Rechtbank Amsterdam, 16-07-2026 (13-089967-26)
Duits vervolgings-EAB. Lijstfeit. Geen sprake is van overlevering voor dezelfde feiten als bedoeld in artikel 9, tweede lid, sub b onder 4, OLW (ne bis in idem). Overlevering toegestaan.
Full text
RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-089967-26 Datum uitspraak: 16 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 4 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 maart 2026 door het Landgericht Aachen , Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1995 in [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , nu uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieplaats] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 25 juni 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 25 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen. De rechtbank heeft de behandeling van het overleveringsverzoek aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken over de vraag of al dan niet sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, OLW (ne bis in idem). Zitting van 8 juli 2026 De rechtbank heeft de behandeling van het EAB – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 8 juli 2026, in aanwezigheid van mr. A. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel ten behoeve van de voorlopige hechtenis uitgevaardigd door het Landgericht Aachen van 13 november 2025 , met referentie: 67 KLs 15/25 (107 Js 212/22). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 4 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen; Uit het EAB volgt dat voor de feiten naar het recht van Duitsland maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. 5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft geen beroep gedaan op artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van een terugkeergarantie. 6 Artikel 9 OLW; ne bis in idem Het standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 9 OLW, omdat de opgeëiste persoon in Duitsland al is veroordeeld voor de feiten waarvoor het EAB is uitgevaardigd, namelijk bij vonnis van Landgericht Aachen van 16 januari 2023. Die straf zit de opgeëiste persoon op dit moment uit in Nederland. De feiten, die in het EAB zijn beschreven, zouden gepleegd zijn in de periode van 27 maart 2021 tot 3 januari 2022. De feiten waarvoor hij reeds in Duitsland is veroordeeld zien op de periode tot en met 4 januari 2022, zoals beschreven op de Justitiële Documentatie (strafblad) van de opgeëiste persoon. Het gaat om dezelfde feiten in dezelfde periode. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de pleegperiode zoals vermeld op het strafblad (tot en met 4 januari 2022) alleen betrekking heeft op de pleegdatum van de feiten op 4 januari 2022. Dit wordt ook bevestigd in het WETS-certificaat en de daarbij gevoegde stukken. De pleegperiode van de feiten in het EAB loopt tot en met 3 januari 2022. De pleegdatum van de feiten waarvoor de opgeëiste persoon al is veroordeeld (4 januari 2022) valt dus ná deze periode. Hierdoor is er geen overlap tussen de feiten en is er dus geen sprake van ne bis in idem . Het oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat uit het strafblad van de opgeëiste persoon blijkt dat de opgeëiste persoon op dit moment een straf uitzit die hem is opgelegd door het Landgericht Aachen op 16 januari 2023. Op het strafblad staat onder het kopje ‘Buitenlandse Zaken’ voor deze zaak de pleegperiode tot en met 4 januari 2022 vermeld. Volgens het EAB beslaat de pleegperiode van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd de periode van 27 maart 2021 tot en met 3 januari 2022. Uit de aanvullende informatie, te weten het Duitse WETS-certificaat en de onderliggende rechterlijke beslissingen, blijkt dat de delicten waarvoor de opgeëiste persoon op 16 januari 2023 is veroordeeld, op 4 januari 2022 zijn gepleegd. De toevoeging “tot en met” in het strafblad berust dus kennelijk op een vergissing. Het EAB ziet op feiten die gepleegd zijn vóór de feiten waarvoor de opgeëiste persoon al is veroordeeld. Dit betekent dat er geen sprake van overlap tussen de feiten die in het EAB worden omschreven en de feiten waarop de Duitse veroordeling betrekking heeft. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat er geen sprake is van overlevering voor dezelfde feiten als bedoeld in artikel 9, tweede lid, sub b onder 4, OLW ( ne bis in idem) . De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Landgericht Aachen , Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. M. Scheeper en L. Sanders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 16 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.