Skip to content
Case Law Β· Rechtbank Zeeland-West-Brabant Β·ECLI:NL:RBZWB:2026:5140 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal β€” legal information, not advice.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11-05-2026 (C/02/444940 / FA RK 26-732)

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Summary

Vervangende toestemming inschrijving kinderdagverblijf

Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda Zaaknummer: C/02/444940 / FA RK 26-732 11 mei 2026 beschikking betreffende vervangende toestemming in de zaak van [de vader] , wonende te [plaats 1] , hierna te noemen de vader, advocaat mr. J.T.M. Sengers, en [de moeder] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen de moeder, advocaat mr. N. Schiettekatte. Als belanghebbende is in de procedure gehoord: de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te Tilburg, hierna te noemen de GI. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad. 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 6 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 10 april 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen; - het op 13 april 2026 ontvangen aanvullend verzoekschrift met bijlagen. 1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 16 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens waren aanwezig vertegenwoordigers van de Raad en de GI. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn ouders van de nu nog minderjarige: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2025. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] staat ingeschreven op het woonadres van moeder. 2.2 Bij beschikking van deze rechtbank van 8 september 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 8 september 2025 tot 8 september 2026. 2.3 Bij beschikking van 12 januari 2026 van deze rechtbank heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang van 12 januari 2026 tot 26 januari 2026. Bij beschikking van 6 februari 2026 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang van 26 januari 2026 tot 8 september 2026. 3 Het verzoek 3.1 De vader verzoekt nu, samengevat: - aan hem vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van moeder vervangt, voor inschrijving van [minderjarige] op kinderdagverblijf β€œ [kinderdagverblijf] ”, gevestigd aan de [adres] in [plaats 1] , Γ³f een ander kinderdagverblijf (in [plaats 1] ) naar keuze van vader; - aan hem vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van moeder vervangt, om met [minderjarige] te reizen naar [plaats 2] , Spanje, in de periode van 29 juli 2026 tot en met 9 augustus 2026. 4 De beoordeling Vervangende toestemming vakantie 4.1 Tijdens de mondelinge behandeling is niet langer tussen partijen in geschil gebleken dat moeder aan vader toestemming verleent om met [minderjarige] op vakantie te gaan naar Spanje in de periode van 29 juli 2026 tot en met 9 augustus 2026. Gelet op de door moeder verleende toestemming, heeft vader geen belang meer bij zijn verzoek om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor deze vakantie. De rechtbank zal het verzoek van vader dan ook afwijzen. 4.2 Partijen hebben afgesproken dat tijdens de vakantie van vader twee belmomenten plaats gaan vinden tussen moeder en [minderjarige] . Deze belmomenten zullen plaatsvinden onder begeleiding van een hulpverlener of onder begeleiding van oma aan moederszijde. Het is aan partijen om in onderling overleg met de GI afspraken te maken over de dagen en het tijdstip waarop deze belmomenten plaats kunnen vinden en over degene die dan de begeleiding op zich zal nemen. Ook hebben partijen afgesproken dat zij in onderleg met de GI afspraken gaan maken over het inhalen van de contactmomenten die moeder als gevolg van de vakantie van vader zal missen. Zoals tijdens de mondelinge behandeling aan partijen is voorgehouden is het daarbij niet de bedoeling dat ieder afzonderlijk contactmoment een op een ingehaald gaat worden. Vervangende toestemming inschrijving kinderdagverblijf 4.3 Vader is feitelijk belast met de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] , sinds [minderjarige] ingevolge de beschikking van 26 januari 2026 bij hem verblijft. Op de maandagen en dinsdagen is [minderjarige] bij oma van moederszijde. Op de woensdagen, vrijdagen en in de weekenden is [minderjarige] bij vader. Vader heeft deels ouderschapsverlof, maar hij heeft behoefte aan een structurele opvanglocatie voor [minderjarige] op de donderdagen. Oma (moederszijde) kan [minderjarige] op die donderdagen volgens vader niet opvangen omdat zij dan moet werken. Daarnaast vindt vader het te belastend voor oma om [minderjarige] nog een derde dag in de week op te vangen. Opvang door moeder is volgens vader ook geen optie, omdat moeder nog niet, dan wel onvoldoende, heeft laten zien dat haar situatie inmiddels zodanig is verbeterd dat zij [minderjarige] een hele dag per week op zou kunnen vangen. 4.4 Volgens moeder is [minderjarige] op basis van een tijdelijke maatregel uit huis geplaatst bij vader en is het de bedoeling dat toegewerkt gaat worden naar een terugkeer bij moeder. Daarbij past, aldus moeder, niet dat [minderjarige] nu naar een kinderdagverblijf in de woonomgeving van vader gaat. Daarnaast is oma (moederszijde) beschikbaar om [minderjarige] op de donderdagen op te vangen. Ook zullen de omgangsmomenten tussen moeder en [minderjarige] uitgebreid gaan worden en kan ook moeder een rol spelen in het opvangen van [minderjarige] op een donderdag. Ten slotte heeft moeder aangevoerd dat partijen voor het verbreken van de relatie hadden afgesproken om [minderjarige] pas naar een kinderdagverblijf te laten gaan wanneer hij 1,5 jaar oud zou zijn en dat is nu nog niet het geval. 4.5 Namens de GI is aangevoerd dat vader in verband met zijn werk een stabiele opvanglocatie voor [minderjarige] nodig heeft. De contacten tussen moeder en [minderjarige] zullen vermoedelijk wel uitgebreid gaan worden maar volgens de GI is dit dan eerst een uitbreiding in het aantal contacturen per dag en pas daarna wordt toegewerkt naar een uitbreiding van het aantal dagen waarop er contact zal zijn. Volgens de GI moet moeder eerst laten zien hoe ver zij is in haar eigen ontwikkeling en of zij inmiddels hulp heeft gevraagd. 4.6 De vertegenwoordigster van de Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat voorstelbaar is dat een kinderdagverblijf rust en stabiliteit zal geven en dat is voor nu belangrijk voor [minderjarige] . Ook ziet de Raad niet in waarom een kinderdagverblijf niet goed zou zijn voor [minderjarige] en kan de Raad zich er in vinden dat [minderjarige] een dag per week naar een kinderdagverblijf gaat. Het is volgens de Raad voor kinderen fijn om bij een kinderdagverblijf te zijn en dit is ook goed voor hun ontwikkeling. 4.7 De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 4.8 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank met partijen en hun advocaten vastgesteld dat oma (moederszijde) nu niet werkt op de donderdagen, omdat zij ziek is. Ook staat vast dat oma, wanneer zij niet ziek is, op woensdag, donderdag en vrijdag moet werken. De rechtbank begrijpt dat oma op dit moment beschikbaar is om [minderjarige] op de donderdagen op te kunnen vangen, maar zoals ook tijdens de mondelinge behandeling is besproken heeft oma ook verplichtingen jegens haar werkgever. Oma zal zich bijvoorbeeld beschikbaar moeten houden om weer op de donderdagen te gaan werken wanneer haar werkgever dit van haar verlangt. Daarnaast kan niet van de man gevergd worden dat hij voor de opvang van [minderjarige] op een donderdag – wanneer hij moet werken – afhankelijk is van de beschikbaarheid van oma. Zoals door de GI is aangegeven, kan [minderjarige] nu nog niet een hele donderdag door moeder worden opgevangen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om de Raad te volgen in het advies dat opvang van [minderjarige] door een kinderdagverblijf in de huidige situatie de beste oplossing is. Niet gesteld of gebleken is dat kinderopvang de ontwikkeling van [minderjarige] zal belemmeren. Naar het oordeel van de rechtbank kan juist sprake zijn van een positief effect op de ontwikkeling van kinderen wanneer zij naar een kinderdagverblijf gaan. Dit omdat kinderen sociale vaardigheden ontwikkelen door met andere kinderen te spelen en samen te werken. Ook biedt een kinderdagverblijf op dit moment zowel voor vader als voor [minderjarige] rust en stabiliteit. 4.9 De rechtbank zal dan ook het verzoek van vader, om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] in te schrijven op kinderdagverblijf β€œ [kinderdagverblijf] ”, toewijzen. 5 De beslissing De rechtbank verleent aan vader vervangende toestemming, die de toestemming van moeder vervangt, voor inschrijving van [minderjarige] op kinderdagverblijf β€œ [kinderdagverblijf] ”, gevestigd aan de [adres] in [plaats 1] , of een ander kinderdagverblijf (in [plaats 1] ) naar keuze van vader; verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. Tempel, en, in tegenwoordigheid van Van der Burgt-de Klerk, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.

Similar Content