Rechtbank Amsterdam, 22-07-2026 (13-132596-26)
Frans vervolgings-EAB. Lijstfeiten. Detentieomstandigheden Lille-Sequedin. Evenredigheid van de uitvaardiging van het tweede EAB. Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-132596-26 Datum uitspraak: 22 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 19 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 7 mei 2026 door de Openbare aanklager bij de Rechtbank van Duinkerken, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] (Marokko), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 juli 2026, in aanwezigheid van mr. A. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van het recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat, mr. M.G. van Wijk, advocaat in Hoorn. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Marokkaanse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt arrestatiebevel uitgevaardigd door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Duinkerken van 7 mei 2026 met referenties: Parket nr. 25322000051 en onderzoek nr. JIJI25000017. De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten: - deelname aan een criminele organisatie; - moord en doodslag, zware mishandeling; - opzettelijke brandstichting. Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 5 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan 3 m². Mannelijke verdachten en veroordeelden die een (rest)straf korter dan twee jaar uitzitten, worden in een Huis van Bewaring gedetineerd. Voor de opgeëiste persoon geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van zijn grondrechten in detentie in Frankrijk. Gelet op dit algemeen gevaar heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) op 11 mei 2026 gevraagd waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd en hoe de omstandigheden aldaar zijn. Op 29 mei 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt: “(…) I confirm that, in response to your request dated May 11, 2026, the guarantee for [de opgeëiste persoon] also applies to the EAW dated May 7, 2026. Therefore, [de opgeëiste persoon] will be held at the Lille-Sequedin penitentiary, specifically in the Men's Detention Center (MAH), which has 373 cells. Each cell measures between 10 and 11 square meters. Thus, even if [de opgeëiste persoon] were placed in a cell with other inmates, which is very likely given the current prison population, he would still have a surface area greater than 3 square meters (excluding the bathroom). The surface area of the bathrooms varies between 1.4 and 1.8 square meters. Thus, these conditions of detention comply with the guarantees provided for in the Dorobantu judgment (ECLI:EU:C:2019:857, §§ 75-76) (…).” De rechtbank is van oordeel dat voornoemde aanvullende informatie het algemene reële gevaar van schending van de grondrechten voor de opgeëiste persoon wegneemt. De rechtbank leidt uit deze informatie af dat de opgeëiste persoon na overlevering meer dan 3 m² persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel, exclusief sanitair, tot zijn beschikking zal hebben. De rechtbank is daarom van oordeel dat de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon niet aan overlevering aan Frankrijk in de weg staan. 6 Evenredigheid Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het uitvaardigen van meerdere opeenvolgende EAB’s voor dezelfde opgeëiste persoon mogelijk is, mits deze evenredig zijn en met inachtneming van de aard en ernst van het strafbare feit en de gevolgen voor de betrokkene. In de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2023 heeft de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van een EAB dat de rechtbank in een eerdere uitspraak had geweigerd. In de onderhavige zaak is de opgeëiste persoon op basis van een tweede EAB opnieuw aangehouden, terwijl het eerste EAB nog niet was beoordeeld door de rechtbank. De Franse justitiële autoriteiten hebben bij de uitvaardiging van het tweede, onderhavige EAB geen zelfstandige en zorgvuldige afweging gemaakt. Uit een e-mail van de Franse officier van justitie blijkt dat het onderhavige EAB is uitgevaardigd naar aanleiding van informatie van de Nederlandse officier van justitie dat de opgeëiste persoon vanwege een procedurele fout zou worden vrijgelaten in de procedure met betrekking tot het eerste EAB. Het eerste EAB is toen ingetrokken en direct daarna is het onderhavige EAB uitgevaardigd. Hierna is de opgeëiste persoon meteen opnieuw aangehouden. Dit betekent dat het onderhavige EAB niet het resultaat is van een onafhankelijke en zelfstandige beslissing van de uitvaardigende justitiële autoriteit over de evenredigheid daarvan. Dit betekent dat er geen gevolg gegeven moet worden aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij verplicht was de procedurele fout in het eerste EAB te melden aan de Franse autoriteiten. Deze fout zou er namelijk toe leiden dat de opgeëiste persoon in vrijheid zou worden gesteld. De Franse uitvaardigende justitiële autoriteiten hebben vervolgens, mede vanwege de ernst van de strafbare feiten en de verblijfsstatus van de opgeëiste persoon, direct zelfstandig besloten het eerste EAB in te trekken en gelijktijdig een nieuw EAB uit te vaardigen. Eventuele onrechtmatigheden rondom deze gang van zaken dient de opgeëiste persoon in Frankrijk aan de orde te stellen. Een en ander staat niet aan overlevering in de weg. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt allereerst dat de vergelijking met de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2023 in deze zaak niet opgaat, omdat in die zaak al eerder een inhoudelijke beoordeling van hetzelfde EAB had plaatsgevonden. In deze zaak is er een nieuw EAB uitgevaardigd. De rechtbank vat het verweer van de raadsman daarom op als een verweer dat ziet op de evenredigheid van de uitvaardiging van het tweede EAB. In lijn met eerdere uitspraken van deze rechtbank overweegt de rechtbank dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid dient te worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de Overleveringswet en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de Overleveringswet is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken. Het is in beginsel dus niet aan de rechtbank om na te gaan of bij het uitvaardigen van het EAB de evenredigheid daarvan is getoetst door de uitvaardigende justitiële autoriteit. Een beroep op de onevenredigheid van een EAB kan in een concreet geval slechts onder uitzonderlijke omstandigheden slagen. Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is in het geval van de opgeëiste persoon geen sprake. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Openbare aanklager bij de Rechtbank van Duinkerken, Frankrijk, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. M. Scheeper en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rechtbank Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rechtbank Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751. HvJ EU 31 januari 2023, C-158/21, ECLI:EU:C:2023:57. ECLI:NL:RBAMS:2023:1051. Zoals vereist in HvJ EU, 31 januari 2023, C-158/21.