College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16-07-2026 (25/1022)
Beslissing 8:29 Awb. Beperkte kennisneming persoons- en bedrijfsgegevens gerechtvaardigd.
Full text
beslissing COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 25/1022 beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [naam] , te [vestigingsplaats] (de maatschap) (gemachtigde: mr. J.L. Baar) en de staatssecretaris (voorheen minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. E.M. Scheffer) Procesverloop De maatschap heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van 24 november 2025. De staatssecretaris heeft de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken ingezonden en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken. Het betreft (delen van) de volgende stukken, die de staatssecretaris als bijlagen bij het voornemen terugbetaling na verrekening van bestuursdwangkosten van 10 oktober 2025 (voornemen tot kostenverhaal) heeft gevoegd: B1. taxatierapport van 27 januari 2024; B2. factuur van 1 februari 2024 met nummer 2024/01/10990 met bijlagen; B3. (correctie-)factuur van 1 maart 2024 met nummer 2024/02/10990; B4. factuur van 1 maart 2024 met nummer 2024/03/10990 met bijlagen; B5. taxatiefactuur van 31 januari 2024 met nummer 2024005; B6. transportfactuur van 31 januari 2024 met nummer 24010017 met bijlagen; B7. transportfactuur van 19 maart 2024 met nummer 24010067 met bijlagen. Verder betreft het (delen van) het volgende stuk, dat de staatssecretaris als bijlage bij zijn e-mail van 21 april 2026 aan het College heeft verstuurd in aanvulling op de bijlagen bij het voornemen tot kostenverhaal: B8. factuur van 1 maart 2024 met nummer 2024/02/10990 met bijlagen. De maatschap heeft een reactie gegeven. Overwegingen 1. In deze zaak heeft de staatssecretaris met toepassing van bestuursdwang achttien runderen en twintig schapen van de maatschap laten meevoeren en onderbrengen bij een opslaghouder. De staatssecretaris heeft de kosten van de bestuursdwang verhaald op de maatschap. 2 De staatssecretaris heeft verzocht dat alleen het College van de niet bewerkte versies van bovengenoemde stukken kennis zal nemen. Volgens de staatssecretaris staan in deze stukken persoonsgegevens en bedrijfskenmerken en bedrijfsgegevens van de bij de inbewaringname betrokken opslaghouder, dierenarts, transporteur en taxateur. De opslaghouder, dierenarts, transporteur en taxateur zijn verder niet bij deze procedure betrokken. Als (persoons)gegevens bekend worden, dan zal het in de toekomst mogelijk moeilijk worden om contracten met bereidwillige opslaghouders en transporteurs af te sluiten en voor opslaghouders om dierenartsen zo ver te krijgen om meegevoerde dieren te beoordelen en behandelen. Ook het laten verrichten van een taxatie door een beëdigd taxateur wordt mogelijk moeilijker als diens gegevens bekend worden. Dat terwijl de beroepsgroep van beëdigd taxateurs voor landbouwhuisdieren en daarmee het aantal geschikte taxateurs al klein is. In het verleden hebben zich bovendien nare incidenten voorgedaan met bedreigingen van derden die betrokken waren bij het proces van meevoeren en opslaan van dieren. Mede daardoor is de bereidheid van deze dienstverleners om mee te werken aan het proces van meevoeren en opslaan onder druk komen te staan. De staatssecretaris doet een beroep op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van deze derden en licht dit als volgt toe. De persoonlijke levenssfeer van deze derden moet worden geëerbiedigd, omdat onbeperkte kennisneming van deze informatie tot een onevenredig nadeel voor de bij de inbeslagname betrokken derden zal kunnen leiden, terwijl kennisneming van deze informatie door de maatschap niet noodzakelijk is om haar belangen naar behoren te kunnen bepleiten. 3 De maatschap heeft geen bezwaar tegen beperkte kennisname van de persoonsgegevens van de dierenarts. Wat de gegevens van de opslaghouder, transporteur en taxateur betreft ligt dat anders. In eerdere vergelijkbare zaken is gebleken dat dergelijke gegevens relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid en hoogte van de opgevoerde kosten. Zo kan voor de beoordeling van eventuele beroepsgronden van belang zijn of bijvoorbeeld reistijden en daarmee samenhangende kosten correct zijn berekend. Als deze gegevens volledig worden weggelakt, kan dat de maatschap belemmeren in haar mogelijkheid om de juistheid van bepaalde kostenposten te controleren en daartegen zo nodig gronden aan te voeren. 4 Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 van de Awb heeft het College een rechter-commissaris opgedragen deze beslissing te nemen. 5 Bij deze beslissing moet de rechter-commissaris belangen tegen elkaar afwegen. Aan de ene kant speelt hierbij het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Aan de andere kant kan kennisneming van bepaalde gegevens door de ene partij het belang van een betrokkene onevenredig schaden, terwijl de staatssecretaris er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie aangeleverd te krijgen die hij voor een goede uitoefening van zijn taken nodig heeft. 6 In het geval van beroepshalve functioneren, kan slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet per geval worden afgewogen in het licht van de onder 5 genoemde belangen. De rechter-commissaris oordeelt dat beperking van de kennisneming van de stukken B1 tot en met B8 gerechtvaardigd is, nu deze stukken persoonsgegevens bevatten van verschillende niet bij deze procedure betrokken personen. De rechter-commissaris ziet aanleiding om meer gewicht toe te kennen aan het belang van de staatssecretaris om de persoonlijke levenssfeer van derden die niet bij deze procedure betrokken zijn te eerbiedigen. Daarbij betrekt de rechter-commissaris dat de weggelakte gegevens steeds een klein deel betreffen van de stukken in hun geheel en geen afbreuk doen aan de begrijpelijkheid van deze stukken. De rechter-commissaris ziet daarom geen aanknopingspunten om te oordelen dat de maatschap wordt benadeeld in haar verdediging als zij niet op de hoogte is van deze gegevens. Het College volgt de maatschap niet in haar betoog dat een beperking van de kennisneming niet is gerechtvaardigd, omdat zij de persoonsgegevens van de taxateur, opslaghouder en transporteur nodig heeft om in de bodemprocedure de hoogte van de in rekening gebrachte bestuursdwangkosten te betwisten. Als de maatschap in de bodemprocedure de hoogte van de bestuursdwangkosten betwist, ligt het gelet op het bepaalde in artikel 5:25, eerste lid, van de Awb op de weg van de staatssecretaris om in de bodemprocedure zodanige informatie en gegevens over het meevoeren en opslaan van de dieren te verstrekken zodat deze inzichtelijk zijn en kan worden beoordeeld of de door de staatssecretaris aan de maatschap in rekening gebrachte kosten redelijkerwijze voor haar rekening komen. 7 Het College kan alleen met toestemming van de andere partij mede op de grondslag van die stukken uitspraak doen. De maatschap wordt verzocht om binnen twee weken na heden schriftelijk kenbaar te maken of zij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken B1 tot en met B8 uitspraak doet op het beroep. Beslissing De rechter-commissaris: - beslist dat de gevraagde beperking van de kennisneming van de stukken B1 tot en met B8 gerechtvaardigd is; - verzoekt de maatschap om binnen twee weken na de verzending van deze beslissing schriftelijk aan het College kenbaar te maken of zij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken B1 tot en met B8 uitspraak doet op het beroep. Deze beslissing is genomen op 16 juli 2026 door mr. T. Pavićević, in aanwezigheid van mr. D.L. van Hal-Vermeer, griffier. w.g. T. Pavićević w.g. D.L. van Hal-Vermeer