belanghebbende en gemachtigde zijn sinds 11 oktober 2021 in gesprek met de inspecteur naar aanleiding van een boekenonderzoek. De inspecteur heeft aangegeven dat belanghebbende tijdens de controle heeft aangegeven op het adres [adres 2] in [plaats 2] bereikbaar te zijn. In het controlerapport komt dit adres van belanghebbende ook terug. Op 23 augustus 2022 heeft er een eindgesprek plaatsgevonden. Indien het adres niet juist was, had het op de weg van belanghebbende en gemachtigde gelegen om dit bij de inspecteur te melden. Uit de brief van gemachtigde aan de inspecteur van 26 april 2024 volgt naar het oordeel van de rechtbank ook dat de inspecteur tot die datum uit mocht gaan van het adres [adres 2] in [plaats 2] . 2.6. De rechtbank is niet gebleken dat de in verzet geschetste omstandigheden ertoe hebben geleid dat de beroepen na het verstrijken van de termijn zijn ingediend als gevolg van een niet aan belanghebbende toe te rekenen omstandigheid. De rechtbank acht ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid aan de zijde van belanghebbende. Belanghebbende is verantwoordelijk voor het tijdig doorgeven van een adreswijziging. Belanghebbende voert aan dat er sprake is geweest van hechtenis en dat hij zijn post niet kon inzien, maar niet duidelijk is op welke periode dit ziet en de stelling is ook niet onderbouwd met nadere (bewijs)stukken. Belanghebbende staat bovendien pas sinds 25 juni 2024 ingeschreven op het adres [adres 1] in [plaats 1] . Conclusie en gevolgen 3. De gronden van het verzet slagen niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 26 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier. griffier rechter De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Dit volgt uit artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:11 van de Awb.