Skip to content
Case Law · Rechtbank Amsterdam ·ECLI:NL:RBAMS:2025:11501 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Amsterdam, 03-02-2025 (11293459 CV EXPL 24-11426)

Rechtbank Amsterdam
Summary

Huur woonruimte, 7:268 lid 2 BW. Mondelinge uitspraak. Bodemprocedure van de zaak die is uitgemond in ECLI:HR:2026:1240. Vonnis uitvoerbaar bij voorraad omdat de vordering kansloos is.

Full text

RECHTBANK AMSTERDAM Civiel recht Kantonrechter Zaaknummer: 11293459 \ CV EXPL 24-11426 Func. 33494 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 3 februari 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp, tegen WONINGSTICHTING ROCHDALE , te Amsterdam, gedaagde partij, hierna te noemen: Rochdale, gemachtigde: mr. C.V. van Enckevort. De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam. De zaak wordt behandeld door mr. J.P.C. van Dam van Isselt, kantonrechter, en mr. J. Higler-Huisman als griffier. Aanwezig zijn: - [eiser] , vergezeld door zijn tante en de gemachtigde; - dhr. [persoon] , specialist woonfraude, namens Rochdale, eveneens vergezeld door de gemachtigde. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter, na een schorsing, op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. 1 De beoordeling 1.1. Onderhavige zaak ziet op het woonrecht van [eiser] , en is dan ook een ingrijpende beslissing. Allereerst moet gekeken worden naar de vervaltermijn van 6 maanden (van artikel 7:268 lid 2 BW), die heel ver overschreden is, namelijk meer dan 7 jaar. [eiser] heeft aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Rochdale daar een beroep op doet. De kantonrechter gaat daar niet in mee, en is van oordeel dat een beroep op de vervaltermijn hier niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 1.2. Het was voor [eiser] namelijk niet onmogelijk om die vordering in te stellen. Er was geen feitelijke belemmering en geen juridische belemmering, [eiser] was niet afwezig of anderszins verhinderd. Gekeken is ook nog of Rochdale wellicht haar rechten heeft verwerkt op dit punt, maar ook dat is niet zo. Rochdale heeft op geen enkele wijze aanleiding gegeven voor [eiser] om in de veronderstelling te verkeren dat hij in de woning zou mogen blijven zitten, of dat er geen beroep zou worden gedaan op de vervaltermijn. Rochdale heeft er dan ook niet actief voor gezorgd dat er rechten zijn verspeeld. 1.3. Het is juist dat het heel lang heeft geduurd, namelijk meer dan 7,5 jaar, en dat [eiser] in die tijd lange tijd betalingen heeft gedaan voor de huur, maar daarmee is geen sprake van zulke bijzondere omstandigheden dat de vervaltermijn niet meer van toepassing is. Die termijn is een strenge termijn en daar moet door een rechter ook ambtshalve naar gekeken worden. Deze wordt niet zomaar geschrapt vanwege de tijdsduur en de door [eiser] gedane betalingen, mede omdat iemand voor een ander mag betalen op grond van artikel 6:30 BW. Bij deze beoordeling is ook de toelichting van Rochdale meegenomen hoe zij er uiteindelijk achter is gekomen dat de huurster, de oma van [eiser] , er niet meer woonde. Rochdale heeft verwezen naar de handelwijze die samen met de gemeente is opgezet en dat in het kader van de AVG beperkte gegevens worden gedeeld. Het kwam hier wel naar boven omdat er sprake was van een actieve huurovereenkomst zonder inschrijving in de basisregistratie personen (BRP). 1.4. Rochdale wist dan ook niet eerder van de situatie en behoefde het ook niet te weten. Daar staat tegenover dat [eiser] heeft stilgezeten op dit vlak en geen initiatief heeft genomen, terwijl dat wel verwacht mag worden als hij de huur wilde voortzetten. Daarbij is illustratief dat [eiser] op de vraag of hij niet heeft geprobeerd zich in te schrijven, heeft geantwoord dat inschrijven niet mogelijk was omdat zijn oma daarvoor had moeten tekenen. [eiser] had dan moeten weten dat er iets aan de hand was en had daarop actie moeten ondernemen. Dat heeft hij niet gedaan. 1.5. Dat betekent dat er een beroep mag worden gedaan op de vervaltermijn. Deze is dus van toepassing en is overschreden. Dat zou al leiden tot een afwijzing van de vordering tot voortzetting van de huur. 1.6. De kantonrechter heeft ook gekeken naar wat het inhoudelijke oordeel zou zijn geweest zonder de vervaltermijn, en of er sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Aan dat vereiste is ook niet voldaan. Daarbij is van belang dat [eiser] heeft gesteld dat hij altijd met zijn oma heeft samengewoond, maar dat dit niet volgt uit zijn inschrijvingen in BRP. Er zijn verschillende adressen, ook na het overlijden van de oma van [eiser] . [eiser] heeft niet voldaan aan de verzwaarde stelplicht die iemand heeft in een ouder-kind relatie, waarbij de grootmoeder van [eiser] hier meer gezien wordt als moeder van [eiser] . In die situatie moet een kind heel duidelijk uitleggen waarom er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Het gaat om langere tijd lief en leed delen en voor de toekomst ook. [eiser] heeft niet voldaan aan die verzwaarde stelplicht. 1.7. Bovendien is de onderbouwing van het bewijs dat aan de kantonrechter is overgelegd ook onvoldoende. De bankafschriften dateren van na het overlijden van de oma van [eiser] , en de stukken met betrekking tot het zijn van mantelzorger, dat [eiser] voor zijn oma heeft gezocht zij niet voldoende. De kantonrechter wil daarbij niet afdoen aan het mantelzorger, hetgeen juist toe te juichen is, maar dat bewijst niet dat sprake is van een wederkerige relatie en duurzame gemeenschappelijke huishouding zoals bij een ‘normale’ huishouding. Dat betekent dat ook een inhoudelijke beoordeling zou leiden tot een afwijzing van de vordering van [eiser] . De vordering in conventie wordt daarom afgewezen, waarbij [eiser] in de proceskosten wordt veroordeeld. 1.8. De proceskosten van Rochdale worden begroot op: - salaris gemachtigde € 408,00 (2 punten × € 204,00) - nakosten € 67,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 475,50 1.9. Het oordeel in conventie leidt ook tot toewijzing van de vorderingen van Rochdale in reconventie. [eiser] verblijft zonder recht of titel in de woning; hij heeft geen huurovereenkomst en mag de huur niet voortzetten. De kantonrechter wijst daarom de gevorderde ontruiming toe. De ontruiming wordt evenwel niet op een termijn van 3 dagen toegewezen, maar de kantonrechter sluit aan bij de termijn die in kort geding is gegeven. [eiser] zal worden veroordeeld om de woning te ontruimen uiterlijk op 4 maart 2025, na betekening van het vonnis, welke ontruiming zo nodig ook met de sterke arm mag worden uitgevoerd. 1.10. Ook de gevorderde gebruiksvergoeding zal worden toegewezen. De achterstand bedroeg tot en met oktober 2024 € 1.744,86, en vanaf november 2024 bedraagt de gebruiksvergoeding € 591,62 per maand tot de woning ontruimd wordt. Gedane betalingen strekken daarop in mindering. 1.11. Ook in reconventie wordt [eiser] derhalve in het ongelijk gesteld. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen worden de proceskosten in reconventie op nihil begroot. 1.12. Alle veroordelingen, zowel de proceskosten in conventie als de gevorderde ontruiming en vergoedingen in reconventie, zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Dat betekent dat het vonnis ook mag worden uitgevoerd als [eiser] in hoger beroep gaat. Dat is in een zaak als deze iets bijzonders, nu in de wet staat dat onherroepelijk moet zijn beslist op de vordering tot voortzetting van de huur. Er is hier echter sprake van zodanige bijzondere omstandigheden dat die rechtvaardigen dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Ook al is hier geen sprake van misbruik van recht, en moet in een bodemprocedure kunnen worden aangevoerd dat iemand woonrecht heeft en dat hij de huurovereenkomst van een woning wil voortzetten en hij dat bij een rechter wil laten vaststellen, helemaal als in kort geding ontruiming is bevolen, maar onderhavige vordering is echt kansloos. De kantonrechter kan niet anders dan de vordering afwijzen, omdat de vervaltermijn al zo lang verstreken is, en geenszins een duurzame gemeenschappelijke huishouding kan worden vastgesteld. Dat is zo’n bijzondere omstandigheid dat de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren. 2 De beslissing De kantonrechter In conventie: 2.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 2.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 475,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, In reconventie: 2.3. veroordeelt [eiser] om uiterlijk op 4 maart 2025 en na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Rochdale zijn, en de sleutels af te geven aan Rochdale, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform artikel 555 Rv jo. artikel 444 Rv, 2.4. veroordeelt [eiser] tot betaling van de achterstand in de betalingen voor het gebruik van € 1.744,86 tot en met oktober 2024, en een bedrag van € 591,62 per maand vanaf november 2024 tot de woning ontruimd wordt, verminderd met de reeds gedane betalingen, Zowel in conventie als in reconventie: 2.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. J.P.C. van Dam van Isselt en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, mr. J. Higler-Huisman. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.

Similar Content