Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:21114 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 28-07-2026 (NL26.40579)

Rechtbank Den Haag
Summary

Bewaring – eerste beroep - artikel 59, eerste lid aanhef en onder a Vw – kennisgeving – omzetting maatregel – ongegrond – geen pkv.

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.40579 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiserV-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.E. Temmen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Cambier). Procesverloop Bij besluit van 17 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 22 juli 2026 zijn gronden van beroep ingediend. Op 24 juli 2026 heeft verweerder hierop gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 27 juli 2026 gesloten. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 1. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. Onverwijlde kennisgeving 2. In artikel 94, eerste lid, van de Vw is onder meer bepaald dat verweerder onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59, de rechtbank hiervan in kennis stelt. 3. Aan eiser is op 17 juli 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder heeft op 20 juli 2026 de rechtbank hiervan in kennis gesteld. 4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de rechtbank niet onverwijld in kennis gesteld van de maatregel van vreemdelingenbewaring, nu hij de kennisgeving pas drie dagen na het opleggen van de maatregel heeft verzonden. Er is dus sprake van een gebrek. 5. Dit gebrek raakt echter niet rechtstreeks aan de rechtmatigheid van de maatregel en brengt dus niet automatisch mee dat de maatregel onrechtmatig is en daarom moet worden opgeheven. Bij de beantwoording van de vraag of de maatregel onrechtmatig is, is er ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat die belangenafweging in dit geval in het voordeel van verweerder uitvalt omdat de rechtbank zonder problemen nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel, uitspraak kan doen over de rechtmatigheid daarvan. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de bewaring en verder is niet gebleken dat hij nadeel heeft ondervonden door de niet onverwijlde kennisgeving. Het belang van verweerder bij voortzetting van de maatregel weegt in dit geval dan ook zwaarder. De rechtbank ziet daarom in dit gebrek geen reden om de maatregel op te heffen. Omzetting van de maatregel 6. Eiser voert aan dat hij eerder op grond van artikel 59b van de Vw in bewaring heeft gezeten. Vanwege het ontbreken van het exacte tijdstip van intrekking van zijn asielaanvraag en opheffing van de vorige maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw, is het volgens eiser niet mogelijk om te controleren of zijn inbewaringstelling binnen een termijn van 48 uur is hernieuwd. Ervan uitgaande dat de termijn van 48 uur is overschreden dient op die grond volgens eiser over te worden gegaan tot gegrondverklaring van dit beroep. 7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Volgens vaste rechtspraak dient verweerder een maatregel van bewaring binnen twee dagen om te zetten naar een andere grondslag indien deze niet langer op een juiste wettelijke grondslag berust. Uit het rechtbankdossier volgt dat eiser op 13 juli 2026 een asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft op 15 juli 2026 zijn asielaanvraag ingetrokken. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 17 juli 2026 de maatregel had moeten omzetten naar een andere grondslag. Dit is op die dag ook gebeurd, zodat de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring tijdig is omgezet. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 8. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 8.1. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; i. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, en die aanvraag met toepassing van de asielgrensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 9. Eiser betwist alle gronden. 10. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden van de maatregel onvoldoende te achten. Verweerder heeft de grond a aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. Deze grond is feitelijk juist, omdat eiser niet in het bezit is van de vereiste reisdocumenten en hij heeft verklaard dat hij op illegale wijze via Spanje het Schengengebied is ingereisd. Dat eiser voornemens was in Nederland een asielaanvraag in te dienen doet geen afbreuk aan de feitelijke juistheid van deze grond. Verder mag verweerder grond c aan eiser tegenwerpen, omdat deze feitelijk juist is. Eiser beschikt niet over identificerende documenten en niet is gebleken dat hij inspanning heeft verricht om aan identificerende documenten te komen. Daarbij heeft eiser wisselend verklaard over zijn gestelde identiteit en heeft hij gebruik gemaakt van meerdere verschillende personalia. Dat eiser stelt dat hij in Nederland zijn correcte identiteits- en nationaliteitsgegevens heeft afgegeven doet geen afbreuk aan de feitelijke juistheid van deze grond. Gelet op deze verstrekte onjuiste of tegenstrijdige persoonsgegevens met betrekking tot zijn identiteit en nationaliteit, is ook grond d feitelijk juist en voor zover nodig door verweerder voldoende gemotiveerd in de maatregel van vreemdelingenbewaring. De gronden a, c en d zijn voldoende om de maatregel te dragen. Hieruit volgt het risico op onderduiken. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden behoeft daarom geen bespreking meer. Ambtshalve toets 11. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest. Conclusie 12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan op 28 juli 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Vreemdelingenwet 2000. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025.6279

Similar Content