Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:19162 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 10-06-2026 (C/09/700154 / FA RK 26-1852)

Rechtbank Den Haag
Summary

Voorlopige voorzieningen. Toevertrouwing: overeenstemming. Zorgregeling: raadsonderzoek gelast in bodemprocedure.

Full text

Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 26-1852 Zaaknummer: C/09/700154 Datum beschikking: 10 juni 2026 Voorlopige voorzieningen Beschikking op het op 23 februari 2026 ingekomen verzoek van: [de vader], de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink te Den Haag. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder], de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.S. Polat te Rijswijk. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift met zelfstandig verzoek; het bericht van 1 juni 2026 van de zijde van de moeder. Op 27 mei 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat; de moeder via een videoverbinding, bijgestaan door haar advocaat en een tolk; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Feiten De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2021 te [plaats], [land]. Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats]. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige]. Volgens uittreksels uit de Basisregistratie Persoonsgegevens hebben de vader en [minderjarige] in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en heeft de moeder de Marokkaanse nationaliteit. Bij deze rechtbank is een echtscheidingsprocedure betreffende partijen aanhangig, onder zaak- en rekestnummer C/09/700224 en FA RK 26-1891. Verzoek en verweer De vader verzoekt de rechtbank te bepalen dat er een voorlopige zorg- en contactregeling zal gelden, waarbij [minderjarige] bij de vader zal verblijven op maandag, woensdag en vrijdag van 13.00 uur tot 17.00 uur, dan wel een regeling die de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren. De moeder voert verweer tegen de verzochte voorlopige zorgregeling, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig om – voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad – te bepalen dat [minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd. Beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken ten aanzien van het vaststellen van een voorlopige zorgregeling en de toevertrouwing van [minderjarige]. Toevertrouwing [minderjarige] Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader ingestemd met het verzoek van de moeder om [minderjarige] aan haar toe te vertrouwen. Daarom zal de rechtbank dit verzoek als niet weersproken, op de wet gegrond en in het belang van [minderjarige] toewijzen. Zorgregeling Huidige situatie Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat de moeder de gezamenlijke woning van partijen in december 2025 samen met [minderjarige] heeft verlaten. Sindsdien verblijven de moeder en [minderjarige] in verband met hun veiligheid in een opvanglocatie op een geheime locatie. Uit een veiligheidsscreening volgt dat er aanzienlijke veiligheidsrisico’s voor de moeder en [minderjarige] uitgaan van de vader (‘code rood’) en dat er meerdere instanties, waaronder Veilig Thuis, zijn benaderd om mee te kijken naar de situatie van het gezin en om de veiligheidsrisico’s nader in kaart te brengen en te beoordelen. Volgens de opvang is het van groot belang dat een zorgvuldig en onafhankelijk veiligheidsonderzoek wordt afgerond, alvorens over te gaan tot uitvoering en/of uitbreiding van een zorgregeling. Ook geeft de opvang aan meermaals te hebben geprobeerd om de vader telefonisch te informeren over het betrekken van de instanties en de aanmelding bij Veilig Thuis, maar dat het hen niet is gelukt om met de vader in contact te komen. Inhoudelijke beoordeling Uit de stukken en dat wat er op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat er sprake is van een zeer complexe situatie. Niet alleen omdat de moeder met [minderjarige] op een geheime locatie verblijft, maar ook omdat de verklaringen van partijen over hetgeen er in het verleden is gebeurd sterk uiteenlopen. Zo stelt de moeder dat de vader haar in het verleden veelvuldig (fysiek, psychisch en seksueel) geweld heeft aangedaan, dat [minderjarige] hier getuige van is geweest en dat ook [minderjarige] zelf gewelddadig door de vader is behandeld. Zij geeft aan dat professionals hebben vastgesteld dat er nog steeds aanzienlijke veiligheidsrisico’s voor haar en [minderjarige] uitgaan van de vader. Desalniettemin vindt de moeder het belangrijk dat [minderjarige] weer contact heeft met zijn vader mits het contact tussen [minderjarige] en de vader op een verantwoorde en veilige manier kan worden vormgegeven, en daarvoor is nodig dat de uitkomsten van het veiligheidsonderzoek worden afgewacht. De vader betwist dat hij ooit geweld heeft gebruikt tegen de moeder en [minderjarige] en stelt dat de stellingen van de moeder niet door bewijs worden ondersteund. Volgens hem kan er direct contact plaatsvinden, maar hij staat ook open voor een opbouwregeling. Uiteindelijk wenst de vader toe te werken naar een 50/50-regeling. Op de zitting is met partijen gesproken over de verzoeken van de vader met betrekking tot de zorgregeling in het licht van de huidige omstandigheden en de wens van beide ouders dat er (in de toekomst) contact zal zijn tussen [minderjarige] en zijn vader. Daarbij is door de moeder naar voren gebracht dat Veilig Thuis inmiddels bij haar en [minderjarige] betrokken is en dat deze instantie als regievoerder wil optreden om te bezien wat er op korte termijn mogelijk is in het realiseren van contact tussen [minderjarige] en zijn vader, maar dat het Veilig Thuis tot op heden niet is gelukt om de vader te bereiken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader aangegeven dat hij graag met Veilig Thuis in contact wil komen om te bezien in hoeverre er mogelijkheden zijn om op korte termijn contact met [minderjarige] te hebben. Daarom is ter zitting met de vader afgesproken dat hij daartoe contact zal opnemen met Veilig Thuis, waarbij de vader heeft aangegeven dat zijn zus hem daarbij kan helpen. Ook heeft de zittingsvertegenwoordiger van de Raad aangegeven de vader daarbij te kunnen helpen indien het hem niet lukt. Hoewel deze afspraak zich niet leent voor opname in het dictum, verwacht de rechtbank dat de vader dit inmiddels heeft gedaan. Voor wat betreft de zorgregeling op (langere) termijn overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank acht zich op grond van de voorliggende informatie onvoldoende geïnformeerd om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen over het contact tussen [minderjarige] en de vader. Gelet op de complexiteit van de situatie, de uiteenlopende verklaringen van partijen over het verleden en de veiligheidsrisico’s die door professionele hulpverleners (namelijk de opvang) aanwezig worden geacht, acht de rechtbank een onderzoek door de Raad aangewezen. De ouders hebben ingestemd met het raadsonderzoek, althans hebben zich daartegen niet verzet. De rechtbank vraagt de Raad om onderzoek te doen en in ieder geval de volgende vragen te beantwoorden: Zijn er zorgen over de veiligheid van [minderjarige] of de moeder bij de vader? Zo ja, staan deze zorgen aan contact tussen [minderjarige] en de vader in de weg? Is vaststelling van een zorgregeling met de vader in het belang van [minderjarige]? Zo ja, welke zorgregeling is in zijn belang? Hoe dient de zorgregeling met de vader er qua aard, duur en frequentie uit te zien? Is (nadere) hulpverlening voor de vader, de moeder en/of [minderjarige] noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd? Zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de zaak? Gelet op het feit dat onderhavige procedure een voorlopige voorzieningenprocedure is, verzoekt de rechtbank de Raad om het advies en rapport aan de rechtbank aan te brengen in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/700224 en FA RK 26-1891. Beslissing De rechtbank: * bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats], aan de moeder wordt toevertrouwd; * verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/700224 en FA RK 26-1891 ; bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen; * verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; * wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 10 juni 2026.

Similar Content